Klaus Mäkelä leidt Ravel, Bartók en Connesson bij het Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest
Klaus Mäkelä dirigent
Ivan Podyomov hobo
Emily Beynon fluit
Dit programma maakt deel uit van de serie B.
Ook interessant:
- Het interview met Emily Beynon en Ivan Podyomov
- Wie is wie in ‘De wonderbaarlijke mandarijn’?
MAURICE RAVEL (1875-1937)
Shéhérazade (1898)
ouverture de féerie
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest
GUILLAUME CONNESSON (1970)
Les belles heures (2022)
voor hobo en orkest
L’Heure bleue
L’Heure exquise (Verlaine)
L’Heure fugitive (Lamartine)
gecomponeerd in opdracht van het Cincinnati Symphony Orchestra en het Koninklijk Concertgebouworkest;
Nederlandse première
pauze ± 20.50 uur
GUILLAUME CONNESSON
Danses concertantes (Fluitconcert nr. 2) (2024)
Très vif et joyeux
Thème. Lent
Vif et léger
1ère variation: Tango macabre. Lent
Très vif et sauvage
2ème variation. Lent
Final. Moderato
gecomponeerd in opdracht van het Koninklijk Concertgebouworkest, Tapiola Sinfonietta, het New Zealand Symphony Orchestra en Orchestre de Paris-Philharmonie;
Nederlandse première
BÉLA BARTÓK (1881-1945)
Muziek uit ‘De wonderbaarlijke mandarijn’, op. 19 (1918-24, suite 1927)
pantomime in één bedrijf naar een scenario van Menyhért Lengyel
Inleiding – De eerste lokroep van het meisje: de oude edelman verschijnt, die aan het eind door de schavuiten wordt verjaagd – De tweede lokroep van het meisje: de jonge knaap verschijnt, die eveneens wordt verjaagd – De derde lokroep van het meisje: de mandarijn verschijnt – De verleidingsdans van het meisje voor de mandarijn – De mandarijn haalt het meisje in na een wilde achtervolging
einde ± 22.10 uur
Toelichting
Maurice Ravel (1875-1937)
Shéhérazade
Door Martijn Voorvelt
Op zijn 23ste schreef Maurice Ravel, danig onder de invloed van oriëntaalse muziek en Nikolaj Rimski-Korsakovs symfonische gedicht Sheherazade (1888), een ouverture voor een opera die nooit kwam. Deze ‘sprookjesouverture’ Shéhérazade (niet te verwarren met de latere gelijknamige cyclus) ging op 27 mei 1899 in première bij de Société Nationale de Musique in Parijs en kreeg een gemengde ontvangst. De bekende criticus Willy (een nom-de-plume van Henry Gauthier-Villars) noemde de jonge Ravel een ‘middelmatig getalenteerde debutant die over tien jaar iets – zelfs iemand – zou kunnen worden, mits hij hard werkt’. Ravel boog het hoofd, het werk verdween in een la. Maar hard werken kon hij, en zie: in een jaar of tien ontwikkelde Ravel zich tot een van de belangrijkste componisten van Frankrijk en kon hij Willy tot zijn grootste fans rekenen.
Shéhérazade heeft een driedelige vorm. Het slingerende eerste , gebaseerd op een oosters klinkende toonschaal, wordt aangegeven door de eerste hobo en vervolgens overgenomen door de andere blazers, waarbij het een steeds heroïscher karakter krijgt – de vertelster Sjeherazade als heldin. Een tweede thema (dat wellicht koning Sjahriaar representeert) is volgens de componist ‘geïnspireerd op een Perzische ’. In de middensectie worden de twee thema’s geconfronteerd met contrasterend materiaal, wat leidt tot een kleurrijke climax. Ten slotte komen de twee beginthema’s terug en worden ze met elkaar gecombineerd.
De ouverture is lange tijd over het hoofd gezien en werd pas in 1975 gepubliceerd. Ze bleek de tand des tijds goed te hebben doorstaan: achter een waas van Debussy en Rimski-Korsakov zijn de scherp omlijnde contouren van Ravels eigen stijl al duidelijk herkenbaar.
