Koninklijk Concertgebouworkest speelt Bruckner 3
Koninklijk Concertgebouworkest
Michael Sanderling dirigent
Dit concert maakt deel uit van de series B, E en Z. Het concert van zondag 23 september wordt live uitgezonden door AVROTROS via NPO Radio 4.
Louis Andriessen (1939)
Mysteriën (2012-2013)
Over […] het versmaden van alle wereldse ijdelheden (vanitas I, 1)
Over de beschouwing van ’s mensen ellende (miseria I, 22)
Wat de waarheid ons zegt zonder het lawaai van woorden (veritas III [IV], 2)
Hoe enen oprechten minnaar beproefd wordt (amator III [IV], 6)
Over de verschillende bewegingen van de natuur en de genade (motus III [IV], 54)
De overweging van de dood (de meditatione mortis I, 23)
De titels van de delen zijn ontleend aan Thomas a Kempis’ De Imitatione Christi (1427, eerste druk 1471).
geschreven in opdracht van Het Koninklijk Concertgebouw als geschenk aan het Koninklijk Concertgebouworkest ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van beide instellingen*
pauze (± 20:45 uur)
Anton Bruckner (1824-1896)
Derde symfonie in d kl.t. (1873-77, versie 1889/Nowak 1958)
Mehr langsam, misterioso
Adagio, bewegt, quasi andante
Ziemlich schnell
Allegro
einde (± 22.20 uur)
Toelichting
Louis Andriessen 1939-2021
Andriessen: Mysteriën
Door Jacqueline Oskamp
Maar liefst 45 jaar schreef de Nederlandse componist Louis Andriessen geen muziek voor . Vooral omdat die van musici speelwijzen vergt waar orkestmusici niet altijd mee vertrouwd zijn. Maar toen Het Concertgebouw bij het 125-jarig jubileum van het Koninklijk Concertgebouworkest een compositie van de meester cadeau wilde doen ging hij overstag. Zijn vader, de componist Hendrik Andriessen (1892-1981), gaf de doorslag. ‘Ik had opeens een visioen dat hij naast mij stond en zei: ‘Jongen, dat moet je nou maar eens doen’’, aldus Louis Andriessen.
Het op spirituele teksten van de middeleeuwse mysticus Thomas a Kempis geschreven Mysteriën ging op 3 november 2013 in première onder leiding van toenmalig chef Mariss Jansons. Dirigent Michael Sanderling laat het nu volgen door een al even spiritueel werk, de Derde symfonie van de negentiende-eeuwse symfonicus en organist Anton Bruckner.
Andriessen: Mysteriën
Het boek De Imitatione Christi van de Nederlandse mysticus Thomas a Kempis, oftewel Thomas van Kempen (ca. 1380-1470), vormt de inspiratiebron voor het orkestwerk Mysteriën van Louis Andriessen. Het uit vier traktaten samengestelde boekwerk geeft aanwijzingen hoe een goed christen te zijn en de persoonlijke band met God te onderhouden. Na de bijbel is De Imitatione Christi het meest vertaalde en verspreide boek.
Over de navolging van Christus, zoals de Nederlandse titel luidt, was een belangrijk boek voor de vader van Louis Andriessen. In Mysteriën probeert Louis Andriessen een muzikale interpretatie te geven van de godvruchtige ideeën die in de tekst worden beschreven. Hij selecteerde zes hoofdstuktitels uit het in totaal 109 paragrafen tellende geschrift. De zes delen, die elk ongeveer viereneenhalve minuut duren, vergelijkt Andriessen met een reeks fresco’s in een kloostergang.
Over (…) het versmaden van alle wereldse ijdelheden spoort de gelovige aan alle aardse verlokkingen de rug toe te keren. De wereldse ijdelheden zijn vertaald naar een wirwar van drukke motieven die ten onder gaan in een langzaam van het koper en de strijkers. Tot drie keer toe steekt de onrust de kop op, dan klinken er strenge klokken die een eind maken aan alle ijdelheid.
Over de beschouwing van ’s mensen ellende is een contemplatie op het lijden waar elk mens mee wordt geconfronteerd: ziekte, bedrog, haat. Leidend is een klaagzang die zich langzaam opbouwt en na een hoogtepunt onverwacht wordt afgebroken.
