Julian Steckel speelt Dvořáks Celloconcert

Residentie Orkest Den Haag
Jonathan Bloxham dirigent
Julian Steckel cello

Dit concert maakt deel uit van de serie Klassieke meesterwerken.

Antonín Dvořák (1841-1904)

Symfonie nr. 5 in F gr.t., op. 76 (1875)
Allegro ma non troppo
Andante con moto
Scherzo: Allegro scherzando
Finale: Allegro molto

pauze ± 20.55 uur

Celloconcert in b kl.t., op. 104 (1894-95)
Allegro
Adagio ma non troppo
Finale: Allegro moderato

Waldesruhe
voor cello en orkest
uit ‘Uit het Boheemse woud’, op. 68 (1893)

einde ± 22.10 uur

Toelichting

Antonín Dvořák 1841-1904

Vijfde symfonie

Door Roeland Hazendonk

Dvořáks Vijfde symfonie in F groot is exemplarisch voor zijn componeren: onbekommerd puur, natuurlijk stromend en bedrieglijk ongecompliceerd. Het eerste van het openings- is niet meer dan een drieklankbreking; snel en met een pittig gepuncteerd ritmisch stapje voordat het naar omhoog zwiept. Een beknopt dat blijft hangen en zich door zijn eenvoud geweldig leent voor varianten. Dit is muziek die nergens ingewikkeld wordt – complex is er niet – maar die toch geraffineerd van kleur verschiet. Er zijn constant kleine harmonische verschuivingen en de manier waarop de ën zich steeds anders uitgelicht in de door het orkest vlechten, is een wonder van muzikale fantasie.

In Dvořáks anti-intellectuele componeren zou je iets bewust provinciaals kunnen horen

Het is altijd helder van klank en omdat het allemaal door vaak herhaalde melodieën wordt voortgedreven, is het zeer toegankelijk. De unieke kracht van de muziek is de subtiele variatie die het herkenbaar houdt, maar het discours genoeg verandert om het interessant te laten blijven. Het is e muziek die de door volksmuziek geïnspireerde melodische geest van Schubert combineert met een onnadrukkelijke beheersing van Beethovens sluwe motivische variatietechnieken zoals die bijvoorbeeld in zijn Vijfde en Zevende symfonie worden uitgespeeld.

Dvořáks muziek lijkt er zonder veel omhaal gewoon te zijn. De muziek van zijn thuisland Bohemen (nu Tsjechië, toen een provincie in de machtige Oostenrijks/Hongaarse dubbelmonarchie) klinkt er steeds in door en in Dvořáks anti-intellectuele componeren zou je iets bewust provinciaals kunnen horen – vergelijkbaar met de manier waarop Herman Finkers dat uitdraagt.

De zwaarte en de nostalgie van Brahms is er nooit bij Dvořák. De melancholie in het lieflijke blijft licht en is eerder een mooie herinnering dan een betreurd verlies. Dvořáks Vijfde symfonie – gecomponeerd vlak na zijn doorbraak in 1875 – is de eerste waarin zijn typerende eigen stijl bijna consequent aanwezig is. Alleen in het geladener laatste deel slaat de stemming om. In Dvořáks vroegere symfonieën is zijn bewondering voor Wagner soms te horen en in het laatste deel is dat ook het geval. Overigens is de Wagner die Dvořák bewonderde de componist van de ‘grand opéra’ in Franse stijl; de Wagner van vóór de veel modernere Tristan und Isolde waarin het tonale systeem waaraan Dvořák trouw bleef, werd ondergraven.

Antonín Dvořák 1841-1904

Celloconcert

Door Roeland Hazendonk

Dvořák schreef zijn concert in b klein op het toppunt van zijn roem in 1894 in New York, waar hij de best betaalde conservatoriumdirecteur ter wereld was. Hij verdiende in zijn eerste Amerikaanse jaar (1892) omgerekend naar vandaag een half miljoen dollar. Het grote geld en het dankbare werk verhoedden niet dat Dvořák vreselijk veel heimwee had en in 1895 naar Bohemen terugkeerde.

Dat het Celloconcert er kwam, lag niet voor de hand. Dvořák vond de cello een problematisch solo-instrument. Er is, met dank aan de uitgebalanceerde orkestratie, nergens iets mis met de klank van de cello. Het allerlaagste register van het instrument wordt niet veel ingezet en als het hoog wordt, is de solopartij meestal laag in volume (dan is dat nasale er niet) of verdubbelen de klarinetten en de fluiten de cello en klinkt er een ronde warme mengklank.

Voor Dvořák had dit celloconcert een persoonlijke betekenis.

