Klanktovenaars Quatuor Ébène in Schumann, Ligeti en Purcell
Quatuor Ébène:
Pierre Colombet viool
Gabriel le Magadure viool
Marie Chilemme altviool
Raphaël Merlin cello
Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkkwartetten.
Henry Purcell (1659-1695)
Fantasia in g kl.t., Z. 735 (1680)
Fantasia in Bes gr.t., Z. 736 (1680)
Fantasia in F gr.t., Z. 737 (1680)
Fantasia in d kl.t., Z. 739 (1680)
Fantasia in a kl.t., Z. 740 (1680)
Fantasia in G gr.t., Z. 742 (1680)
György Ligeti (1923-2006)
Strijkkwartet nr. 1 (1953-54) ‘Metamorphoses nocturnes’
Allegro grazioso
Vivace, capriccioso
A tempo
Adagio, mesto
Presto - Prestissimo
Molto sostenuto - Andante tranquillo
Più mosso
Tempo di Valse, moderato, con eleganza, un poco capriccioso
Subito prestissimo
Subito: molto sostenuto
Allegretto, un poco gioviale
Allargando. Poco più mosso
Subito allegro con moto, stringendo poco a poco sin al prestissimo
Prestissimo
Allegro comodo, gioviale
Sostenuto, accelerando - Ad libitum, senza misura
Lento
pauze ± 21.00 uur
Robert Schumann (1810-1856)
Strijkkwartet in a kl.t., op. 41 nr. 1 (1842)
Introduzione: Andante espressivo – Allegro
Scherzo: Presto
Intermezzo: Adagio
Presto
einde ± 21.55 uur
Toelichting
Henry Purcell (1659-1695)
Purcell: Fantasia’s
Door Lonneke Tausch
Engelands grootste componist is vooral bekend gebleven vanwege zijn vocale muziek: composities die waren verbonden aande rijke Engelse theatertraditie. Onder het belangrijkste wat Henry Purcell op instrumentaal vlak leverde, zijn zijn ‘fantasy’s for viol consort’. Deze ensemblevorm van gamba’s in verschillende groottes was destijds al op zijn retour, ten gunste van modernere ensembles die waren samengesteld uit instrumenten uit de vioolfamilie.
Purcell – twintiger, hofmusicus, organist aan de Westminster Abbey in Londen – leverde in de zomer van 1680 in één manuscript vijftien van dergelijke fantasia’s. Negen ervan waren vierstemmig, en sinds de publicatie ervan in 1959 komen deze ‘fantasias a 4’ geregeld terecht op de lessenaars van een strijkkwartet.
Deze fantasievolle en gevarieerde werken van ieder een paar minuten vormen een staalkaart van ische technieken en expressieve harmonische effecten. In die zin worden ze wel vergeleken met Die Kunst der Fuge (1745-50) van Johann Sebastian Bach. Nóg een overeenkomst: het is onzeker of de muziek bij leven van de componist eigenlijk wel is uitgevoerd en voor welk doel ze is geschreven. Waren het componeerstudies?
György Ligeti 1923-2006
Eerste strijkkwartet
Door Clemens Romijn
‘Metamorphoses s’, mijn eerste strijkkwartet, werd geschreven in 1953-54 in Boedapest maar was bestemd voor de onderste la, want een openbare uitvoering was uitgesloten. Het leven in Hongarije in die tijd zat in de ijzeren greep van de communistische dictatuur. Het land was volledig afgesloten van het buitenland. Buitenlandse reizen waren onmogelijk, buitenlandse radiozenders werden geblokkeerd en boeken en partituren konden niet worden verstuurd en ontvangen.
In Boedapest ontstond een cultuur van gesloten kamers waarin de meeste kunstenaars kozen voor de ‘innerlijke emigratie’. De meeste kunst die over ons werd heen gestort was die van het Sociaal Realisme. De grote collectie Franse en Hongaarse impressionistische schilderkunst verdween in de kelders en uit bibliotheken en boekwinkels werden titels als Don Quichote en Winnie the Pooh weggehaald.
In Boedapest ontstond een cultuur van gesloten kamers waarin de meeste kunstenaars kozen voor de ‘innerlijke emigratie’.
Wat betreft de muziek werd Bartók, die in 1945 was overleden, beschouwd als de grote nationale componist en antifascistische held, maar het grootste deel van zijn muziek viel ten prooi aan de censuur. De enige werken die van hem werden uitgevoerd waren het Derde pianoconcert, het Concert voor orkest en zijn volksliedtranscripties, in andere woorden zijn ‘verzoenende’, niet e werken. Maar doordat alles wat modern was werd verboden, zoals het overigens ook was verboden door de nazi’s, werd het moderne juist extra aantrekkelijk voor non-conformistische kunstenaars. Werken voor de onderste la werd zelfs als een eer beschouwd.’
‘Ik werd geïnspireerd tot mijn Eerste strijkkwartet door Bartóks Derde en Vierde strijkkwartet ook al kende ik die alleen uit de , want uitvoeringen ervan waren verboden. Met ‘Metamorfosen’ bedoel ik een serie karaktervariaties zonder echt , maar ontwikkeld uit een motivische basiscel: twee grote secundes met de onderlinge afstand van een kleine secunde. en zijn gebaseerd op totale , maar de vorm is een afspiegeling van de Weense Klassieken, met regelmatige zinnen, imitatie, het ontwikkelen van motivisch materiaal en de techniek van het opbreken van een melodie in korte frases die worden verdeeld over de verschillende stemmen.