Wat de waarheid ons zegt zonder het lawaai van woorden is het centrale deel van Mysteriën, in feite een pleidooi voor de stilte. Deze ‘nauwluisterendheid’ wordt gesuggereerd door pendelende tonen in zeer kleine len.
Hoe enen oprechten minnaar beproefd wordt opent met een fragment uit het Magna res est amor uit 1919 van Hendrik Andriessen. Het zijn ongeveer 20 maten in bijna de helft van het oorspronkelijke tempo, als een langzaam verworven herinnering. De muziek herneemt zich met de ontwikkeling van een uit het tweede deel.
Thomas van Kempen ziet de natuur en de genade als een tegenstelling. De natuur in de zin van de natuurlijke gesteldheid van de mens, tegenover de genade die een mens wordt geschonken ondanks zijn natuurlijke eigenschappen. Voor een componist betekent het woord ‘bewegingen’ of ‘richtingen’ (motus) niet meer of minder dan tempo: langzaam tegenover snel. Beide muzikale tempo’s zijn in het vijfde deel, Over de verschillende bewegingen van de natuur en de genade, aanwezig.
De overweging van de dood tempert het positieve slot in E groot van het voorgaande deel. Het is de ernstige, dramatische epiloog – een catharsis.
Anton Bruckner 1824-1896
Bruckner: Derde symfonie
Vergeleken met achttiende-eeuwse collega’s als Joseph Haydn en Wolfgang Amadeus Mozart had Anton Bruckner een ogenschijnlijk kleine productie: ‘slechts’ elf symfonieën in een periode van dertig jaar. Bruckner bleef alleen al aan zijn Derde symfonie sleutelen over een periode van zeventien jaar, tussen 1872 en 1889, terwijl Schubert zijn Derde symfonie in negen dagen op papier stortte.
Na de talloze coiffures was Bruckners kolossaal egodocument zo’n twintig minuten lichter geworden, maar de speelduur was nog altijd ongeveer een uur en het uitvoerend apparaat was vergeleken met dat van Mozart meer dan verdubbeld. Bruckner werd in zijn tijd slechts in kleine kring begrepen en bewonderd: door een handjevol voorvechters van zijn muziek, leerlingen en wagnerianen.
Na jarenlang schetsen, schaven en vijlen stuitten zijn symfonieën vooral op veel onbegrip, als ze al werden gespeeld. Uitvoeringen van zijn werken waren er tijdens zijn leven maar mondjesmaat. Sommige van zijn symfonieën, zoals de Zesde, heeft Bruckner zelfs nooit in zijn geheel gehoord.
In zijn eigen stad Wenen was er na de uitvoeringen naast luidruchtige instemming door vrienden vooral venijn. De Weense criticus Eduard Hanslick was na het aanhoren van een werk van Bruckner altijd volkomen radeloos. De onverbiddelijke lengte van Bruckners betoog putte hem totaal uit.
Maar het meest genadeloze oordeel over Bruckner stamt van collega Johannes Brahms: hij was een ‘non-valeur’ (een mislukkeling). Pas in 1896 kwam zijn postume eerbetoon: hij woonde Bruckners begrafenis bij. De eerste noemenswaardige erkenning zou Bruckner pas krijgen bij de première van de Zevende in Leipzig in 1884. Wezenlijk begrip voor Bruckners oeuvre kwam er pas na 1920, en de echte Bruckner-traditie is nog steeds beperkt tot Oostenrijk en zijn buurlanden, én Nederland.
Hugo Wolf en Gustav Mahler zaten in de zaal op 16 december 1877, toen hun leraar Bruckner op de bok stapte voor de première van zijn Derde. Hij had de uitvoering in een laat stadium moeten overnemen nadat de beoogd , Johann Franz von Herbeck, was overleden. Het werd een tumultueuze avond. Het gefluit en gejuich tussen de delen maakte Bruckner onzeker.
Zo was dus de ontvangst van het geesteskind dat hij al vijf jaar bij zich had gedragen. Hij was nog naar Bayreuth getogen om het werk voorzien van een opdracht ter goedkeuring aan Richard Wagner aan te bieden. Die had de minzaam bekeken, mompelde bij het eerste deel veelvuldig ‘nu, nu’ en ‘schau, schau’, en was steeds meer geraakt: ‘De opdracht is gerechtvaardigd. Met dit werk schenkt u mij een groot genoegen’.
