Klaus Mäkelä leidt Stravinsky’s Vuurvogel bij het Concertgebouworkest

Concertgebouworkest
Klaus Mäkelä  dirigent
Alexei Ogrintchouk  hobo

Een overzicht van alle delen van De vuurvogel staat hier.

Het concert wordt opgenomen door AVROTROS voor uitzending op zondag 5 februari om 14.00 uur.

Lees ook het interview met Alexei Ogrintchouk en Alexander Raskatov

Sauli Zinovjev (1988)

Batteria (2016)
Nederlandse première

Alexander Raskatov (1953)

Time’s River (2022)
concert voor hobo en orkest
Chiaro
Con moto
Allegretto volante
Molto tranquillo
Quasi lamentoso. Leggiero ― ‘Lullaby of Water’: Allegretto spianato
geschreven in opdracht van het Concertgebouworkest, het National Symphony Orchestra, het Warschau Filharmonisch Orkest en het Orchestre national du Capitole de Toulouse;
wereldpremière

pauze ± 20.50 uur

Igor Stravinsky (1882-1971)

De vuurvogel (1910)
ballet in twee taferelen
Inleiding
Eerste tafereel
Tweede tafereel

einde ± 22.10 uur

Toelichting

Klaus Mäkelä leidt De vuurvogel van Igor Stravinsky – het complete ballet, omdat volgens de in de (meestal uitgevoerde) s veel van de beste muziek is weggelaten. Voor de pauze klinken recente werken van Alexander Raskatov en Sauli Zinovjev. Raskatov werd geboren in Moskou, maar emigreerde in de vroege jaren negentig naar Duitsland en in 2004 – bijna een eeuw na Stravinsky – naar Parijs.

In Nederland maakten muziekliefhebbers kennis met zijn intrigerende muziektaal dankzij de A Dog’s Heart, die in 2010 en 2017 bij De Nationale Opera klonk. De 35 jaar jongere Fin Sauli Zinovjev is hier nog onbekend, maar als het aan zijn landgenoot Klaus Mäkelä ligt gaat dat veranderen.

Sauli Zinovjev (1988)

Batteria

Door Martijn Voorvelt

Sauli Zinovjev, geboren in het Finse Lahti, begon als gitarist in een rockband. Op zijn zestiende werd hij betoverd door een uitvoering van muziek van Liszt door pianist György Cziffra: ‘Het was alsof het behang van de muur werd getrokken en daarachter een raam bleek te zitten met uitzicht op een open landschap.’ ­Zinovjev studeerde compositie bij ­Tapio Nevanlinna in Helsinki en bij Wolfgang Rihm in Karlsruhe. Zijn visie op muziek is mahleriaans: een compositie bevat idealiter het gehele leven. In zijn orkestwerken schuwt hij grote gebaren niet. Inmiddels schreef hij werken in opdracht van de Münchner Philharmoniker, de filharmonische orkesten van Oslo, Göteborg en Helsinki, de radio-orkesten van Finland en Zweden, het Tokyo Metropolitan Orchestra en het Scottish Chamber Orchestra. De première van Batteria vond plaats in februari 2017 door het Fins Radio-­ onder leiding van André de Ridder.

Zinovjev vat Batteria op als een persoonlijk artistiek bericht aan zijn medemens, waarmee hij hoopt de wereld om hem heen begrijpelijker te maken. Hij laat die wereld in zijn werk doorsijpelen in de vorm van ferme kerkklok-achtige en die als mijlpalen binnen het stuk fungeren. Ze symboliseren dramatische gebeurtenissen in Parijs, Brussel en Nice, die plaatsvonden toen hij het werk componeerde. Typerend zijn de energieke s, die vasthouden aan een strakke puls en uitmonden in wat Zinovjev een ‘oorlogszuchtige voor en koper’ noemt. Deze leidt naar een onvermijdelijke climax: een verzadigd, positief E-groot-­akkoord ‘fungeert als een geweerschot voor de laatste extatische sprint tegen de tijd naar de eindstreep’.

Alexander Raskatov (1953)

Time’s River

Door Martijn Voorvelt

Net als zijn A Dog’s Heart, een bijtende satire op het Russische regime naar Boel­gakovs roman Hondenhart, is Alexander Raskatovs nieuwe opdrachtwerk voor het Concertgebouworkest en solohoboïst Alexei Ogrintchouk literair geïnspireerd. Aan de basis van het hobo­concert Time’s River ligt een gedicht dat Gavriil Derzjavin (1743-1816) vlak voor zijn dood schreef. De eerste regels laten zich zo vertalen: ‘De rivier van de tijd draagt met zijn snelle stroom / alle menselijke dingen weg / en laat ze verdrinken in de afgrond van de vergetelheid / alle volkeren, koninkrijken en hun koningen.’