Naast Bartók waren Beethovens Diabellivariaties mijn geheime ideaal. Het werk is kortom modern qua melodie, harmonie en , maar qua vorm en ‘discours’ traditioneel. Het geloof in een ethische dimensie van het componeren, een houding beïnvloed door Haydn en Beethoven, gaf me een morele steun tegen de pseudopopulistische kunst zoals die door de Partij werd voorgeschreven. Moderniteit en traditie beschouwde ik niet als tegengesteld, maar als een soort dubbele bescherming tegen de vernedering van de artistieke dictatuur. Pas nadat ik Hongarije was ontvlucht in 1956, werd het kwartet uitgevoerd, in Wenen in 1958, door het Rasor Kwartet dat eveneens in asiel leefde.’ Aldus György Ligeti over zijn Eerste strijkkwartet.
Robert Schumann 1810-1856
Strijkkwartet in a klein
Door Christiane Schima
Vóór 1842 heeft Robert Schumann bijna uitsluitend pianowerken geschreven. Tot dan staan het klavier, de poëzie en de verbinding van beide in het oeuvre van de romanticus in het middelpunt. Daarvan getuigen zowel zijn poëtische karakterstukken voor piano solo als zijn eren uit 1840. Zijn plan om strijkkwartetten te componeren beoordeelt zijn echtgenote Clara sceptisch: ‘Kwartetten wil je gaan schrijven? Een vraag, maar lach me niet uit: ken je dan de instrumenten precies?’
Eén van de andere moeilijkheden waarmee Schumann geconfronteerd wordt, is het creëren van grote vormen. Hij bestudeert vlijtig de strijkkwartetten van Haydn, Mozart en Beethoven. Zijn eerste Strijkkwartet in a klein, 41 nr.1 volgt met zijn vierdelige opbouw en de klassieke modellen. Het verraadt vooral de invloed van Beethovens late strijkkwartetten, met name diens opus 132: de a klein, de langzame inleiding, de dramatisch-pathetische toon van het hele kwartet en het episodisch karakter van de delen. Het mystieke doet aan dat van opus 132 denken, en in de finale refereert Schumann aan een uit het slotdeel van Beethovens Zesde symfonie, de ‘Pastorale’.
Dat alles getuigt van Schumanns ambitieuze streven een grote traditie voort te zetten. Ook Bach en zijn to-techniek en Mendelssohn – op hem wijzen de dansante s in het en de finale – komen er aan te pas. Aan de laatstgenoemde, Felix Mendelssohn, zijn de drie in het opusnummer 41 gebundelde kwartetten opgedragen. Maar alle invloeden ten spijt bezit het werk met zijn snel wisselende stemmingen een verhalend karakter en is daarmee typisch een werk van Schumann.
De componist bewerkte de eerste twee kwartetten van opus 41 later voor piano. En aan de piano zijn ze gezien de wat ondergeschikte rol van de middenstemmen waarschijnlijk ook ontstaan.
Biografie
Quatuor Ébène, kwartet
Het Quatuor Ébène ontstond in 1999 aan het Conservatoire de Parijs. Na lessen van het Quatuor Ysaÿe, Gábor Takács, Eberhard Feltz en György Kurtág kwam een internationale carrière op gang met meerdere prijzen van het ARD Concours in München in 2004 en een Borletti-Buitoni Trust Award in 2007.
Het viertal speelt meer dan het geijkte kwartetrepertoire: wat begon als voor de lol improviseren op pop- en jazznummers groeide uit tot een handelsmerk, zoals te horen op de albums Fiction (2010), Brazil (2014) en Eternal Stories (2017).
Voor zijn discografie – met ook werken van Bartók, Debussy, Haydn, Fauré en broer en zus Mendelssohn – werd het Quatuor Ébène onderscheiden met onder meer de Gramophone Award, de BBC Music Magazine Award en de Midem Classical Award. Met Philippe Jaroussky maakte het kwartet het album Green, Schubert nam het op met bariton Matthias Goerne en cellist Gautier Capuçon, en in 2023 verschenen de Mozartetten samen met altist Antoine Tamestit.
Beethoven Around the World, live-opnames van de zestien strijkkwartetten van Beethoven uit zalen verspreid over zes continenten, markeerde het twintigjarig bestaan van het Quatuor Ébène. Nog steeds spelen ze die cyclus, bijvoorbeeld in Suntory Hall in Tokio, de Philharmonie Berlin en Wigmore Hall in Londen. Sinds januari 2021 hebben de musici een strijkkwartetklas aan de Hochschule für Musik und Theater in München en sinds seizoen 2021/2022 presenteren ze een gezamenlijke strijkkwartetserie met het Belcea Quartet in het Wiener Konzerthaus.
Van 2022/2023 tot vorig seizoen was het Quatuor Ébène in residence bij Radio France, en in 2023/2024 bij de Philharmonie Luxembourg. In Het Concertgebouw debuteerde het Quatuor Ébène in de zomer van 2006 en het keerde geregeld terug, voor het laatst in mei 2024 met octetten samen met het Belcea Quartet.
Pierre Colombet heeft twee violen in bruikleen – de ‘Piatti’-Stradivarius uit 1717 en een Matteo Goffriller uit 1736 – plus een strijkstok van Charles Tourte (Parijs, negentiende eeuw). Gabriel Le Magadure heeft een Guarneri del Gesù (Cremona, 1743/45) en een Guarneri van circa 1740 in bruikleen, en een strijkstok van Dominique Pecatte (ca. 1845). Marie Chilemme bespeelt de ‘Gibson’-Stradivarius uit 1734 en een van Marcellus Hollmayr (1625). De van Yuya Okamoto is een Giovanni Grancino (1682, Milaan).


