Klaus Mäkelä & Yuja Wang bij het Concertgebouworkest

Koninklijk Concertgebouworkest
Klaus Mäkelä dirigent
Yuja Wang piano

Dit concert maakt deel uit van de serie B.

Het concert wordt opgenomen door AVROTROS voor radio-uitzending via NPO Klassiek op zondag 24 september om 14.00 uur.

Ook interessant:
Yuja Wang: ‘Vakantie? Ik heb het weleens geprobeerd.’
- Klank en kleur: dit is Franse muziek

Claude Debussy (1862-1918)

Prélude à l’après-midi d’un faune (1892-94)

Maurice Ravel (1875-1937)

Pianoconcert voor de linkerhand in D gr.t. (1929-31) 
Lento – Piú lento – Andante – Allegro – Piú vivo ed accelerando –
Tempo primo – Allegro 

pauze ± 20.40 uur

Pianoconcert in G gr.t., op. 34 (1931) 
Allegramente 
Adagio assai 
Presto 

Claude Debussy

La mer (1903-05)
Trois esquisses symphoniques
De l’aube à midi sur la mer
Jeux de vagues
Dialogue du vent et de la mer

einde ± 22.10 uur

Toelichting

Claude Debussy loodste met zijn nadruk op en sfeer de Franse muziek, en de muziek in het algemeen, een nieuwe eeuw in. Maurice Ravel wordt vaak in één adem genoemd met Debussy, maar hoe verschillend hun stijl en benadering is, wordt al snel duidelijk wanneer we hun muziek horen – zoals in dit programma, waar Ravels beide pianoconcerten, met hun grootsteedse jazz-invloeden, geflankeerd worden door de even subtiele als innovatieve klankschilderijen van Debussy.

Claude Debussy 1862-1918

Prélude à l’après-midi d’un faune

Door Mark van Dongen

In 1876 verscheen het lange gedicht L’après-midi d’un faune van Stéphane Mallarmé, geïnspireerd op een achttiende-eeuws schilderij van François Boucher dat een groepje badende nimfen toont, heimelijk gadegeslagen door een fluit spelende faun.

De Romeinse bosgod Faunus is dezelfde als de Griekse Pan, wiens adem, op het moment dat de nimf Syrinx in een rietstengel veranderde om aan zijn wellust te ontsnappen, in zoete muziek werd omgezet. Dit symboliseert de fantasie van de kunstenaar, die zijn ideaal alleen in de onwerkelijkheid van de kunst kan realiseren.

Mallarmé’s faun is bezeten van verlangen, maar het gedroomde ideaal weerhoudt hem ervan de nimfen te overvallen. Het erotische element is onmiskenbaar, zoals blijkt uit de woorden waarmee hij zich tot slot overgeeft aan de fantasie: ‘Couple, adieu; je vais voir l’ombre que tu devins’ (Vaarwel, paar; dra zie ik het duister dat je werd). Spelend op zijn fluit – een fallus – wordt hij meester over zijn verlangens.

In dit symbolistische gedicht vloeien verschillende zintuigelijke waarnemingen samen tot één ervaring. Over het alomtegenwoordige muzikale element zei Mallarmé: ‘Ik heb een fijnzinnige manier gevonden om zeer vluchtige impressies vast te leggen. Het beangstigde me dat al deze indrukken als in een symfonie moesten worden samengeweven.’ Zijn eerste reactie op het plan van Claude Debussy er muziek bij te schrijven was dan ook: ‘Ik dacht dat ik het zelf op muziek had gezet.’

Voorafgaand aan de eerste uitvoeringen in Nederland door het Concertgebouworkest in 1904 schreef Debussy aan Willem Mengelberg: ‘De muziek van deze prelude is een zeer vrije illustratie van het mooie gedicht van Stéphane Mallarmé. Zij pretendeert zeker niet het geheel weer te geven.’