De slingerende, melismatische solohobopartij symboliseert ‘een stem van de natuur’. De ’s ‘tijd’ en ‘rivier’ leidden Raskatov tot een suggestief werk met veel herhaalde formules, een ‘psychologisch ’, waarmee hij tot het onderbewuste van de luisteraar wil doordringen. De eerste vijf delen zijn gegroepeerd m het centrale derde deel. Het eerste en vierde deel vat Raskatov op als twee hymnes voor de natuur, waarbij het eerste een vrij citaat is van een oude orthodoxe . De delen twee en vijf bewenen de teloorgang van de natuur door middel van klagende ’s, die leiden tot een ‘stem van het water, waarin alles moet oplossen’. Het centrale derde deel verklankt de ‘ineenstorting van cultuur, natuur en religie’. Al het materiaal is hier uiteengevallen in symmetrische ‘micromoleculen’.

In het postscriptum, een ‘wiegelied van water’, tracht een eenvoudig, kinderlijk je de mensheid weer in contact te brengen met zijn collectieve geheugen. Het besluit met een vrij geciteerd joods middernachtsgebed met op de achtergrond – in Raskatovs woorden – een slinger van de Tijd (‘a pendulum of Time’) en een slinger van de Rivier (‘a pendulum of River’).

Igor Stravinsky (1882-1971)

De vuurvogel

Door Michiel Cleij

Met het ballet De vuurvogel begon een van de wonderlijkste componistencarrières uit de geschiedenis. Ruim vijftig jaar lang zou Igor Stravinsky inspelen op de turbulente tijdgeest en zijn wisselende
muzikale omgeving. En ondanks die constante modernisering bleven zijn hoekige lijnen, tegendraadse ën en springerige s altijd herkenbaar.

Eigenlijk is De vuurvogel binnen Stravinsky’s oeuvre een atypisch werk; geen van zijn andere grote balletten staat zo dicht bij de negentiende-eeuwse sprookjesmuziek waarin zijn voorgangers Pjotr Tsjaikovski en Nikolaj Rimski-­Korsakov zo ijzersterk waren. Maar dat Stravinsky een grensver­legger was, kon niemand ontgaan. De dansers hadden grote moeite met de fragmentarische verteltrant en de vele plotselinge maatwisselingen; prima ballerina Anna Pavlova weigerde zelfs haar deelname omdat ze de muziek ‘onzinnig’ vond. Stravinsky’s ontdekker en opdrachtgever, de impresario Sergej Diaghilev van het dansgezelschap Les Ballets Russes, stond evenwel pal achter zijn keuze voor een jonge, vrijwel onbekende componist; zijn voorspelling dat hier iemand op het punt stond wereldberoemd te worden kwam uit.

Het verhaal is feitelijk een cocktail van verschillende Russische sprookjes, samengesteld door decorontwerper Léon Bakst, choreograaf Michel Fokine en scenarist Alexandre Benois. Plaats van handeling is het rijk van Kastsjei, een kwaadaardige tovenaar die meisjes ontvoert, mannen in steen verandert en zelf onsterfelijk is; zijn ziel huist in een magisch ei dat diep in het woud verborgen ligt. Stravinsky schildert dit geheimzinnige oord trefzeker in de introductie. Dan volgt een jacht­tafereel: een plezierjagende Prins is het rijk binnengedrongen om de magische vuurvogel buit te maken. Dat lukt, maar het dier smeekt hem om genade en de goedhartige Prins geeft toe. In ruil daarvoor krijgt hij van de vuurvogel een veer die een soort noodsignaal uitzendt: de vogel zal hem redden zodra hij in de problemen komt. Dat gebeurt spoedig. De Prins ontdekt de gevangen meisjes, wordt verliefd op één van hen en haalt zich daarmee de woede van Kastsjei op de hals.

Belaagd door diens wachters roept de Prins de vuurvogel op. Die verschijnt en hitst de wachters op tot een ‘helse dans’ – het hoogtepunt van het ballet – waarna ze uitgeput in slaap vallen. De Prins maakt van de gelegenheid gebruik om het ei met Kastsjei’s ziel te vinden, en vernietigt het. De gevangen meisjes zijn vrij, en de Prins verenigt zich met zijn uitverkorene, begeleid door Stravinsky’s moderne, hoekige versie van bruidsmuziek.