Guillaume Connesson
Les belles heures
Door Martijn Voorvelt
Guillaume Connesson is met zijn verfijnd georkestreerde muziek een ware erfgenaam van zijn landgenoten Debussy en Ravel. Het Concertgebouworkest speelde zijn opdrachtwerk Eiréné in april 2018 in Amsterdam, en in februari 2019 in de Verenigde Staten. Vandaag klinken de Europese premières van twee soloconcerten die Connesson mede in opdracht van het orkest schreef.
Het hoboconcert Les belles heures werd op 6 mei 2022 in première gebracht door het Cincinnati Symphony Orchestra onder leiding van Dwight Parry met als solist Louis Langrée. De drie delen verklanken drie ‘poëtische momenten’ van de dag. L’Heure bleue (het blauwe uur) is de periode tussen dag en nacht wanneer de lucht donkerder blauw wordt. Vogels beginnen weer even te zingen, en ’s zomers wordt de geur van de bloemen intenser. In het eerste deel wisselen twee ’s elkaar af: een door de solist geïntroduceerd kwetsbaar en fragmentarisch thema, en een zangerig thema dat eerst klinkt in de violen. De afwisseling, soms , dan weer scherzando, culmineert in een van de solist begeleid door ‘natuurklanken’ (gezang, gefluister en geritsel) in het orkest. Na terugkeer van het eerste thema in een uitbundiger vorm komt alles tot rust – de avond valt.
In het dromerige tweede deel lijkt de tijd stil te staan. L’Heure exquise (het heerlijke uur) werd door Paul Verlaine omschreven als ‘Un vaste et tendre apaisement’ (een weidse, tedere kalmte).
L’Heure fugitive (het vluchtige uur) is een tijd voor plezier en liefde; een ‘carpe diem’. In dit slotdeel keert het tedere thema uit het eerste deel terug in vertraagde vorm; verder wordt het gekenmerkt door een funky en een constante puls. Connesson liet zich inspireren door een passage uit Le lac van Alphonse de Lamartine: ‘Aimons donc, aimons donc! de l’Heure fugitive, hâtons-nous, jouissons!’ (Laten we liefhebben, laten we liefhebben! Laat ons in het vluchtige uur genieten zolang het nog kan!). Na een korte adempauze, met een begeleidende rol voor de harp, keert het hypnotiserende terug, waarna we afstevenen op een razende climax.
Guillaume Connesson
Danses concertantes
Door Martijn Voorvelt
Guillaume Connesson componeerde zijn tweede fluitconcert voor Emily Beynon, solofluitiste van het Concertgebouworkest, en noemde het Danses concertantes. Waar zijn eerste fluitconcert Pour sortir au jour (2013) uit vijf rituele dansen bestaat, geïnspireerd op het Dodenboek uit het oude Egypte, zijn de zeven dansen in dit nieuwe fluitconcert korter en luchtiger. Ook het orkest is kleiner: Connesson beroept zich op een ‘Mozart-orkest met een toegevoegde er’, wat leidde tot muziek met ‘heldere kleuren en transparante texturen’.
Snelle en langzame delen wisselen elkaar af. De oneven delen zijn snel: deel 1 is zonnig en rechttoe rechtaan, deel 3 is een ‘studie in lichtheid’ in 6/8 maat, in het vijfde deel wordt een furieuze dans onderbroken door een middendeel boven een onafgebroken van elf tellen, en het slotdeel wordt gekenmerkt door tempowisselingen, waarbij een stoer fluitthema wordt afgezet tegen een zachtaardiger in de violen.
Fluitiste Emily Beynon en componist Guillaume Connesson tijdens de voorbereiding van Danses concertantes
De even delen 2, 4 en 6 zijn langzaam, en vertegenwoordigen een met twee variaties: het thema wordt in deel 2 in de hoge fluit geïntroduceerd en heeft volgens de componist ‘de puurheid van een zangmelodie’. In deel 4 krijgt dat thema het karakter van een tango, die geleidelijk versnelt en in spanning toeneemt, waarna de ritmische structuur uiteenvalt. In het melancholieke zesde deel verhuist het thema naar de lagere fluitregisters.
