Jonge Nederlanders: Stephen Waarts

Stephen Waarts viool
Martin Klett piano
Beeldjutters visuals

Dit concert maakt deel uit van de serie Jonge Nederlanders.

Ook interessant:
- De koffer van Stephen Waarts

Eugène Ysaÿe (1858-1931)

Sonate in G gr.t., op. 27 nr. 5
‘Pastorale’ (1924)
voor viool solo
L’aurore
Danse rustique

George Enescu (1881-1955)

Impressions d’enfance in D gr.t., op. 28 (1940)
voor viool en piano
Ménétrier
Vieux mendiant
Ruisselet au fond du jardin
L’oiseau en cage et le coucou
    au mur
Berceuse
Grillon
Lune à travers les vitres
Vent dans la cheminée
Tempête au-dehors, dans la nuit
Lever de soleil

Karol Szymanowski (1882-1937)

Nocturne en Tarantella, op. 28,
M 30 (1915)
voor viool en piano
Nocturne: Lento assai –
    Allegretto scherzando
Tarantella: Presto appassionato –
    Meno mosso (espressivo
    ed affettuoso)

pauze ± 21.00 uur

Mario Castelnuovo-Tedesco (1895-1968)

The Lark, op. 64 (1931)
voor viool en piano

Johannes Brahms (1833-1897)

Sonate nr. 1 in G gr.t., op. 78
‘Regen’ (1879)
voor piano en viool
Vivace ma non troppo
Adagio
Allegro molto moderato

einde ± 22.10 uur

Met dank aan de begunstigers van het Fonds Hemelbestormers.

Toelichting

Eugène Ysaÿe (1858-1931)

‘Pastorale’

Door Michiel Cleij

  • Eugène Ysaÿe

Veel negentiende-eeuwse concertvirtuozen componeerden korte solostukken voor eigen gebruik. Vaak was dat meer instrumentale acrobatiek dan goede muziek, maar de Belgische vioolreus Eugène Ysaÿe schreef zes korte s die het klatergoud-niveau ontstijgen. Het idee daartoe ontstond toen hij zijn ­collega Joseph Szigeti een solosonate van Johann Sebastian Bach hoorde spelen. Met zijn eigen sonates wilde Ysaÿe een aantal eigentijdse companion pieces voor Bachs baanbrekende vioolstukken schrijven. 

De Vijfde sonate in G groot is weliswaar een virtuozenstuk, maar techniek staat hier volledig in dienst van expressie. Door de frequente dubbelgrepen en de grote contrasten in expressie, lijken er vaak meer dan één viool tegelijkertijd te klinken. Bachs erfenis is duidelijk hoorbaar, maar Ysaÿe combineert die met moderne ën en jes die citaten uit volksliedjes lijken te zijn. Het stuk staat dan ook precies op het raakvlak van de late en de nieuwe tijd: negentiende-­eeuwse ‘plaatjes’ – een zonsopkomst, een ­volksdansje – worden met eigentijdse klanken weergegeven.

George Enescu (1881-1955)

Impressions d’enfance

Door Michiel Cleij

  • George Enescu

George Enescu was een Roemeen die muziekstudies in Wenen en Parijs volgde; een kosmopoliet, dus, maar Roemeense volksmuziek bleef altijd een herkenbare kleur op zijn gevarieerde palet. Behalve componist was hij een geweldige violist; hij kreeg als tiener les van de vioolvirtuoos Henri Vieuxtemps (een gigant in zijn tijd) en werd zelf later leraar van de recentere vioolgoden Yehudi Menuhin en Arthur Grumiaux. 

Ook de Impressions d’enfance bevat Roemeense elementen, maar ze liggen niet aan de oppervlakte. Het is een in memoriam voor de violist Edouard Caudella, een vriend van de componist, en het verklankt de droomachtige, half-geïdealiseerde herinneringen aan episodes uit de vroegste jeugd. Dat Enescu’s gedachten daarheen dwaalden was niet verwonderlijk; het was 1940 en de oorlog was zojuist uitgebroken.

Het is een raadsel waarom deze stukjes nooit tot het standaardrepertoire zijn doorgedrongen. Net als de solosonates van Ysaÿe zijn ze poëtisch én halen ze alles uit het instrument – en daarin schuilt tevens de uitdaging voor violisten. De straatbeelden, het slaapkamertje en de natuurtaferelen moeten opgeroepen worden vanuit kinder­perspectief, ondanks de speeltechnische extremiteiten.