De première in Parijs was een voltreffer. Opvallend was de ongewone orkestratie waarmee Stravinsky zijn leraar, de meester-instrumentator Rimski-Korsakov, overtrof. Strijkers zijn onderverdeeld in kleine groepjes, hout- en excelleren in ongewone klank­effecten, en tot in de verste hoeken van het orkest klinken onverwachte solopartijtjes. Achteraf vond Stravinsky het ballet te fragmentarisch en onevenwichtig, en daarom klinken tegenwoordig meestal de s die hij eruit destilleerde. Maar hier klinkt het complete werk dat in 1910 het Parijse publiek uitzinnig maakte.

Biografie

Klaus Mäkelä, dirigent

Klaus Mäkelä is chef- van de Oslo Philharmonic sinds 2020 en muziekdirecteur van het Orchestre de Paris sinds 2021. In 2022 werd bekendgemaakt dat hij in 2027 de achtste chef-dirigent van het Concertgebouworkest wordt. Tegelijkertijd begint de Fin dan als music director van het Chicago Symphony Orchestra.

Klaus Mäkelä heeft een exclusief contract met Decca Classics, waarvoor hij met het Orchestre de Paris drie albums uitbracht en met het Oslo Filharmonisch Orkest onder meer alle symfonieën van Sibelius en drie symfonieën van Sjostakovitsj opnam. De afgelopen seizoenen reisde de met de Oslo Philharmonic door Oost-Azië en trad hij op in Hamburg, Amsterdam, Parijs en Wenen. Bij het Orchestre de Paris lag de focus op Franse componisten en nieuwe muziek tijdens concerten in heel Europa en op tournee in Azië.

Sinds zijn overtuigende debuut bij het Concertgebouworkest in september 2020 staat Klaus Mäkelä ieder seizoen meerdere keren voor het orkest met een grote variëteit aan programma’s. Seizoen 2025/2026 ging van start met een uitgebreide zomertournee naar onder meer de BBC Proms en de Salzburger Festspiele, in november gevolgd door een tournee door Japan en Zuid-Korea. Afgelopen december leidde Klaus Mäkelä de Kerstmatinee en deze maand start een jaarlijkse residency van het Concertgebouworkest op de Osterfestspiele in Baden-Baden, overgenomen van de Berliner Philharmoniker, het orkest waar Klaus Mäkelä dit seizoen terugkeert als gastdirigent.

Als cellist speelt hij bij gelegenheid samen met leden van het Concertgebouworkest en het ­Orchestre de Paris. Klaus Mäkelä studeerde orkestdirectie aan de Sibelius-Academie in Helsinki bij Jorma Panula en bij Marko Ylönen, Timo Hanhinen en Hannu Kiiski.

Alexei Ogrintchouk, hobo

Alexei Ogrintchouk is solo­hoboïst van het Concertgebouw­orkest sinds augustus 2005. De hoboïst studeerde aan de Gnessin School in Moskou en soleerde al op zijn dertiende in Rusland, Europa en Japan. Aan het Conservatoire National Supérieur de Musique in Parijs studeerde hij af met eerste prijzen voor hobo en kamermuziek.

Zijn docenten waren onder meer Maurice Bourgue, Jacques Tys en Jean-Louis Capezzali. Hij won het CIEM-Concours van Genève, twee Victoires de la Musique, de Triumph Prijs in Rusland en een Borletti-Buitoni Trust Award. Van 1999 tot 2005 was Alexei Ogrintchouk eerste solohoboïst van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Als solist werkte hij onder meer met de orkesten van het Mariinski Theater en het Bolsjoj Theater, het Nationaal Orkest van Rusland, de orkesten van de BBC (waar hij New Generation Artist 2005 was), het Boedapest Festival Orkest en het Concertgebouworkest.

Kamermuziek speelde hij met musici als Gidon Kremer, Leif Ove Andsnes, Radu Lupu en Thomas Quasthoff. Alexei Ogrintchouk doceert onder meer in Londen en aan het Koninklijk Conservatorium Den Haag, en volgde in 2011 zijn voormalige docent Maurice Bourgue op aan de Haute École de Musique de Genève.

Ook geeft hij masterclasses aan bijvoorbeeld de Pablo Casals Chamber Music Academy in Prades en de Mahler Academy in Ferrara. Alexei ­Ogrintchouk bespeelt een hobo van de Parijse bouwer Marigaux uit de collectie van Foundation Concertgebouworkest.