Juilliard Kwartet speelt Dvořák, Haydn en Bartók

Juilliard Kwartet:
Joseph Lin viool
Ronald Copes viool
Roger Tapping altviool
Astrid Schween cello 

pauze ca. 21.05 uur
einde ca. 22.00 uur

Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkkwartetten.

Joseph Haydn 1732-1809

Strijkkwartet in g kl.t., op. 74 nr. 3 (1793) ‘Reiter’
Allegro
Largo assai
Menuetto: Allegretto – Trio
Finale: Allegro con brio 

Béla Bartók 1881-1945

Vijfde strijkkwartet in Bes gr.t. (1934)
Allegro
Adagio molto
Scherzo: Alla bulgarese
Andante
Finale: Allegro vivace – Presto

pauze 

Antonín Dvořák 1841-1904

Elfde strijkkwartet in C gr.t., op. 61 (1881)
Allegro
Poco adagio e molto cantabile
Scherzo: Allegro vivo
Finale: Vivace

Toelichting

Joseph Haydn (1732-1809)

‘Reiter’-kwartet

Door Aad van der Ven

De muziek van Joseph ­Haydn is kennelijk uitgesproken associatief. Een nietig detail in de was vaak al voldoende om een werk van zijn hand voor eeuwig een stempel te geven. Zie bijvoorbeeld symfonieën die bijnamen als ‘De klok’, ‘De beer’ of ‘De kip’ kregen. Ook in zijn Strijkkwartet in g klein, 74 nr. 3, bekend geworden als ‘De ruiter’ (het had evengoed ‘Het paard’ kunnen heten) is de aanleiding een detail. Of liever twee. Want de Haydn-geleerden zijn het er niet over eens of met deze bijnaam de sprongen waarmee het eerste deel begint bedoeld zijn of dat het gaat om het galopperende hoofdthema van de Finale (voor zover galopperen in een oneven mogelijk is).

  • Joseph Haydn

Hoe het ook zij, het werk behoort om begrijpelijke redenen tot de favorieten in het oeuvre van degene die het strijkkwartet bij wijze van spreken heeft uitgevonden. De meeste kwartetten van Haydn waren bedoeld om in de huiselijke kring te worden gespeeld. Maar de meester merkte tijdens zijn verblijf in Engeland, zijn tweede vaderland, dat voor dit genre wel degelijk een publiek bestond. 74 nr. 3, behorend tot zijn latere kwartetten, klinkt dan ook meer concertant, misschien ook meer zelfbewust, dan zijn meeste vroegere kamermuziekwerken. In de snelle delen buitelen de zestienden jolig over elkaar heen. Daartegenover staan de verrassende emotionaliteit, de klankrijkdom en de schakeringen van het Largo assai.

Bartók: Strijkkwartet

Béla Bartók heeft het strijkkwartet opnieuw uitgevonden. Drie eeuwen geleden begonnen als edele kunst van muzikale conversatie veranderde het bij de Hongaarse componist in een door vier personen bediende blinkende machine, die soms agressieve, soms geheimzinnige, soms spookachtige klanken uitstoot.

Bartók ontdeed het strijkkwartet van zijn symfonische aspiraties (Schumann, Brahms, Tsjaikovski en anderen) en opende een andere klankwereld die op de ‘intellectuele’ muziek van na de Tweede Wereldoorlog een sterke invloed heeft gehad.

Waarbij paradoxaal genoeg de muziek van Hongaarse, Roemeense en Bulgaarse boeren, vaak herkenbaar in ën en n, zijn belangrijkste drijfveer is geweest.

Het is de muzikale ontwikkeling van een heel leven die voorbijtrekt in deze zes tussen 1909 en 1939 ontstane strijkkwartetten, conventioneel beginnend en tot en met het vierde kwartet geavanceerder en experimenteler wordend.

Het vijfde staat qua schrijfwijze dicht bij zijn voorganger, maar is iets milder van klank, waarna in het meer introverte zesde een toenadering tot het verleden doorklinkt. Nummer vijf heeft een symmetrische vorm die valt te vergelijken met wat in de taal een palindroom heet.

In het midden bevindt zich een ritmisch zeer gecompliceerd (‘alla bulgarese’). Dit wordt geflankeerd door twee langzame delen, die met hun subtiele trillers, gedempte effecten, pizzicati en glissandi tot de categorie ‘nachtmuziek’ behoren, waarmee Bartók een eigen klankwereld schiep.