Connesson streefde naar een dynamisch, werk waarin ‘de essentie van de dans overal waarneembaar is, zelfs in de langzame delen’. Emily Beynon verzorgde op 27 maart jl. de wereldpremière in het Nieuw-Zeelandse Wellington met het New Zealand Symphony Orchestra onder leiding van Gemma New.
Béla Bartók (1881-1945)
Muziek uit ‘De wonderbaarlijke mandarijn’
Door Clemens Romijn
In het vredesjaar 1918 zette de Hongaarse componist Béla Bartók de eerste schetsen op papier voor muziek bij een kort pantomimespel in slechts één bedrijf. Het was getiteld De wonderbaarlijke mandarijn. Misschien dat velen destijds bij de titel aan een romantisch Chinees sprookje in de stijl van Andersens Nachtegaal hebben gedacht, maar zij kwamen van een koude kermis thuis. De Eerste Wereldoorlog was weliswaar voorbij, maar de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie was ineengestort en voor de Hongaren heerste politieke en economische onzekerheid.
Die rauwe werkelijkheid klinkt door in deze muziek van Bartók, klanken over de zelfkant van het leven in de grote stad, de moderne jungle waarin mensen als jakhalzen loeren naar hun medemens. Niet vreemd dat de première in Keulen in 1926 voor een schandaal zorgde en dat het werk werd verboden.
Het verhaal - vanavond klinkt de kortere met ongeveer twee derde van de muziek van de oorspronkelijke versie - gaat over drie rovers die een meisje dwingen tot prostitutie en vervolgens de klanten beroven. Zo gaat het bij een oude armoedzaaier ( op trombone) en een verlegen jongen (hobosolo). Beiden hebben geen geld. De derde klant die op de lokroep van de ‘liefde’ (’s op de klarinet) afkomt is de ‘eerbiedwaardige mandarijn’. Bij zijn eerste omhelzing klinkt een intieme . Het meisje wrikt zich los, maar de mandarijn gaat haar achterna en grijpt haar opnieuw. De rovers slaan op de vlucht. In de orkestsuite is het verhaal hier voorbij, in de complete pantomime proberen de rovers de mandarijn nog te doden, eerst met een kussen en dan met een roestig mes. Ten slotte hangen ze hem aan de fitting van de plafondlamp. Waarop de mandarijn gaat gloeien en onder onheilspellende kwarttonen een groenblauw licht uitstraalt. Hij wordt losgemaakt en krijgt alsnog zijn zin, maar overlijdt aan zijn verwondingen.
In een interview in Londen in 1929 zei Bartók dat ‘mensen de plot van het stuk lazen en het al bij voorbaat afkeurden. Van begin tot eind heeft de muziek een ademloze vaart, waardoor een totaal ander effect ontstaat dan verwacht. De mandarijn lijkt echt op een oosters sprookje en bevat niks aanstootgevends.’ Dat zal hij niet zonder ironie hebben bedoeld. De eerste uitvoering in Hongarije liet nog tot 1946 op zich wachten, een jaar nadat Bartók was overleden aan leukemie als balling in het verre New York.
Biografie
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Klaus Mäkelä, dirigent
Klaus Mäkelä is chef- van de Oslo Philharmonic sinds 2020 en muziekdirecteur van het Orchestre de Paris sinds 2021. In 2022 werd bekendgemaakt dat hij in 2027 de achtste chef-dirigent van het Concertgebouworkest wordt. Tegelijkertijd begint de Fin dan als music director van het Chicago Symphony Orchestra.
Klaus Mäkelä heeft een exclusief contract met Decca Classics, waarvoor hij met het Orchestre de Paris drie albums uitbracht en met het Oslo Filharmonisch Orkest onder meer alle symfonieën van Sibelius en drie symfonieën van Sjostakovitsj opnam. De afgelopen seizoenen reisde de met de Oslo Philharmonic door Oost-Azië en trad hij op in Hamburg, Amsterdam, Parijs en Wenen. Bij het Orchestre de Paris lag de focus op Franse componisten en nieuwe muziek tijdens concerten in heel Europa en op tournee in Azië.
