Kamermuziek op zondagmiddag: Dudok Kwartet Amsterdam & Mendelssohn

Dudok Kwartet Amsterdam:
Judith van Driel viool
Marleen Wester viool
Marie-Louise de Jong altviool
David Faber cello

er is geen pauze
einde ca. 15.25 uur 

Dit concert maakt deel uit van de serie Kamermuziek op zondagmiddag.

Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791

Strijkkwartet in G gr.t., KV 387 (1782)
Allegro vivace assai
Menuetto: Allegretto
Andante cantabile
Finale: Molto allegro

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Fuga nr. 24 in b kl.t., BWV 869
uit ‘Das wohltemperirte Clavier’ (1722)

Contrapunctus I
uit ‘Die Kunst der Fuge’, BWV 1080 (1745-50)

Felix Mendelssohn 1809-1847

Zesde strijkkwartet in f kl.t., op. 80 (1847)
Allegro vivace assai
Allegro assai
Adagio
Finale. Allegro molto

Toelichting

Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791

Strijkkwartet KV 387

tekst: Hugo Bouma

In de ontwikkeling van het strijkkwartet van licht niemendalletje tot de serieuze, volwassen vorm zoals wij die nu kennen is er één naam onvermijdelijk: Joseph Haydn. Deze ‘vader van het strijkkwartet’ was in Wolfgang Amadeus Mozarts kindertijd reeds een gevestigd componist.

Al snel na hun eerste ontmoeting ontstond er een innige vriendschap tussen de twee, waarin het aanzienlijke leeftijdsverschil nauwelijks een rol speelde.

De jonge Mozart had een grote bewondering voor het werk van de meester en zijn eigen kwartetten hebben veel aan Haydn te danken. Het Strijkkwartet in G groot, KV 387 is het eerste in een reeks van zes die hij ‘a mio caro amico Haydn’ opdroeg.

Opvallend is dat Mozart ruim twee jaar nodig had voor het voltooien van de reeks. De componist, die bekend stond om de snelheid en het gemak waarmee zijn muziek ontstond, schrijft ook over de ‘lange, uitputtende arbeid’ die hij in deze werken had gestoken.

Klaarblijkelijk voelde hij de druk om zijn vriend en mentor niet teleur te stellen. Deze arbeid wierp zijn vruchten af. Na een privé-uitvoering van alle zes kwartetten schreef Haydn: ‘Ik zeg u tegenover God, en als een eerlijk man, [Mozart] is de grootste componist die ik ken. Hij heeft smaak, en beheerst bovendien de hoogste compositiewetenschap.’

Het openingsdeel is meteen een toonbeeld van beide kwaliteiten. Hoewel de ’s een typisch Mozartiaanse opgeruimdheid hebben, is hun uitwerking opvallend complex, met lijnen en onverwachte wendingen.

Het deel eindigt zeer zacht, alsof de componist naar ons knipoogt na het vertellen van een goede grap. Ook in het als tweede deel geplaatste speelt de een hoofdrol, met een duister, grillig .

Na een sereen, zangerig cantabile trekt Mozart in de Finale al zijn compositiekennis uit de kast. Het openingsthema van vier noten doet denken aan de finale van zijn ‘Jupiter-symfonie’, en ook hier buitelen de ische lijnen over elkaar heen.

Tussen het polyfone vuurwerk door etaleert Mozart ook zijn goede Weense smaak met enkele lichtvoetige danswijsjes. Net als in het eerste deel is ook hier het slot zacht en ingetogen.

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Fuga's

Het strijkkwartet is een zeer democratische aangelegenheid. Elk van de vier spelers is tegelijk solist en begeleider, individu en deel van een groep, leider en volger.

En weinig muziek is democratischer dan de ’s van Johann Sebastian Bach, waarin alle stemmen een perfect gelijkwaardige rol hebben en de termen ‘’ en ‘begeleiding’ in feite betekenisloos zijn. 

Geen van Bachs werken is echter geschreven voor strijkkwartet. Das wohltemperirte Clavier is een verzameling van tweemaal 24 preludes en ’s voor klavecimbel in alle - en toonsoorten.

De Fuga in b klein, BWV 869 uit Boek I valt hierin op, doordat het alle twaalf tonen van de toonladder bevat – alsof Bach bijna 200 jaar vooruitblikt op de van Arnold Schönberg.

Ook al schreef Bach deze muziek voor klavecimbel, hij is streng genoeg in zijn meerstemmigheid om een versie voor strijkkwartet ruim binnen de mogelijkheden te laten liggen. 