Debussy’s korte werk betekende een ‘point of no return’

‘Het zijn slechts opeenvolgende decors waarin zich afspelen: de verlangens, de droom van de faun in de hitte van die namiddag. Dan, afgemat door de achtervolging van de wulps vluchtende nimfen en naïaden, geeft hij zich over aan een slaap vol eindelijk vervulde dromen, volledige overgave in de alomtegenwoordige natuur.’

Slechts met grote tegenzin stond Debussy in 1912 toe dat Serge Diaghilev het werk als ballet presenteerde, wat een ‘succès de scandale’ opleverde dankzij de sensuele choreografie van Vaslav Nijinski, die zelf als de bosgod figureerde, schijnbaar naakt, getooid met een halssnoer van bladeren en bosvruchten.

De criticus Willy reageerde met ‘Faune y soit qui mal y pense’ – een woordspelling op ‘Honi soit qui mal y pense’ – Schande over hem die er kwaad van denkt. 

In de muziek betekende Debussy’s korte werk een ‘point of no return’. Pierre Boulez: ‘Met recht kan men zeggen dat de moderne muziek ontwaakt met Prélude à l’après-midi d’un faune.’

Dat ontwaken horen we letterlijk in de fluitsolo van het begin, die de dubbelzinnige gedachten van de faun, zwevend tussen werkelijkheid en droom, perfect uitdrukt.

Maurice Ravel 1875-1937

Pianoconcert voor de linkerhand

Door Paul Janssen

Hoewel het Pianoconcert voor de linkerhand van Maurice Ravel niets te maken heeft met de zee lijkt de inspiratie van het begin toch van de kuststrook te komen. Murmelend vanuit de onderkant van het orkest klinken de contrabassen en de contrabasfagot als de onderhuidse dreiging van een kalme zee om aan te zwellen tot een grootse golf voordat de piano met een ongebruikelijke het tisch materiaal introduceert. De twee thema’s in de piano beheersen het hele werk, waarvan de verschillende segmenten zonder onderbreking in elkaar overgaan.

Ravel begon aan zijn Pianoconcert voor de linkerhand in 1929 na een opdracht van de pianist Paul Wittgenstein. Deze muzikale broer van de filosoof Ludwig Wittgenstein had in de Eerste Wereldoorlog zijn rechterarm verloren en perfectioneerde vervolgens zijn spel met louter de linkerhand. Hij zette zich daarbij enthousiast in om nieuw repertoire te creëren, wat resulteerde in opdrachten aan onder anderen Richard Strauss, Benjamin Britten en Sergej Prokofjev.

  • Paul Wittgenstein

Ravel voltooide zijn pianoconcert in 1931. De première op 5 januari 1932 met Wittgenstein als solist heeft hij niet bijgewoond. Dat had waarschijnlijk te maken met de uitvoering van de versie voor twee piano’s die Ravel in 1931 hoorde in de Franse Ambassade in Wenen. Wittgenstein week vrolijk af van de door Ravel genoteerde solopartij en voegde naar eigen goeddunken lijnen toe. Ook liet hij hier en daar hele maten weg. Ravel was des duivels. Pas later werd de controverse bijgelegd en zegde Wittgenstein toe het concert voortaan uit te voeren zoals Ravel het geschreven had.

Maurice Ravel 1875-1937

Pianoconcert in G groot

Door Michiel Cleij

In Ravels zeer gevarieerde orkest­oeuvre kun je altijd op twee dingen rekenen: de muziek is sprookjesachtig mooi georkestreerd en er zitten altijd elementen uit andere muziekculturen in. Tegenwoordig klinken er stemmen die dat ‘kolonisatie’ noemen, maar Ravels perspectief was dat van een nieuwsgierige componist die de fascinatie van onbekende klanken uit Azië, Spanje of de Balkan niet kon weerstaan. Daarnaast liet hij zich ook inspireren door bronnen dichter bij huis, zoals Weense en en oude Franse klavecimbelmuziek. En uit al die invloeden schiep hij een volstrekt eigen, niet-­imiteerbare stijl.