Karol Szymanowski (1882-1937)

Nocturne en Tarantella

Door Michiel Cleij

  • Karol Szymanowski

Karol Szymanowski was een van die wonderlijke out of the box-componisten die rond de vorige eeuwwisseling opstonden, qua stijl nergens bij horend, breed georiën­teerd en altijd verrassend. Net als Enescu was hij een muzikale nomade – een ontwortelde Pool, om precies te zijn. Hij groeide op in Oekraïne, waar veel van zijn (welgestelde) landgenoten zich vestigden nadat Polen rond 1800 zo ongeveer van de kaart verdween: Rusland, Oostenrijk en Pruisen hadden het land onderling verdeeld. Als twintiger probeerde hij de Poolse muziekcultuur nieuw leven in te blazen, maar het buitenland bleek een sterkere inspiratiebron. Hij reisde door het mediterrane gebied en het Midden-Oosten, waar hij zich vergaapte aan Romeinse, klassiek-Griekse en Arabische kunst. Het liet duidelijke sporen na in zijn composities. Zo haken de rijk versierde, wonderlijk geïntoneerde lijnen van de in op Arabische muziek, of doen ze op zijn minst on-­westers aan. De aansluitende Tarantella verraadt Szymanowski’s passie voor Italië, het land waar hij zowel ‘thuiskwam’ bij de mannenliefde én zich kon laven aan oude culturen.

Wat vooral opvalt is de enorme klankrijkdom die Szymanowski ontlokt aan de viool, een instrument dat hij zelf niet beheerste maar hem kennelijk wel tot experimenteren uitdaagde; zelfs een meestercomponist als Sergej Prokofjev liet zich door Szymanowski’s grensverleggende vioolstukken inspireren.

Mario Castelnuovo-Tedesco (1895-1968)

The Lark

Door Michiel Cleij

  • Mario Castelnuovo-Tedesco

De nachtegaal en de koekoek hebben het altijd goed gedaan bij componisten, maar ook de leeuwerik duikt in menige op. Hij verschijnt in een strijkkwartet van Joseph Haydn, kwinkeleert boven een heideveld in de Préludes van Claude Debussy en werd door de ­modernist Olivier Messiaen uitvergroot tot monsterachtige proporties. Kenmerkend voor de veldleeuwerik is dat hij hoog zingt en hoog vliegt, en daardoor misschien nog het fraaist kan worden geïmiteerd door een viool.

En zelfs dan is de ene leeuwerik de andere niet. Tegenover de Brits-­nostalgische plattelandsrust van Ralph Vaughan Williams’ The Lark Ascending staat The Lark van de wat modernere Italiaan Mario Castelnuovo-Tedesco, waarin de leeuwerik op een knetterende Vespa door een Romeinse volksbuurt lijkt rond te scheuren. Castelnuovo-­Tedesco schreef dit werk voor de legendarische sterviolist Jascha Heifetz.

Johannes Brahms (1833-1897)

‘Regensonate’

Door Michiel Cleij

Aan Johannes Brahms kleeft het imago van massieve, zwaarwichtige muziek in herfstige bruintinten. Maar in zijn Eerste vioolsonate in G groot, zeker in het eerste deel, toont de componist een kwiek en voorjaarsfris gezicht – al deinst hij geenszins terug voor orkes­trale effecten in de pianopartij. Het zal met de omgeving te maken hebben; Brahms componeerde de in het idyllische Pörtschach, waar hij menige zomervakantie doorbracht en steeds weer zijn aaibaarste kant toonde.

, zo bewijst dit werk, heb je in soorten en maten. Brahms was geen muzikaal sfeerschilder zoals Robert Schumann (aan wie hij zijn carrièrestart te danken had), geen podiumbeest zoals Franz Liszt en zeker geen visionair theaterman zoals Richard Wagner. Hij koos voor klassieke afstandelijkheid en droeg het hart niet op de tong. Maar dat maakt zijn muziek niet minder romantisch dan die van zijn tijdgenoten. Er zit altijd wel iets verhalends in, alleen al door de voortdurende stemmingswisselingen in elk afzonderlijk werk.

Hier is het een gedragen dat voor contrast zorgt: een duister gezang tussen twee beduidend lichtere hoekdelen. Het is een van de vele ën die Brahms componeerde met Clara Schumann in het achterhoofd, de beroemde pianiste met wie hij sinds het overlijden van haar man een innig (maar platonisch) contact onderhield. Toen zij het ­voltooide werk hoorde was ze, ironisch genoeg, juist van dit deel het minst onder de indruk.

Brahms’ melodielijnen lijken vaak dragers van een tekst te zijn, en dat geldt zeker voor het slotdeel. Terwijl zijn symfonieën altijd weer met Ludwig van Beethoven vergeleken worden neigt hij hier veeleer naar Franz Schubert, de leverancier van vele sfeervolle eren over beekjes, bossen en Wanderlust. Ditmaal is de lied-associatie concreet, want Brahms citeert hier zijn eigen eerdere Regenlied over (alweer) heimwee naar de kindertijd en jeugdige onschuld. Het verleent een subtiele melancholie aan een overwegend zonnig klinkend stuk. Vandaar ook Brahms’ eigen commentaar: ‘Om voor deze Sonate in de juiste sfeer te komen heb je enkel een mooie, zachte, regenachtige avond nodig.’

Biografie

Stephen Waarts, viool

De Nederlands-Amerikaanse violist Stephen Waarts studeerde af bij Aaron Rosand aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia en aan de Kronberg Academy bij Mihaela Martin. Hij nam deel aan het Perlman Music Program en volgde in San Francisco lessen bij Li Lin en Alexander Barantschik.

In 2013, op zijn zeventiende, won hij de Young Concert Artists International Auditions in New York en was hij laureaat van de Montreal International Competition.

In 2014 behaalde hij de eerste prijs van de Menuhin Competition, en een jaar later viel hij meervoudig in de prijzen tijdens het Koningin Elisabeth Concours in Brussel. Ook ontving hij de Avery Fisher Career Grant 2017 en de solistenprijs van het Mecklenburg-­Vorpommern Festival 2017.

Als solist werd de violist uitgenodigd door gezelschappen als het Konzert­hausorchester Berlin, het Chamber ­Orchestra of Europe, het hr-Sinfonie­orchester, het Antwerp Sym­phony ­Orchestra, het Royal Philharmonic Orchestra en het Lucerne Symphony ­Orchestra. In New York maakte hij zijn debuut met het Orchestra of St. Luke’s, en met het Armeens Staats Symfonie­orkest vertolkte hij vorig seizoen het ­Vioolconcert van Chatsjatoerjan.

Stephen Waarts treedt ook graag op als kamermusicus; met pianist Gabriele Carcano maakte hij in 2018 zijn eerste cd (Schumann en Bartók), en recent debuteerde hij in de San Francisco Performances en keerde hij terug naar de Vancouver Rec­ital Society. In Wigmore Hall in Londen speelde hij met Timothy Ridout en Marie-Elisabeth Hecker, en in de Elbphilharmonie in Hamburg met András Schiff en vrienden.

In de van Het Concertgebouw debuteerde Stephen Waarts in oktober 2019 in een strijktrio met Georgy Kovalev en Ella van Poucke.

Martin Klett, piano

Pianist Martin Klett, afkomstig uit Hamburg, speelt net zo graag klassieke pianoconcerten als kamermuziek of jazzy s met zijn duopartner Sebastian Manz (klarinet).

Het zwaartepunt van zijn repertoire ligt bij Johann Sebastian Bach, de Weense Klassieken en de Duitse , en bij de pianoconcerten van Ravel en Sjostakovitsj.

Momenteel verbreedt hij zijn muzikale horizon op het klavecimbel.

Zijn enthousiasme voor tangodansen motiveerde hem in 2008 tot de oprichting van het Cuarteto SolTango. Ook Martin Kletts discografie weerspiegelt zijn veelzijdigheid: twee klassieke solo-cd’s, vijf kamermuziekalbums en vier opnames met zijn tangokwartet.

In 2022, het tweehonderdste geboortejaar van César Franck, nam Martin Klett diens Piano­et op met het Armida Quartett. Hij is geregeld te gast op internationale festivals in heel Europa en musiceert geregeld met ARD- en ECHO-prijswinnaars.

Martin Klett maakt zijn debuut in Het Concertgebouw.