In vergelijking tot de Vijfde symfonie is er een grotere dramatische lading en zijn er grotere contrasten in sfeer en dichtheid van de , maar het blijft een onmiddellijk aansprekend, klassiek gestructureerd concert. Het eerste van het openings- is wederom beknopt en leent zich heel goed voor transformaties. Dit thema heeft verspreid over alle drie de delen de voor Dvořáks muziek kenmerkende herhaaldichtheid. Even typerend is het grote melodische gewicht van de klarinetten, de fluiten en de s en de Slavische ondertoon van veel melodische motieven – niet in de laatste plaats het in de cello zo prachtig zingende tweede thema van het eerste deel.

Voor Dvořák had dit celloconcert een persoonlijke betekenis. Hij schreef het terwijl zijn schoonzuster Josefina Čermáková – ooit zijn grote liefde – ernstig ziek was. Hij memoreerde haar door in het middengedeelte van het zijn Kéž duch muj sám (‘Laat mij alleen met mijn dromen’) te citeren – haar favoriete lied. Ze stierf drie maanden nadat het stuk voltooid was, wat Dvořák deed besluiten tot een dramatische omwerking van de Finale. Het robuuste vertraagt sindsdien tot een wegstervend statisch rustpunt dat uitmondt in een verstilde referentie van de cello aan het lied waarvan de titel voor Dvořák verdrietig definitief was geworden. Ook wie die achtergrond niet kent, kan niet anders dan geraakt worden door de onthecht verklankte stilte voor het slotcrescendo van het volledige orkest.

  • Josefina Čermáková

Antonín Dvořák 1841-1904

Waldesruhe

Door Roeland Hazendonk

Waldesruhe is van oorsprong een werk voor twee pianisten die op één piano samen spelen. Het genre van de quatre-mains was in Dvořáks dagen zeer populair. Behalve concertbezoek was zelf muziek maken de enige mogelijkheid om muziek te horen. Er stonden miljoenen piano’s in de huiskamers van de Europese middenklasse en uitgevers verdienden enorm aan alle pianostukken waar ze hun componisten om vroegen. Vaak waren dat er ohne Worte’ die een poëtisch idee verklanken – zoals de stilte van het romantische Boheemse woud.

De huiskamersfeer van deze muziek ligt dicht bij het provinciale leven waar Dvořák – opgegroeid in een klein dorpje als zoon van een caféhouder annex slager – zich bij thuisvoelde. In Amerika verhuisde hij van New York naar Spillville, een kleine gemeenschap van een paar honderd Bohemers, Duitsers en Zwitsers. En tot groot verdriet van zijn vriend Brahms wilde hij niet in het kosmopolitische Wenen wonen. Goed verkopende muziek werd vaak voor andere bezettingen gearrangeerd. Zo ook deze sfeervolle muziek van zingende bossen die als al Dvořáks werk zo dicht bij zijn publiek stond.

Weinig muziek raakt zo veel mensen zo onmiddellijk als die van Antonín Dvořák. Zijn componeren heeft een enorm gemak: alles stroomt en alles wordt door voortgedreven. Het is onopgesmukt, direct en in de kern eenvoudig.

In 1874 (Dvořák werd drieëndertig in dat jaar) zat Johannes Brahms in de jury die de Oostenrijkse staatsprijs voor compositie toekende. Omdat Wenen de muzikale hoofdstad van de wereld was, betekende die prijs Dvořáks internationale doorbraak. Brahms had macht in Wenen, was muzikaal behoudend en zijn directheid kon flink schrik aanjagen. Het jonge talent Hans Rott, die met Gustav Mahler studeerde, schrok zo van wat Brahms van zijn muziek vond – namelijk dat hij daar beter maar mee op kon houden – dat hij in een trein een medepassagier met een pistool bedreigde toen die een sigaar wilde opsteken. Rott wist zeker dat Brahms de hele trein vol dynamiet had gestopt.

Behalve conservatief en een beetje bot was Brahms ook ruimhartig – hij kon niet weten dat de arme Rott zo labiel was dat hij door zijn kritiek tot waanzin zou vervallen. Dvořáks muziek promootte hij onbaatzuchtig terwijl die met de zijne zou gaan concurreren. Dvořáks werk is net als dat van Brahms classicistisch en blijft ver van de progressieve persoonlijke expressie van Mahler (en Rott), of het idee dat een symfonie als een roman een visie op de mens etaleert.

Biografie

Residentie Orkest, orkest

Aan de wieg van het Residentie Orkest stond in 1904 Henri Viotta – advocaat, , componist en conservatoriumdirecteur. Hij was overtuigd van de impact van muziek op de samenleving en van de noodzaak van een uitzonderlijk orkest in Den Haag, en tot 1917 bleef Viotta dirigent en directeur van zijn nieuwe orkest.