Sinds zijn overtuigende debuut bij het Concertgebouworkest in september 2020 staat Klaus Mäkelä ieder seizoen meerdere keren voor het orkest met een grote variëteit aan programma’s. Seizoen 2025/2026 ging van start met een uitgebreide zomertournee naar onder meer de BBC Proms en de Salzburger Festspiele, in november gevolgd door een tournee door Japan en Zuid-Korea. Afgelopen december leidde Klaus Mäkelä de Kerstmatinee en deze maand start een jaarlijkse residency van het Concertgebouworkest op de Osterfestspiele in Baden-Baden, overgenomen van de Berliner Philharmoniker, het orkest waar Klaus Mäkelä dit seizoen terugkeert als gastdirigent.
Als cellist speelt hij bij gelegenheid samen met leden van het Concertgebouworkest en het Orchestre de Paris. Klaus Mäkelä studeerde orkestdirectie aan de Sibelius-Academie in Helsinki bij Jorma Panula en bij Marko Ylönen, Timo Hanhinen en Hannu Kiiski.
Ivan Podyomov, hobo
Ivan Podyomov is sinds augustus 2016 solohoboïst van het Koninklijk Concertgebouworkest. Eerder vervulde hij die functie bij de Bamberger Symphoniker en bij MusicAeterna. Gastaanvoerder was hij bij het Orchestra Mozart, het Mahler Chamber Orchestra en het Lucerne Festival Orchestra.
De Russische hoboïst studeerde bij Ivan Poesjetsjnikov aan de Gnessin Special Music School en de Gnessin Staatsacademie voor Muziek in Moskou, en voltooide zijn opleiding van 2006 tot 2011 bij Maurice Bourgue aan het conservatorium van Genève. Hij won onder meer de ARD-Musikwettbewerb in München (2011), het Concours de Genève (2010), de Sony Oboe Competition in Japan (2009) en het internationale muziekconcours van de Praagse Lente (2008).
Ivan Podyomov soleerde bij het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, de Bamberger Symphoniker, het Tokyo Philharmonic Orchestra, het Münchner Kammerorchester en het Academisch van Sint-Petersburg. Bij het Concertgebouworkest trad hij als solist op in Richard Strauss’ Hoboconcert (maart 2020), Haydns Sinfonia concertante (oktober 2021) en Connessons Les belles heures (april 2025).
Kamermuziek speelde Ivan Podyomov met het Hagen Quartett, de pianisten Lars Vogt en Olga Pashchenko, klarinettiste Sabine Meyer en fluitist Jacques Zoon, en in de was hij eerder te beluisteren in een Close-up-concert met oudemuziekpionier Trevor Pinnock. Ivan Podyomov geeft les aan de Musikhochschule in Luzern.
Emily Beynon, fluit
Emily Beynon is solofluitiste van het Concertgebouworkest sinds 1995. Ze studeerde aan de Royal Academy of Music in Londen bij William Bennett en bij Alain Marion in Parijs. Als solist trad ze op met onder meer het Concertgebouworkest, het Philharmonia Orchestra, de orkesten van de BBC, het NHK Symphony Orchestra Tokyo en de Academy of St. Martin-in-the-Fields.
Kamermuziek speelt ze vaak met haar zus, harpiste Catherine Beynon, en pianist Andrew West. Ook werkte ze samen met bijvoorbeeld het Nash Ensemble, het Škampa Kwartet, Steven Isserlis, Felicity Lott, Jean-Yves Thibaudet en het Brodsky Quartet. Emily Beynon speelt graag hedendaagse muziek.
Onder anderen John Woolrich, Sally Beamish, Jonathan Dove, Errollyn Wallen en Roxanna Panufnik schreven nieuw werk voor haar. In 2008 bracht Universal Edition het boek Flute Project: new pieces for flute solo uit, waarvoor Emily Beynon samenwerkte met Matthieu Dufour, Kazushi Saito en Emmanuel Pahud. Ze nam elf cd’s op, waarvan Flute & Friends tot stand kwam dankzij de Prix de Salon, uitgekeerd door de business club van het Concertgebouworkest.
Emily Beynon is sinds 1992 gastdocent aan de Royal Academy of Music en gaf ook les aan de conservatoria van Den Haag en Amsterdam. In 2009 richtte ze samen met Suzanne Wolff de Nederlandse Fluit Academie (Neflac) op, die cursussen en concerten voor Nederlands jong talent en jonge internationale professionals organiseert.





