Klaus Mäkelä leidt Bruckners Vijfde bij het Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest
Klaus Mäkelä dirigent
Dit programma maakt deel uit van de serie D en de Bruckner-serie.
Dit programma wordt uitgezonden/gestreamd via medici.tv en Mezzo en kan worden teruggekeken op medici.tv.
Ook interessant:
- Notenbeeld: Anton Bruckner - Vijfde symfonie
Anton Bruckner (1824-1896)
Symfonie nr. 5 (1875-76)
Introduktion. Adagio – Allegro
Adagio. Sehr langsam
Scherzo. Molto vivace (schnell) – Trio. Im gleichen Tempo
Finale. Adagio – Allegro moderato
er is geen pauze
einde ± 21.40 uur
Toelichting
Anton Bruckner (1824-1896)
Vijfde symfonie
Door Dirk Luijmes
Muzikale ‘kathedralen’ worden ze vaak genoemd, de negen symfonieën van Anton Bruckner. Soms bewonder je de grote muzikale ruimtes ervan, de gigantische bogen of de pilaren, dan kom je onder de indruk van de spannende nissen, van een uit de verte, of word je geraakt door andere details. Vergezocht is de metafoor niet: toen Bruckner eind 1875 zijn inaugurale rede hield als docent aan de Weense universiteit, liet hij weten dat hij het belangrijk vond ‘het gehele muzikale kunstbouwwerk tot in de atomen te ontleden, de elementen naar bepaalde wetmatigheden te groeperen, kortom een leer te scheppen die met andere woorden als muzikale architectuur omschreven kan worden.’
In het begin van dat jaar was Bruckner begonnen aan zijn vijfde kathedraal. Erg gelukkig was de componist niet in deze periode: hij kon moeilijk aarden in Wenen, zijn muziek kreeg weinig bijval en hij kon maar nauwelijks rondkomen van zijn conservatoriumsalaris. ‘Ik ben alle vreugde en lust in mijn leven kwijt’, schreef Bruckner begin 1875 in een brief, ‘alles is nutteloos’. Toch componeerde hij onverdroten voort. Nadat hij in 1873 en 1874 de eerste versies van zijn Derde en Vierde symfonie had geschreven begon hij op 14 februari 1875 hij aan het van wat zijn Vijfde symfonie zou worden. Bruckner karakteriseerde de Vijfde zelf (enigszins raadselachtig) als de ‘Phantastische’, maar zou haar ook trots zijn ‘contrapuntische meesterwerk’ noemen. Anderen kwamen later nog met andere bijnamen als de ‘Tragische’, de ‘Middeleeuwse’ of de ‘Geloofssymfonie’.
Anders dan in al zijn andere bouwwerken begint Bruckner zijn Vijfde met een langzame introductie (à la Haydn), met daarin achtige passages voor de . Een soort voorportaal dat leidt naar het eerste deel: een met drie groepen. We horen een energiek en imposant eerste thema, een tweede met tokkelende strijkers en een ‘ausdrucksvoll’ derde thema in het hout. Deze ingrediënten smeedt Bruckner architectonisch tot een imposant geheel. In het tweede deel speelt de hobo een ballade waarmee Bruckner (volgens musicoloog Robert Haas) ‘ontsnapt aan de wereld’. De strijkers zorgen voor de (triolen)begeleiding. In contrast daarmee is het hymne-achtige tweede thema ‘sehr kraftig und markig’. In deel drie verandert de thematiek van het in een : het tweede thema klinkt dansant, als een Oostenrijkse Ländler, en ook in het kamermuzikale middendeel van dit Scherzo schijnt de zon.
Dat hij de regels van het uitstekend onder de knie had, had hij al in zijn andere symfonieën laten zien, maar in zijn Vijfde deed Bruckner er wat dat betreft nog een schepje bovenop. Meer dan voorheen verknoopt hij in deze symfonie het muzikale materiaal van de verschillende delen met elkaar en bouwt hij de verschillende ‘atomen’ tot een muzikaal bouwwerk. Zo horen we het begeleidingsmotief dat de strijkers in het Adagio spelen meteen terug in het Scherzo en keert de langzame inleiding van het eerste deel terug als opening van de Finale. Vooral in de hoekdelen laat hij allerlei contrapuntische kunststukjes zien, door het thematisch materiaal om te keren (een melodische sprong omhoog wordt dan een sprong omlaag en vice versa.), te verkorten of uit te breiden.
Met het vierde deel zet Bruckner een kroon op zijn werk. In deze Finale bereikt zijn contrapuntische werkwijze een climax: nadat hij allerlei motieven heeft verwerkt eindigt Bruckner de symfonie met een grootse en knappe (dubbel) waarin hij het koraalthema combineert met de hoofdthema’s van het eerste en laatste deel. Inderdaad: een ‘contrapuntisch meesterwerk’.
In november 1875, toen Bruckner officieel als – aanvankelijk onbezoldigd – lector aan de Weense universiteit werd benoemd, was de Vijfde symfonie voor een groot deel klaar. Nadat de componist zijn eind 1875 had afgemaakt volgden nog kleine wijzigingen. Wellicht was het werk aan de Vijfde voor hem een grote krachttoer geweest: aan een van zijn pupillen vertelde hij dat hij ‘voor geen 1000 gulden’ de symfonie nogmaals zou willen schrijven. Een première van het werk liet lang op zich wachten. Op 9 april 1894 klonk een uiterst dubieuze versie van de Vijfde onder leiding van Franz Schalk, een leerling van Bruckner, die onder meer de Finale met zo’n honderd maten inkortte en veel veranderde in de . Bruckner lag destijds doodziek op bed en heeft de symfonie alleen in een pianobewerking gehoord. Schalk was zelf erg tevreden over de uitvoering en schreef aan zijn leermeester: ‘U heeft vast al gehoord wat voor een ‘ungeheure Wirkung’ uw symfonie had.’ Schalk had de avond van zijn leven. Van het ‘niedersmetternden’ geweld van de finale, zo meldde hij, ‘kan iemand die het niet hoorde, zich geen voorstelling maken.’
Het zou tot november 1918 duren voor de Vijfde in Het Concertgebouw klonk – door het Concertgebouworkest onder leiding van Evert Cornelis. In een toelichting werd Bruckner inmiddels aangeprezen als ‘een van die grondeloos-diepe naturen vóór ons, die intellectueel en algemeen-menschelijk niet zoo buitengewoon ontwikkeld zijn, doch in wier kunst zich veeleer de natuur-zelve, het genie onmiddellijk uitspreekt.’ De aanbeveling mocht kennelijk niet baten: volgens NRC verliet het publiek na verschillende delen ‘in drommen’ de zaal. Pas vanaf de jaren 1930 zou Amsterdam in de ban raken van Anton Bruckner.
Biografie
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Klaus Mäkelä, dirigent
Klaus Mäkelä is chef- van de Oslo Philharmonic sinds 2020 en muziekdirecteur van het Orchestre de Paris sinds 2021. In 2022 werd bekendgemaakt dat hij in 2027 de achtste chef-dirigent van het Concertgebouworkest wordt. Tegelijkertijd begint de Fin dan als music director van het Chicago Symphony Orchestra.
Klaus Mäkelä heeft een exclusief contract met Decca Classics, waarvoor hij met het Orchestre de Paris drie albums uitbracht en met het Oslo Filharmonisch Orkest onder meer alle symfonieën van Sibelius en drie symfonieën van Sjostakovitsj opnam. De afgelopen seizoenen reisde de met de Oslo Philharmonic door Oost-Azië en trad hij op in Hamburg, Amsterdam, Parijs en Wenen. Bij het Orchestre de Paris lag de focus op Franse componisten en nieuwe muziek tijdens concerten in heel Europa en op tournee in Azië.
Sinds zijn overtuigende debuut bij het Concertgebouworkest in september 2020 staat Klaus Mäkelä ieder seizoen meerdere keren voor het orkest met een grote variëteit aan programma’s. Seizoen 2025/2026 ging van start met een uitgebreide zomertournee naar onder meer de BBC Proms en de Salzburger Festspiele, in november gevolgd door een tournee door Japan en Zuid-Korea. Afgelopen december leidde Klaus Mäkelä de Kerstmatinee en deze maand start een jaarlijkse residency van het Concertgebouworkest op de Osterfestspiele in Baden-Baden, overgenomen van de Berliner Philharmoniker, het orkest waar Klaus Mäkelä dit seizoen terugkeert als gastdirigent.
Als cellist speelt hij bij gelegenheid samen met leden van het Concertgebouworkest en het Orchestre de Paris. Klaus Mäkelä studeerde orkestdirectie aan de Sibelius-Academie in Helsinki bij Jorma Panula en bij Marko Ylönen, Timo Hanhinen en Hannu Kiiski.