De ‘buitenste laag’ van dit werk bestaat uit twee snelle delen, met opwindende dansritmen, op sommige plaatsen een ingenieuze meerstemmigheid – in in het slotdeel – en buitengewoon verrassende wendingen en contrasten.

Dvořák: Strijkkwartet

Hij was een laatbloeier, maar toen hij als componist eenmaal grond onder de voeten voelde kon niets hem nog tegenhouden, waarbij hij zich bovendien geruggensteund voelde door een groeiend publiek.

Want zijn landgenoten realiseerden zich dat Antonín Dvořák als geen ander in staat was de nationale Tsjechische muziek een internationale allure te geven.

Toch waren al rond zijn veertigste de eerste veranderingen in zijn manier van componeren merkbaar. Er trad een zekere verwijdering op van het sterk nationale karakter waarvan zijn muziek doordrenkt was geweest.

Zijn liefde voor de meesters van de , bovenal Beethoven, kreeg geleidelijk meer de overhand. Maar bij zijn groeiende veelzijdigheid bleef toch de vitale impuls van de volksmuziek als karakteristieke onderstroom aanwezig.

Het Elfde strijkkwartet in C groot behoort tot Dvořák meest klassiek georiënteerde werken. In het eerste deel, een en al klankrijkdom, denken we misschien nog even aan Brahms. Zo niet in het Poco e molto cantabile waarvan de ische schrijfwijze een zeker voor deze componist uitgesproken ‘intellectueel’ karakter heeft.

Vooral hier wordt merkbaar hoe sterk met name de late composities van Beethoven, schoolvoorbeelden van helderheid en pregnantie, op Dvořák stijl hebben ingewerkt.

Hetzelfde geldt voor het vivo met zijn felle en, hoewel hier de Boheemse dansmuziek toch even doorschemert. Het laatste deel is mede door de grillige melodische figuren en snel veranderende ën een en al energie.

Dat Dvořák voor dit werk zo sterk overhelde naar de Weense klassieke stijl heeft wellicht te maken met degene voor wie hij zijn 61 schreef. Dat was Josef Hellmesberger, concertmeester van de Wiener Hofoper en eerste violist van het naar hem genoemde strijkkwartet. Hellmesberger en zijn collega’s waren doorkneed in dat repertoire.

De geplande eerste uitvoering op 8 december 1881 in de Hofoper moest op het laatste moment worden uitgesteld wegens een grote brand in één van de theaters aan de Wiener Ring waarbij naar schatting tegen de vierhonderd mensen om het leven kwamen.

Biografie

Juilliard Kwartet, kwartet

Het Juilliard Kwartet, in 1946 gevormd aan de Juilliard School in New York, vervult sinds die tijd een centrale rol binnen het Amerikaanse muziekleven. Het viertal treedt veelvuldig op in de Verenigde Staten, maar presenteert zich ook met regelmaat in Europa en Azië.

In Het Concertgebouw speelde het ensemble voor het eerst op 2 en 9 juli 1960: twee verschillende programma’s onder de vlag van het Holland Festival. Het Juilliard Kwartet verzorgde veel Amerikaanse premières van strijkkwartetten van bijvoorbeeld Bartók, Sjostakovitsj en Dutilleux, en brengt geregeld werken van Amerikaanse hedendaagse componisten – bijvoorbeeld Jesse Jones en Shulamit Ran – in première.

De musici maakten toonaangevende opnamen van de strijkkwartetten van Arnold Schönberg en Elliott Carter. Het huidige concertseizoen startte met de uitgave van een nieuw album met de wereldpremière van Mario Davidovsky’s Fragments, geflankeerd door kwartetten van Beethoven en Bartók.

Naast de activiteiten op het concert­podium en in de studio geeft het Juilliard Kwartet les; zo heeft het een residency aan de Juilliard School in New York en organiseert het jaarlijks het international hoog aangeschreven Juilliard String Quartet Seminar.

Tijdens hun tournees geeft het kwartet masterclasses en ’s zomers geeft het les aan het Tanglewood Music Center. Het vorige optreden van het Juilliard Kwartet in Het Concertgebouw was op 20 januari 2016, met op het programma naast Mozart en Debussy ook een Nederlandse première van de Amerikaanse componist Richard Wernick.