Sindsdien gaat het werk door het leven als ‘Wagnersymfonie’ of ‘symfonie’, dat laatste omdat Wagner de trompetmelodie aan het begin ‘sehr kühn’ (zeer moedig) had gevonden. Wagners goedkeuring werd ook gevoed door de echo’s uit zijn ’s Die Walküre en Tristan und Isolde, citaten die Bruckner in 1877 grotendeels schrapte om de kritiek van de anti-wagnerianen rond Hanslick te ontzenuwen.
De tweede uitvoering – in de derde versie – in dezelfde zaal in Wenen werd een doorslaand succes. Dat was maar liefst dertien jaar later, op 21 december 1890. Twaalf keer werd de grijze toondichter door dirigent Hans Richter naar voren gehaald om het luide applaus in ontvangst te nemen.
‘Dan weer noemen ze me een dwaas, dan weer een meester’
Vanaf het allereerste begin is duidelijk dat Bruckner met zijn weidse trompetthema en zijn aangehouden strijkerstremolando (een snelle heen-en-weergaande beweging van de strijkstok) een grootschaligheid in gang zet die zijn tijdgenoten alleen kenden uit Wagner-opera’s en van de finale van Ludwig van Beethovens Negende symfonie.
Alleen het eerste deel is al een twintig minuten durende brok architectuur, die met zijn afwisseling van gewaagde passages en mysterieuze klankwerelden herinnert aan Wagners Tristan und Isolde. Bruckner citeert uit zijn eigen Mis in d klein.
Het prachtige bevat een ook na 1877 behouden ontlening aan Die Walküre van Wagner, onder meer het ‘slaapmotief’ uit het derde bedrijf.
Dat ook Mahler zich aangetrokken voelde tot deze symfonie kwam vooral door het , een zeer contrastrijk derde deel, met een flitsend en joyeus en een gemoedelijke en koddige Ländler (Oostenrijkse volksdans) als middendeel.
De finale is een uitgebreide en onstuimige variatie op het eerste deel, inclusief de monumentale sprongen in trompetten, s en trombones, de mysterieuze sfeer en twee machtige climaxen.
‘Dan weer noemen ze me een dwaas, dan weer een meester. Ze kunnen schreeuwen wat ze willen. Als wat ik schrijf goed is zal het blijven, en anders zal het verkommeren’ aldus Bruckner bij een lezing aan de Weense universiteit op 11 januari 1892.
Biografie
Michael Sanderling, dirigent
Michael Sanderling begon zijn carrière als -aanvoerder van het Gewandhausorchester Leipzig (1987-1994) en het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin (1994-2006). Als solist trad hij op met het Boston Symphony Orchestra, de Los Angeles Philharmonic en het Orchestre de Paris; sinds 2000 maakte hij geleidelijk de overstap naar orkestdirectie.
Van 2011 tot 2019 was hij chef- van de Dresdner Philharmonie, waarmee hij ook de complete symfonieën van Beethoven en Sjostakovitsj opnam.
Met ingang van 2012/2022 leidt Michael Sanderling het Luzerner Sinfonieorchester, dat hem al kende als gastdirigent. Te gast was hij ook bij de Berliner Philharmoniker, het WDR Sinfonieorchester, het Gürzenich-Orchester Köln, het Tonhalle Orchester Zürich, het BBC Scottish Symphony Orchestra, het Orchestra Sinfonica Giuseppe Verdi di Milano, het Orchestre de Paris, het NHK Symphony Orchestra in Tokio, het Toronto Symphony Orchestra en de Seattle Symphony. Bij het Concertgebouworkest maakte hij zijn debuut in september 2018 met Bruckners Derde symfonie en Andriessens Mysteriën.
Hechte banden onderhoudt de met het Gewandhausorchester Leipzig en het Konzerthausorchester in zijn geboorteplaats Berlijn. Michael Sanderling boekte ook succes als dirigent. Hij geeft les aan de Hochschule für Musik und Darstellende Kunst in Frankfurt am Main en werkt regelmatig met het Bundesjugendorchester en de Junge Deutsche Philharmonie.
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