Die Kunst der Fuge is in zekere zin nog abstracter: nergens staat welke instrumenten deze muziek moeten spelen. Men heeft dit werk wel opgevat als een lesmethode, waarin de componist stap voor stap laat zien hoe men een fuga moet schrijven.

Het thema, dat hij in Contrapunctus I op relatief eenvoudige wijze uiteenzet, ondergaat in de volgende fuga’s steeds meer ische behandelingen. De laatste en meest complexe fuga breekt halverwege af, bij wijze van ‘huiswerk voor de speler’.

Felix Mendelssohn (1809-1847)

Zesde strijkkwartet

Door Hugo Bouma

‘Grijs op grijs’. Zo omschreef Felix Mendels­sohn zijn emotionele toestand in de ­periode dat hij zijn Zesde strijkkwartet in f klein schreef. Dat zijn zus Fanny was overleden aan een beroerte had hem diep geraakt. Fanny, die zelf ook componeerde, was voor hem niet alleen een dierbaar familielid, maar tevens een muzikale collega, een ­intellectuele gelijke, een vertrouweling.

De succesvolle, maar ernstig overwerkte Felix raakte in een depressie, maar schraapte wel de energie bij elkaar om dit werk te schrijven. Het zou zijn laatste worden: zes maanden na Fanny overleed ook Felix aan een beroerte. Hij werd slechts 38 jaar.

Voor degenen die de componist en zijn werk kenden, kwam de stijl van dit kwartet als een verrassing. Waar Mendelssohns eerdere muziek zich kenmerkte door een lichtvoetigheid en een aristocratische beheersing, hadden deze hier plaatsgemaakt voor duisternis en frustratie.

Desalniettemin horen we hier ook een componist op de top van zijn technische kunnen: tot het eind doet hij zijn zus eer aan.

Na een nerveus en geagiteerd openingsdeel balt Mendelssohn zijn frustratie samen in het onstuimige , dat mijlenver verwijderd is van de vederlichte scherzo’s die tot dan toe zijn handelsmerk waren.

Het langzame derde deel biedt even rust, als een nostalgische herinnering aan betere tijden. In de Finale keert de nervositeit van het eerste deel volop terug, en ondanks vioolvuurwerk eindigt Mendelssohns zwanenzang overtuigend in .

Biografie

Dudok Quartet Amsterdam, kwartet

Het Dudok Quartet Amsterdam studeerde bij het Alban Berg Quartett aan de Musikhoch­schule in Keulen en bij Marc Danel aan de Nederlandse Strijkkwartet Academie. In 2014 kreeg het de Kersjes­prijs en in 2018 een Borletti-Buitoni Trust Award, en het was prijswinnaar van de concoursen van Weimar en Bordeaux.

In de debuteerde het kwartet in juni 2008 in een Lunchconcert en was het op 28 december 2025 voor het laatst te gast samen met pianist Hannes ­Minnaar in Het Zondagochtend Concert.

De nieuwsgierigheid van de musici reikt zowel naar het verleden als de toekomst; ze spelen muziek van vóór 1900 met historisch verantwoorde instrumenten en strijkstokken, arrangeren jazz, folk, vocale werken en klaviermuziek en werken samen met componisten als Joey ­Roukens, Bushra El-Turk, Celia Swart, Peter Vigh, Max Knigge en Theo Loevendie (Tweede strijkkwartet, 2022).

Onder meer bij de wereldpremière van Only the Sound Remains (De Nationale Op­era, 2016) werkte het Dudok Quartet Amsterdam met Kaija Saariaho, en muziek van haar en Sjostakovitsj staat op de nieuwste cd Terra Memoria.

De strijkers hebben hun eigen podcast Muziek­verhalen, richtten in 2024 met de Dudok Muziekdagen hun eigen festival op in Kampen en tourden eerder dit seizoen door het Verenigd Koninkrijk, de ­Verenigde Staten en Schotland. Ze spelen op violen van Francesco Goffriller (1725) en Vincenzo Panormo (1810), een van Jean Baptiste Lefèbvre (1767) en een van Hendrik Jacobs (1700). Naamgever van het ensemble is architect en muziekliefhebber Willem Marinus Dudok (1884-1974): ‘Ik voel diep de gemeenschappelijke basis van de muziek en de architectuur: ze ontlenen immers beide haar waarde aan de juiste maatverhoudingen.’