Het Pianoconcert in G groot is zo’n typisch Ravel-stuk waarin verschillende muziekculturen op een volkomen logische manier gecombineerd worden: het stuitert heen en weer tussen Spaanse volksmuziekriedels, oerklassieke sierlijkheid en jazzy uithalen, zó soepel dat je denkt dat ze van nature bij elkaar horen. De ‘Spaanse’ elementen zijn vooral gereserveerd voor het eerste deel; het tweede is een prachtige (volgens Ravel sterk door Mozart geïnspireerde) pianomelodie met subtiele orkestbegeleiding; en het slot een bigbandfeestje.

De pianist is natuurlijk de sterspeler, maar ook de - en fluitpartijen zitten vol technische risico´s. En dan is er nog de enorme ritmische precisie die van het hele ensemble verlangd wordt, zeker in het slotdeel. Zelf classificeerde Ravel dit concert als ’amusementsmuziek’ – maar die is wel van de allerhoogste soort.

Claude Debussy 1862-1918

La mer

Door Michiel Cleij

Maurice Ravel en Claude Debussy gelden als hoofdvertegenwoordigers van het ‘muzikaal impressionisme’. Inderdaad delen ze het vermogen om op een geraffineerde manier beelden en sferen op te roepen, veelal geïnspireerd door niet-westerse klanken. Hoezeer ze verschillen hoor je wanneer je Ravels jazzy pianoconcerten met La mer vergelijkt: Debussy was veel meer op de natuur gericht dan de stadse, mondaine Ravel.

In de beginmaten – een impressie van dageraad op zee – hoor je meteen de essentie van Debussy’s muziek: je krijgt geen markante ’s aangereikt, maar een droomachtig visioen. ‘Ik heb talloze herinneringen aan de zee,’ schreef Debussy aan zijn collega André Messager, ‘en die zijn waardevoller dan de werkelijkheid. Want die zit onze gedachten meestal alleen maar in de weg.’ Oftewel: hij wilde niet zozeer de zee nabootsen als wel uitdrukken wat er in hemzelf omging wanneer hij aan de zee dacht. Debussy haatte het wanneer men hem een ‘muzikaal illustrator’ noemde: zijn muziek was meer dan een akoestische vertaling van een plaatje. Het ging hem om wat een bepaald beeld met het onderbewustzijn van mensen deed, wat voor associaties en verre herinneringen het losmaakte.

Muzikaal gezien gaat La mer over steeds veranderende vormen, over korte jes die krimpen en uitdijen, over grillige bewegingen en onverwachte wendingen. Als je daarbij een beeld zoekt kom je inderdaad snel bij het golvenspel van de zee uit – of bij wolken, maar die had hij een paar jaar eerder al ‘gedaan’ in het deel Nuages uit zijn orkestwerk s. Eigenlijk is La mer een soort symfonie, met drie delen die nauw met elkaar verweven zijn; elk motiefje groeit uit het voorafgaande. Maar de saaie, schoolse titel ‘symfonie’ deed geen recht aan de mysteries van de natuur die hij wilde uitdrukken. Zelfs schilderkunst, hoezeer hij daarvan ook hield, slaagde daar niet altijd in. Aan een leerling schreef hij: ‘Beter nog dan in een schilderij kun je in muziek indrukken weergeven. Want met muziek kun je geleidelijke veranderingen van kleur en licht in één beeld vangen.’ En dát is wat La mer doet.

Orkestfeiten

Debussy: Prélude à l’après-midi d’un faune

De eerste uitvoering door het Concertgebouworkest was op 11 december 1904 onder leiding van Willem Mengelberg. De laatste werd op 28 augustus 2021 gedirigeerd door Daniel Harding in Jūrmala, Letland.

Ravel: Pianoconcert voor de linkerhand

De eerste uitvoering door het Concertgebouworkest was op 28 februari 1937 onder leiding van Bruno Walter met als solist Paul Wittgenstein. Bij de laatste uitvoering op 24 september 2010 onder George Benjamin soleerde Pierre-­Laurent Aimard.

Ravel: Pianoconcert in G groot

Maurice Ravel dirigeerde de eerste uitvoering op 5 april 1932, met Marguérite Long aan de piano. De laatste uitvoering was op 8 maart 2020 onder Alain Altinoglu met Jean-Yves Thibaudet als solist.