Na de Tweede Wereldoorlog werd ­Willem van Otterloo aangesteld als chef-dirigent; hij bleef tot 1973. Vervolgens leidden Jean Martinon, Ferdinand Leitner, Hans Vonk, Evgeny Svetlanov, Jaap van Zweden en Neeme Järvi het orkest.

In de zomer van 2021 is Nicholas Collon opgevolgd door Anja Bihlmaier, en sinds afgelopen zomer is Jun Märkl chef-. Richard Egarr is sinds 2019 vaste gastdirigent, Chloe Rooke is sinds de zomer van 2024 emerging artist in residence. Het Residentie Orkest is gehuisvest in het nieuwe cultuur- en onderwijscomplex Amare. Tournees in de afgelopen jaren voerden naar Duitsland, Roemenië en China.

Het orkest werkt samen met Haagse en nationale partners als het Nationaal ­Theater, het Festival Classique, het The Hague African Festival, Het Paard, De Nationale en het Koninklijk ­Conservatorium. Met zijn educatieprogramma en het jaarlijkse Zuiderparkzomerconcert draagt het bij aan de sociale cohesie in zijn thuisstad. Het vorige optreden van het Residentie Orkest in Het Concertgebouw was op 24 augustus jongstleden, samen met violiste Bomsori Kim, die voor het seizoen 2025/2026 artist in residence is van het orkest.

Jonathan Bloxham, dirigent

Jonathan Bloxham maakt zijn debuut in Het Concertgebouw. Voordat hij ging dirigeren was hij mede-oprichter en cellist van het Busch Trio, waarmee hij onder meer optrad in Wigmore Hall en het Southbank Centre in Londen. Nog steeds speelt hij bij gelegenheid graag kamermuziek. Ook was hij meer dan tien jaar artistiek directeur van het Northern Chords Festival in zijn geboortestad Newcastle.

Zijn opleiding volgde Jonathan Bloxham aan de Yehudi Menuhin School en het Royal College of Music, nadat hij vanaf zijn achtste les had gehad via de Gateshead Schools Music Service. Zijn master­diploma behaalde hij aan de Guildhall School of Music and Drama bij Louise Hopkins, en directielessen volgde hij bij onder anderen Paavo Järvi.

Van 2016 tot 2018 was hij bij het City of Birmingham Symphony Orchestra assistent van Mirga Gražyntė-Tyla. Sindsdien is hij uitgenodigd door gezelschappen als Die Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, het Orchestre Philharmonique du Luxembourg, het Mozarteumorchester Salzburg, Tapiola Sinfonietta en het Malaysian Philharmonic Orchestra.

In zijn thuisland leidde Jonathan Broxham bijvoorbeeld het BBC Scottish Sym­phony Orchestra, het London Symphony Orchestra, het Royal Philharmonic Orchestra, het Hallé Orchestra en het Aurora Orchestra, debuteerde hij in 2021 met het London Philharmonic Orchestra op het Glyndebourne Festival met Verdi’s Luisa Miller en is hij een frequente gast van de London Mozart Players.

Julian Steckel, cello

De solocarrière van Julian Steckel kwam definitief op gang nadat hij in 2010 het ARD Concours in München had gewonnen. Eerder was hij al gelauwerd bij de Grand Prix Rostropovich in Parijs, de Grand Prix Feuermann in Berlijn en de Kronberg Pablo Casals Competition. Voor zijn opname van de concerten van Korngold en Goldschmidt en Blochs ­Schelomo kreeg hij in 2012 een Echo Klassik Preis.

Julian Steckel soleerde bij onder meer het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Gewandhausorchester Leipzig, de Bamberger Symphoniker, het Orchestre de Paris, het Royal Philharmonic Orchestra, het Sint-Petersburg Filharmonisch Orkest, het Nederlands Philharmonisch Orkest, het Residentie Orkest Den Haag en het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

In het afgelopen concertseizoen vertolkte hij het Eerste concert van Sjostakovitsj bij de Badische Staatskapelle en bij de orkesten van Dortmund en Cottbus, en het Eerste celloconcert van Saint-Saëns in Münster en Belgrado.

Naast zijn optredens met orkest betreedt Julian Steckel graag het kamermuziekpodium met collega’s als Janine Jansen, Christian Tetzlaff, Renaud Capuçon, Veronika Eberle, Vilde Frang, Antoine Tamestit, Elisabeth Leonskaja, Paul Rivinius, Denis Kozhukhin en het Modigliani, Armida en Ébène Kwartet. De cellist studeerde bij Ulrich Voss, ­Gustav Rivinius, Boris Pergamenschikow, Heinrich Schiff en Antje Weithaas en geeft les aan de Hochschule für Musik und Theater in München. Hij bespeelt instrumenten van Francesco Rugeri (Cremona, 1695) en Andrea Guarneri (Cremona, 1685).