Koninklijk Concertgebouworkest speelt Purcell, Händel en Haydn

Koninklijk Concertgebouworkest
Thomas Hengelbrock dirigent
Katarina Bradić mezzosopraan (Armida)
Jonathan Abernethy tenor (Rinaldo)

De Händel-pastiche wordt voorzien van boventiteling.

Deze concerten maken deel uit van de series D, E en Z.

Het concert van 20 oktober wordt live uitgezonden door AVROTROS via NPO Radio 4.

Henry Purcell (1659-1695)

Suite uit ‘King Arthur, or the British Worthy’ (1691) 
semi-opera op tekst van John Dryden – samenstelling Thomas Hengelbrock
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest

Georg Friedrich Händel (1685-1759)

‘Armida e Rinaldo‘ 
pasticcio - samenstelling Thomas Hengelbrock 
Ouverture uit ‘Alessandro’
Fatto inferno è il mio petto, recitatief uit ‘Rodelinda’
Pastorello d’un povero armento, aria uit ‘Rodelinda’
Brilla nell’alma un non inteso ancor, aria uit ‘Alessandro’
T’amerò dunque sempre, idolo mio, recitatief uit ‘Ariodante’
Prendi, prendi da questa mano, duet uit ‘Ariodante’
Sinfonia uit ‘Giulio Cesare in Egitto’ 
Or che dici, Armida?, recitatief uit ‘Alcina’
È un folle, è un vile affetto, aria uit ‘Alcina’
Fermati! No, crudel, duet uit ‘Rinaldo‘
O fato dispietato!, recitatief uit ‘Rinaldo’ 
Lascia ch’io pianga mia cruda sorte, aria uit ‘Rinaldo’ 
Il vostro maggio de’ bei verdi anni, duet uit ‘Rinaldo’
eerste uitvoering door het Concert­gebouworkest

pauze ± 21.15 uur

Joseph Haydn (1732-1809)

Symfonie nr. 52 in c kl.t. (1771-72) 
Allegro assai con brio
Andante
Menuetto: Allegretto
Presto
eerste uitvoering door het Concert­gebouworkest

einde ± 22.15 uur

Toelichting

Henry Purcell c. 1659-1695

Purcell: King Arthur

Door Frits Vliegenthart

Thomas Hengelbrock staat bekend om zijn verrassende concertprogramma’s, waarbij hij zich baseert op historische bronnen.

Na een selectie van delen uit Purcells semi- King Arthur klinken respectievelijk een door Hengelbrock samengestelde pastiche bestaande uit operanummers van Händel en Haydns ‘stormachtige’ Symfonie nr. 52. In alle drie de programma-onderdelen zit een flinke portie dramatiek, terwijl bij Purcell en Händel magie een belangrijke rol speelt.

Purcell: King Arthur

Henry Purcells korte leven speelde zich af in een veelbewogen episode in de Engelse geschiedenis. Na het puriteinse schrikbewind van ­Oliver Cromwell werd in 1660 de monarchie van de Stuarts hersteld, met Charles II als koning.

De podiumkunst zou tijdens de zogeheten ­Restoration (het tijdperk tot omstreeks 1700) opnieuw tot grote bloei komen. In 1685 volgde James II zijn broer Charles op, om al in 1688 te worden afgezet ten gunste van William en Mary – de ­Glorious Revolution.

De libretttist John Dryden concipieerde in 1684 zijn King Arthur, or the British Worthy, een spektakelstuk ‘adorn’d with Scenes, Machines, Songs and Dances’, bedoeld om luister bij te zetten aan Charles’ 25-jarig jubileum.

‘The Merry Monarch’, die tijdens zijn ballingschap onder meer enige tijd in Frankrijk had gewoond, miste in het concept echter de allure van de Franse hofopera, en het project werd afgeblazen.

Na een grondige revisie legde Dryden in 1691 zijn libretto voor aan Purcell, met wie hij het jaar daarvoor succesvol had samengewerkt aan Dioclesian. King Arthur zou een van Purcells populairste werken voor het ­theater worden. Het allegorische verhaal heeft niets te maken met de legenden over Arthur en de ridders van de Tafelronde.

Achtergrond is de strijd tussen de Saksen en de naar een eenheidsstaat strevende Britten. Arthurs (aanvankelijk blinde) geliefde Emmeline is ontvoerd door zijn vijand Oswald. Tovenaars en geesten zijn prominent aanwezig. ­Uiteindelijk overwint het goede en vergeeft de nobele Arthur zijn verslagen tegenstander.

King Arthur is een semi-: een gesproken toneelstuk met muziek op strategische momenten, min of meer te vergelijken met een hedendaagse musical. Purcells bijdrage bestaat uit zes verspreide muzikale scènes.