Debussy: La mer

De eerste uitvoering werd op 21 april 1910 gedirigeerd door ­Cornelis Dopper. De laatste was op 31 augustus 2021 in Berlijn onder Daniel Harding.  

Biografie

Yuja Wang, piano

Yuja Wang studeerde aan het conservatorium in haar geboortestad Peking en in Canada en voltooide haar opleiding bij Gary Graffman aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia. Haar definitieve doorbraak volgde toen ze in 2007 met Tsjaikovski’s Eerste ­pianoconcert inviel voor Martha ­Argerich bij het Boston Symphony Orchestra.

Sindsdien wordt de pianiste uitgenodigd door grote orkesten als die van Philadelphia, Washington en New York, de Sächsische Staatskapelle Dresden, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia, het City of Birmingham Symphony Orchestra en de Wiener, de Münchner en de Berliner Philharmoniker.

In 2017 riep muziekblad Musical ­America Yuja Wang uit tot Artist of the Year, in 2021 kreeg ze een Echo Klassik voor haar première-opname van Must the Devil Have all the Good Tunes? van John Adams met de Los Angeles Philharmonic, en in 2024 won ze haar eerste Grammy Award. In San Francisco verzorgde ze in 2022 de wereldpremière van het Derde pianoconcert van Magnus Lindberg, met vervolguitvoeringen in Noord-Amerika en Europa.

Bij het ­Concertgebouworkest debuteerde Yuja Wang in 2010 met Prokofjevs Derde pianoconcert en ze keerde meermaals terug, de laatste keer afgelopen december met Prokofjevs Tweede pianoconcert onder leiding van Thomas Adès. Kamermuziek speelt de pianiste met onder anderen cellist Gautier Capuçon, klarinettist Andreas Ottensamer en violist Leonidas Kavakos, en solorecitals geeft ze wereldwijd – in de voor het laatst in mei 2022.

Klaus Mäkelä, dirigent

Klaus Mäkelä is chef- van de Oslo Philharmonic sinds 2020 en muziekdirecteur van het Orchestre de Paris sinds 2021. In 2022 werd bekendgemaakt dat hij in 2027 de achtste chef-dirigent van het Concertgebouworkest wordt. Tegelijkertijd begint de Fin dan als music director van het Chicago Symphony Orchestra.

Klaus Mäkelä heeft een exclusief contract met Decca Classics, waarvoor hij met het Orchestre de Paris drie albums uitbracht en met het Oslo Filharmonisch Orkest onder meer alle symfonieën van Sibelius en drie symfonieën van Sjostakovitsj opnam. De afgelopen seizoenen reisde de met de Oslo Philharmonic door Oost-Azië en trad hij op in Hamburg, Amsterdam, Parijs en Wenen. Bij het Orchestre de Paris lag de focus op Franse componisten en nieuwe muziek tijdens concerten in heel Europa en op tournee in Azië.

Sinds zijn overtuigende debuut bij het Concertgebouworkest in september 2020 staat Klaus Mäkelä ieder seizoen meerdere keren voor het orkest met een grote variëteit aan programma’s. Seizoen 2025/2026 ging van start met een uitgebreide zomertournee naar onder meer de BBC Proms en de Salzburger Festspiele, in november gevolgd door een tournee door Japan en Zuid-Korea. Afgelopen december leidde Klaus Mäkelä de Kerstmatinee en deze maand start een jaarlijkse residency van het Concertgebouworkest op de Osterfestspiele in Baden-Baden, overgenomen van de Berliner Philharmoniker, het orkest waar Klaus Mäkelä dit seizoen terugkeert als gastdirigent.

Als cellist speelt hij bij gelegenheid samen met leden van het Concertgebouworkest en het ­Orchestre de Paris. Klaus Mäkelä studeerde orkestdirectie aan de Sibelius-Academie in Helsinki bij Jorma Panula en bij Marko Ylönen, Timo Hanhinen en Hannu Kiiski.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest