Jonge Nederlanders: Ebonit Saxofoonkwartet
Ebonit Saxofoonkwartet:
Andreas Mader sopraansaxofoon
Dineke Nauta altsaxofoon
Johannes Pfeuffer tenorsaxofoon
Paulina Marta Kulesza baritonsaxofoon
pauze ca. 21.05 uur
einde ca. 22.10 uur
Dit concert maakt deel uit van de serie Jonge Nederlanders.
'DEBUSSY 100 JAAR'
Claude Debussy 1862-1918
Rêverie (1980) (arrangement J. Pfeuffer)
oorspronkelijk voor piano solo
Leoš Janáček 1854-1928
In de mist (1912) (arrangement D. Nauta)
oorspronkelijk voor piano solo
Andante
Molto adagio
Andantino
Presto
Jean Rivier 1896-1987
Grave et Presto (1938)
voor saxofoonkwartet
Gabriel Fauré 1845-1924
Allegro
uit ‘Strijkkwartet’ (1925) (arrangement S. Müller)
Claude Debussy
Divertissement (1882) (arrangement P. Kulesza)
oorspronkelijk voor piano vierhandig
pauze
Gabriel Pierné 1863-1937
Introduction et variations sur une ronde populaire (1936)
voor saxofoonkwartet
Claude Debussy
Andantino, doucement espressif
uit ‘Strijkkwartet’ (1893) (arrangement V. David)
Maurice Ravel 1875-1937
Prélude
Fugue
Rigaudon
uit ‘Le tombeau de Couperin’ (1914-17)
(arrangement C. Enzel / J. Pfeuffer)
oorspronkelijk voor piano solo
Claude Debussy
Masques (1904) (arrangement Ebonit Saxofoonkwartet)
oorspronkelijk voor piano solo
Toelichting
De saxofoon en de klassieke muziek
tekst: Robbert-Jan Sebregts
De saxofoon behoort, ook al is het instrument van een koperlegering gemaakt, niet tot de familie van . Omdat het geluid geproduceerd wordt door een riet op het mondstuk te laten vibreren valt het instrument onder de . Het instrument mengt goed met zowel hout- als koperblazers, en is breed inzetbaar in zowel grote als kleine blazersensembles en orkesten.
Gelet op het feit dat de saxofoon al ruim 170 jaar bestaat, is het wellicht vreemd om hem te duiden als een jong instrument binnen de klassieke muziek. Sinds de Belg Adolphe Sax het patent voor de saxofoon in 1846 aanvroeg heeft het instrument aan populariteit buiten de Europese klassieke muziek weinig reden tot klagen gehad. Het is populair in de wereld van de HaFaBra [, fanfare en brassband, red.] en kan samen met de gezien worden als het gezicht van de jazz.
Ook het klassieke repertoire voor de saxofoon groeit gestaag. Maar toch: met jaloerse ogen kijken klassieke saxofonisten soms naar oudere instrumenten zoals de viool of de klarinet, instrumenten die een schijnbaar oneindig repertoire kennen en verzekerd zijn van een vaste plek in orkesten en ensembles.
Een ‘standaard ’ werd pas gebruikelijk vanaf 1928, toen de Franse saxofonist Marcel Mule een kwartet oprichtte, Le Quatuor de la Musique de la Garde Républicaine, waar componisten graag voor schreven. Sindsdien wordt de combinatie van sopraan-, alt-, tenor- en baritonsaxofoon als de algemeen geaccepteerde kamermuzieksamenstelling gehanteerd.
De relatief beknopte catalogus van muziek specifiek geschreven voor saxofoonkwartet betekent dat veel stukken gearrangeerd of bewerkt moeten worden om op vier saxofoons uitgevoerd te kunnen worden. Het voordeel daarvan is dat de arrangeur kan inspelen op de wensen en mogelijkheden van een specifiek ensemble en zo de unieke eigenschappen van zowel de saxofoon als van het desbetreffende kwartet ten volle kan benutten.
1896-1987 en 1863-1937
Rivier en Pierné
Riviers Grave et en Pierné’s Introduction et variations sur une ronde populaire werden geïnspireerd door de mogelijkheden van het . Beide werken maken volop gebruik van wat de saxofoon te bieden heeft en laten het rijke klankpalet de revue passeren.
De veelzijdigheid van het instrument komt goed naar voren, met lang aangehouden noten, razendsnelle passages, fluisterzachte klanken en schelle signalen; de saxofoon kan het allemaal. Jean Rivier deelde van 1948 tot 1962 een positie als compositieprofessor aan het Parijse conservatorium met Darius Milhaud en liet een meer dan tweehonderd titels tellend oeuvre na.
Zijn veelal neo-klassieke muziek was populair, maar werd steeds meer overschaduwd door de avant-garde van zijn meer progressieve tijdgenoten. Gabriel Pierné had van 1871 tot 1882 aan datzelfde conservatorium gestudeerd. Hij droeg de Introduction et variations, een van zijn laatste composities, op aan het van Marcel Mule. Het karakter van het volkse thema geeft de variatiereeks als vanzelf een joviale lichtvoetigheid mee.
1862-1918
Debussy
De muzikale erfenis die Claude Debussy de klassieke muziek in het algemeen en de Franse muziek in het bijzonder naliet, is zijn onbetwiste meesterschap in , experiment en orkestratie. In de Parijse kunstwereld van de late negentiende en vroege twintigste eeuw was Debussy’s muzikaal impressionisme een veelbesproken onderwerp. Een eeuw na zijn overlijden kent zijn oeuvre nog steeds een centrale plek in de klassieke .
Debussy keerde zich graag tegen de gevestigde orde. Alhoewel van bescheiden komaf – zijn vader was servieshandelaar en zijn moeder naaister – hielpen zijn compositorische en pianistische talenten hem al op vroege leeftijd omhoog te klimmen in het Franse muziekleven. Verschillende compositiewedstrijden en studiebeurzen liepen echter dramatisch af voor de jonge Claude, vanwege zijn neiging om compositie-opdrachten naar zijn eigen hand te zetten.
Debussy ontpopte zich na zijn studietijd tot een compositorische spons. Zo leerde hij onder meer van Wagner de gebruikelijke functies van de tonaliteit los te laten. Tijdens de Wereldtentoonstelling van 1889 kwam hij in aanraking met Javaanse gamelanmuziek, die hem op het spoor bracht van pentatonische en heletoons-toonladders.
Het loslaten van de traditionele muzikale structuren en conventies voelt bij Debussy nooit geforceerd, hij neemt de luisteraar mee op avontuur in een zorgvuldig samengestelde muzikale wereld. Meermaals nam Debussy de saxofoon op in zijn orkestbezettingen, en hij schreef ook een Rapsodie voor saxofoon en piano (na zijn overlijden georkestreerd door Jean Roger-Ducasse).
Kamermuziek voor saxofoon(s) liet hij niet na, al is bekend dat hij zeer geïnteresseerd was in de klankmogelijkheden van het instrument. Maar zijn sferische muziek voor piano of strijkkwartet blijkt geregeld dankbaar basismateriaal voor arrangeurs.
1854-1928
Janáček
De kunst van het muzikaal verwerken van verschillende externe invloeden werd ook door Leoš Janáček goed verstaan. De inspiratie voor zijn compositiestijl vond Janáček zowel dicht bij zichzelf, in de volkscultuur van zijn thuisland Bohemen (in het huidige Tsjechië), als verder weg, in de avant-garde van de West-Europese klassieke muziek.
Het voor de luisteraar vervreemdende In de mist geeft een impressie van de manier waarop Janáček die twee werelden in zijn kamermuziek combineerde. Iedere stuurt de luisteraar over onverwachte paden, waardoor de muzikale mist steeds dichter lijkt te worden en vol verrassingen blijft.
De titel leverde de componist overigens pas jaren later, toen zijn uitgever het vierdelige werk ging drukken; hij roept associaties op met Brouillards, een pianoprelude uit 1911/12 van Debussy.
1845-1924
Fauré
Gabriel Fauré werd in 1903 al door Maurice Ravel, een van zijn vele vooraanstaande leerlingen, aangemoedigd om een strijkkwartet te schrijven. In scherp contrast met de generatie componisten die hij als docent aan het Parijse conservatorium opleidde, ging Fauré gebukt onder het verleden.
Ruim twintig jaar lang waagde hij zich niet aan het genre dat in zijn ogen al door Ludwig van Beethoven was geperfectioneerd. In september 1924 leverde Fauré toch zijn uitmuntende bijdrage aan het genre, twee maanden later overleed hij.
1875-1937
Ravel
Waar Debussy zichzelf met zijn muziek leek af te keren van de grimmige werkelijkheid, keek Maurice Ravel deze juist recht in de ogen. Het lichte karakter van Le de Couperin steekt dan ook kil af tegen de achtergrond van het stuk. Elk deel van de Tombeau droeg Ravel namelijk op aan een van zijn vrienden die sneuvelden in de Eerste Wereldoorlog.
Tegelijkertijd geldt Le de Couperin als een muzikale ode aan de Franse muziek. De oorspronkelijke pianoversie is een moderne variant van de traditionele baroksuite. De muzikale invloeden van Ravel, waaronder zijn fascinatie voor jazz en de klanken van zijn Baskische moederland, klinken erin door.
Biografie
Ebonit Saxofoonkwartet
Het Ebonit werd in 2011 opgericht aan het Conservatorium van Amsterdam en is vernoemd naar het materiaal waarvan een saxofoonmondstuk wordt gemaakt. De vier saxofonisten, afkomstig uit Polen, Duitsland en Nederland, maakten deel uit van de klas van Arno Bornkamp.
Gezamenlijk voltooiden ze het masterprogramma van de Nederlandse StrijkKwartet Academie bij violist Marc Danel, cellist Stefan Metz en altviolist Sven Arne Tepl. Masterclasses volgde het kwartet bij bijvoorbeeld Eberhard Feltz, Gerhard Schulz, het Belcea Kwartet, het Kronos Kwartet en het Franse Habanera Saxofoonkwartet.
Het Ebonit verwierf in de afgelopen jaren snel bekendheid en viel onder meer in de prijzen tijdens het Orlando Concours (2016), het Storioni Concours (2016) en het Who’s Next Kamermuziekconcours in Almere (2015). Ook was het kwartet laureaat van Dutch Classical Talent 2016/17.
Inmiddels gaf het Ebonit Saxofoonkwartet acte de présence op tal van Nederlandse podia, waaronder TivoliVredenburg in Utrecht en het Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam. Over de grens concerteerde de groep op onder meer het World Saxophone Congress in Schotland en de Würzburger Bachtage.
De debuut-cd The Last Words of Christ (2016) met muziek van Haydn, Webern, Sibelius en Sjostakovitsj werd genomineerd voor een Edison Klassiek in de categorie ‘Het debuut’. In de was het Ebonit Saxofoonkwartet eerder te beluisteren in de finale van het Nederlands Conservatorium Concours 2014 en in een Lunchconcert in 2016, maar ook afgelopen april met de muziekvoorstelling voor kinderen Het strijkkwartet van Meneer Sax.