Puur instrumentale muziek klonk tijdens het binnenkomen van het publiek, als intermezzo tussen de bedrijven, bij decorwisselingen – die in de regel plaatsvonden bij open doek – en als begeleiding van dansen.

Als je de ’s en koren los van hun dramatische context uitvoert, valt er inhoudelijk geen touw aan vast te knopen, maar indien bewerkt tot onderdelen van een instrumentale komt deze meesterlijke muziek uitstekend tot haar recht.

Een van de hoogtepunten is de Frost Dance, waarin klappertanden en huiveren van de kou zo plastisch wordt weergegeven dat je daarbij geen tekst nodig hebt.

Georg Friedrich Händel

Händel: Pasticcio ‘Armida e Rinaldo’

In Purcells tijd raakte de compleet gezongen nooit ingeburgerd in Engeland. Daar was het theaterpubliek te zeer gehecht aan gesproken, goed verstaanbaar drama, waarbinnen muzikale intermezzo’s een welkome afwisseling boden.

Met betrekking tot de Italiaanse opera vormde de vreemde taal een extra barrière. De eerste aanzet tot een doorbraak van dat genre vormde het pasticcio Almahide (Queen’s Theatre in the Haymarket, 1710).

Een pasticcio (‘pastei’, Frans: pastiche) is een muziekdrama waarin ’s uit bestaande opera’s tot een nieuw geheel worden samengevoegd. In dit geval ging het om werken van Giovanni Bononcini en Attilio Ariosti. De verkoop van tekstboekjes met een librettovertaling trok vele bezoekers over de streep.

Toen in datzelfde Queen’s Theatre ­Rinaldo van Georg Friedrich Händel in première ging (1711), sloeg dit werk onmiddellijk aan bij het Londense publiek, dat nu helemaal gewonnen was voor de Italiaanse opera.

Het succes was niet alleen te danken aan de uitstekende muziek, maar ook aan het hoge niveau van de uitvoering en aan de weelderige enscenering.

De plot is losjes ontleend aan Torquato Tasso’s vaardersepos Gerusalemme liberata (1581): centraal staan de christelijke ridder Rinaldo en de heidense koningin Armida, die over magische krachten beschikt en deze inzet om hem te verleiden.

Uitgaande van dit gegeven stelde Thomas Hengelbrock onder de titel Armida e Rinaldo een pasticcio samen rond deze twee personages. Zo ontstond er een mini-, waarin zij een onstuimige liefdesaffaire beleven.

Zorgvuldig gekozen recitatieven, ’s en duetten uit Händels Rodelinda, Alessandro, Ariodante, Alcina en natuurlijk Rinaldo vertellen hoe een en ander verloopt en geven uiting aan de geva­rieerde emoties van het paar.

De geliefde aria ‘Lascia ch’io pianga’ is een mooi voorbeeld van ver doorgevoerd recycling, geheel in de geest van Händel. In diens opera Rinaldo wordt deze ontroerende smeekbede gezongen door een gevangene van Armida, Rinaldo’s verloofde Almirena, in Hengelbrocks pasticcio door Armida zelf.

Händel gebruikte hiervoor de aria ‘Lascia la spina’ uit zijn Il nfo del Tempo e del Disinganno (Rome, 1707). Maar de oerversie van deze prachtige was een instrumentale sarabande uit zijn opera Almira (Hamburg, 1705).

Joseph Haydn 1732-1809

Haydn: Symfonie nr. 52

Tussen 1768 en 1774 componeerde Joseph Haydn zes symfonieën die – naar analogie van de literaire stroming – vaak ‘Sturm und Drang’-symfonieën worden genoemd (de nummers 26, 39, 44, 45, 49 en 52).

Hoewel lang niet alle Haydn-experts instemmen met die typering, onderscheiden deze werken zich binnen Haydns totale output van meer dan honderd symfonieën wel degelijk door hun toonsoorten, door dramatiek en felle contrasten.

Als Kapellmeister aan het hof van de Eszterházy’s voelde Haydn zich in die jaren voldoende zeker van zijn zaak om te experimenteren en risico’s te nemen: ‘Ik was in een unieke positie en had niemand in mijn omgeving die mij dwars kon zitten en mijn ontwikkeling afremmen. Zo moest ik wel origineel worden,’ schreef de componist later in zijn memoires.

Het eerste deel ( assai con brio) van de Symfonie nr. 52 in c klein begint unisono en , waarna snelle toonladderpassages een stormachtig effect creëren. Ook in het lieflijk beginnende (in C groot) ontstaat al spoedig heftige beroering.

Na het to (weer in c klein), dat lyriek combineert met een navrante , volgt een levendige finale, waarvan de iek doet denken aan sommige strijkkwartetten van Ludwig van Beethoven. Opvallend zijn de syncopen en de razende afsluitingsmaten.

Het tische materiaal van dit slotdeel is verwant aan dat van het Allegro assai con brio, waarmee de symfonie opende. Vanwege haar dramatische karakter wordt deze compositie door sommige auteurs beschouwd als een voorloper van Beethovens Vijfde symfonie, die in dezelfde staat.

Biografie

Thomas Hengelbrock, dirigent

Thomas Hengelbrock is chef associé van het Orchestre de Paris. Van 2011 tot 2018 was hij chef- van het NDR Elbphilharmonie Orchester, waarmee hij in januari 2017 de Elbphilharmonie van Hamburg opende. Thomas Hengelbrocks repertoire reikt van de zeventiende eeuw tot heden. Als assistent van Antal Doráti, Witold Lutosławski en Mauricio Kagel zou hij al vroeg een grote affiniteit met hedendaagse muziek ontwikkelen. Een belangrijke stimulans voor zijn rol binnen de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk was Nikolaus Harnoncourts Concentus Musicus Wien, waarin hij violist was.

Later speelde Thomas Hengelbrock zelf een grote rol in de verspreiding van het gebruik van historische instrumenten in het Duitse concertleven, met name sinds de oprichting van het Balthasar-Neumann-Chor in 1991 en het Balthasar-Neumann-Ensemble in 1995. De stond tevens aan het roer van de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen (1995-1998), het Feldkirch Festival (2000-2006) en de Volksoper Wien (2000-2003). Hij is een graag geziene gastdirigent bij orkesten en huizen over de hele wereld.

In 2011 maakte hij zijn debuut op de Bayreuther Festspiele met Wagners Tannhäuser. In 2016 ontving Thomas Hengelbrock de Herbert von Karajan Musikpreis. Zijn debuut bij het Concertgebouworkest was in 2014 met werken van Haydn en Schumann. Zowel in 2017 als in 2018 dirigeerde Thomas Hengelbrock de Opening Night van het orkest. In maart 2019 kwam hij terug met werken van Schubert en Wennäkoski, in oktober 2019 leidde hij het orkest in werken van Purcell, Händel en Haydn.

Nadine Koutcher, sopraan (Armida)

Nadine Koutcher werd geboren in Minsk en studeerde bij Tamara Novichenko aan het Conservatorium van Sint-Petersburg. Al in een vroeg stadium – in 2012 – won ze zowel de eerste prijs als de publieksprijs tijdens het Internationaal Vocalisten Concours in Den Bosch, waarna ze zich verbond aan de Perm .

Haar internationale doorbraak was in 2015, toen ze de eerste prijs won tijdens de BBC Cardiff Singer of the World Competition. In de herfst van dat jaar debuteerde Nadine Koutcher in het Grand Théatre van Genève als Mathilde in Rossini’s Guillaume Tell, waarna ze de Staatsoper Berlin veroverde in haar rol van Violetta in Verdi’s La traviata en het Theatre du Capitole in Toulouse als Gravin Almaviva in Mozarts Le nozze di Figaro.

Haar repertoire omvat voorts rollen als Elvira in Bellini’s I Puritani, Amenaide in Rossini’s Tancredi en Doña Isabel in Peter Sellars’ productie van Purcells The Indian Queen, die te horen was in het Teatro Real in Madrid onder leiding van Teodor Currentzis. Daarnaast treedt ze veel op in concertant repertoire en s.

Nadine Koutcher debuteert bij het Concertgebouw­orkest.

Jonathan Abernethy, tenor (Rinaldo)

Jonathan Abernethy studeerde zang aan de University of Otago en werd gecoacht door Dame Kiri Te Kanawa. De Nieuw-Zeelandse tenor deed zijn eerste professionele ervaring op als Young Artist van Opera Australia in 2012.

Het ­winnen van enkele Australische Opera Awards in 2014 stelde hem in staat aan operaprogramma’s in onder andere Zürich, Aix-en-Provence en Chicago deel te nemen en met vooraanstaande musici als Sir Richard Bonynge, James Conlon en Leo Nucci samen te werken.

Sindsdien vertolkte hij diverse rollen in internationale huizen. Op het podium van het Opernhaus Zürich was hij recent te zien als Don Anchise in Mozarts La finta giardiniera, Vierter Knappe in Wagners Parsifal en Trin in La fanciulla del West van Puccini.

Ook zong hij onder meer Don Ottavio in Mozarts Don Giovanni bij de West Australian Opera in Perth en Brighella in dne auf Naxos van Richard Strauss tijdens het Festival d’Aix-en-Provence. Op het concertpodium soleerde hij in Bachs Matthäus-Passion, Händels Messiah en Mozarts Requiem.

Jonathan Abernethy debuteert bij het Concertgebouworkest.