JONATHAN BISS IN ELGARS ‘LATE STYLE’ PIANOKWINTET
Kamermuziek 20.15 uur
Brentano Kwartet:
Serena Canin viool
Mark Steinberg viool
Misha Amory altviool
Nina Lee cello
Hélène Clément altviool
Jonathan Biss piano
Johann Sebastian Bach 1685-1750
Contrapunctus I
Contrapunctus VII
Contrapunctus XI
uit ‘Die Kunst der Fuge’,
BWV 1080 (1745-50)
voor strijkkwartet
Edward Elgar 1857-1934
Pianokwintet in a kl.t., op. 84 (1919)
Moderato – Allegro
Adagio
Andante – Allegro
pauze
Carlo Gesualdo 1561-1613
Deh, come invan sospiro (1611)
Belta, poi che t’assenti (1611)
Resta di darmi noia (1611)
Gia piansi nel dolore (1611)
Moro, lasso (1611)
oorspronkelijk voor vijf stemmen; bewerking voor strijkkwintet door het Brentano Kwartet
Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791
Strijkkwintet in Es gr.t.,
KV 614 (1791) ‘Vogel’
Allegro di molto
Andante
Menuetto: Allegretto
Allegro
begin van de pauze ca. 21.10 uur
einde van het concert ca. 22.25 uur
Toelichting
Johann Sebastian Bach 1685-1750
Die Kunst der Fuge
Tekst: Axel Meijer
Het werk is niet af en er staat niet eens bij voor welk instrument of ensemble het is geschreven. Sterker nog: er is lange tijd over gediscussieerd of het überhaupt wel de bedoeling was de compositie uit te voeren. Toch is het een van de beroemdste, haast mythische werken uit de muziekgeschiedenis: Johann Sebastian Bachs Die Kunst der Fuge.
Wat we zeker weten is dat Bach tot kort voor zijn dood heeft geprobeerd deze verzameling van veertien ’s en vier s gereed te krijgen voor publicatie. Daarmee heeft ze, bedoeld of onbedoeld, de status gekregen van een muzikaal testament: Bach laat nog één keer zien hoezeer hij de strenge regels van de meerstemmigheid beheerst, door terug te grijpen op de indertijd rap uit de mode rakende vorm van de fuga.
Die Kunst der Fuge is inderdaad een catalogus van vakmanschap. Bach biedt niet alleen ‘gewone’ fuga’s, op één hoofdthema, maar ook fuga’s waarin hij het op de kop zet, spiegelt, vertraagt, versnelt of op nog weer andere manieren varieert. Daarnaast bevat de bundel fuga’s met twee of drie thema’s, en canons.
Wat bijdraagt aan de mythe is dat Bachs handschrift in de veertiende plots afbreekt. Dat gebeurt halverwege de pagina, als Bach net zijn eigen naam als tegenmelodie heeft geïntroduceerd (in noten: bes-a-c-b). Daarna staat er in het handschrift van Bachs zoon Carl Philipp Emanuel: ‘Waar in deze fuga de naam BACH […] is ingebracht, is de componist gestorven.’
Een mooi, aangrijpend verhaal, maar waarschijnlijk niet waar: tegen de tijd dat Bach overleed in 1750, had hij twee beroertes en een mislukte oogoperatie achter de rug. Het handschrift van de fuga, duidelijk van Bach, is voor die omstandigheden veel te netjes. Het lijkt erop dat Carl Philipp met zijn dramatische bewering geprobeerd heeft de postume verkoop van het werk een zetje te geven – overigens zonder succes.
Waarom is die laatste fuga dan niet af? Misschien is een voltooide versie, in een ander manuscript, verloren gegaan. Een andere theorie is dat Bach de fuga opzettelijk onaf heeft gelaten – een uitnodiging aan anderen om het werk te voltooien, als een muzikaal raadsel. En tenzij ooit nog een handschrift met een voltooiing van Bachs hand opduikt, zal het wel altijd een raadsel blijven.
Edward Elgar 1857-1934
Pianokwintet
Door Axel Meijer
Edward Elgar schreef zijn laatste kamermuziekwerk al zo’n vijftien jaar voor zijn dood, op zijn 61ste: het Pianokwintet in a klein, 84. De sfeer van het werk is wel omschreven als spookachtig, ook door Elgar zelf. Die zou zich hebben laten inspireren door de legende over een bosje in de buurt van zijn buitenhuis in Sussex – de bomen zouden de zielen herbergen van boosaardige Spaanse monniken die waren getroffen door de bliksem.
Wat vooral opvalt is dat de toon zo afwijkt van Elgars gebruikelijke idioom; in plaats van de ‘Edwardiaanse’, soms wat sentimentele melancholie, klinken hier, in de woorden van Elgars tijdgenoot en recensent Harry Colles, een ‘brede ruimtelijkheid en een mannelijkheid (!) in door, die nooit eerder zo duidelijk in zijn werk te horen waren.’
In het tweede deel, het hart van het werk, hoort Colles een echo van Elgars beroemde Enigmavariaties, met name de Nimrod-.
Geroemd is de efficiënte spaarzaamheid van het et: zo hergebruikt Elgar in het derde deel veel materiaal uit de opening van het werk, waardoor het een strak afgerond geheel vormt. Ondanks al zijn kwaliteiten heeft het enkele decennia geduurd voordat het kwintet een vaste plaats op de repertoirelijst wist te veroveren. Inmiddels is het daar moeilijk meer van weg te denken.
Carlo Gesualdo 1561-1613
Madrigalen
Tekst: Mark Steinberg; vertaling en bewerking: Lonneke Tausch
De levensloop van Don Carlo Gesualdo, Prins van Venosa, maakt nieuwsgierig naar zijn muziek – hij vermoordde niet alleen zijn eerste vrouw en haar minnaar toen hij ze op heterdaad betrapte, maar waarschijnlijk ook (vanwege zijn twijfel of hij wel de vader was) zijn tweede zoon.
Zijn psychologische profiel biedt stof tot nadenken, maar hoe hij ook tot zijn expressieve en krachtige composities kwam: Gesualdo, edelman in de late Renaissance, was in onder meer en ritmische inventiviteit zijn tijd ver vooruit.
Op het middeleeuwse model van het toonde hij door middel van overdrijving van kleuren, verhoudingen, contrasten en onderbrekingen een geheel eigen visie, zijn madrigalen onthullen een diepere emotionele waarheid. Hierin sloot hij aan bij het maniërisme; denk bijvoorbeeld ook aan de uitgerekte figuren van El Greco.
Aldous Huxley omschreef Gesualdo’s madrigalen, toen hij er onder de invloed van mescaline naar luisterde, als ‘a kind of bridge back to the human world’ (The Doors of Perception, 1954). Huxley vervolgt over ‘the mad prince’s compositions’: ‘Through the uneven phrases of the madrigals, the music pursued its course, never sticking to the same key for two bars together.
In Gesualdo […] psychological disintegration had exaggerated, had pushed to the extreme limit, a tendency inherent in modal as opposed to fully tonal music. […] The whole is disorganized. But each individual fragment is in order, is a representative of a Higher Order. […] So in a certain sense disintegration may have its advantages. But of course it’s dangerous, horribly dangerous. Suppose you couldn’t get back, out of the chaos…’ Aldus Huxley.
Het innemen van mescaline is wat ongebruikelijk in de setting van een openbaar concert, maar bij de luisteraar die ervoor openstaat kan Gesualdo’s muziek een enigszins vergelijkbare geestestoestand oproepen. In de in totaal 23 madrigalen van Gesualdo’s laatste bundel, Boek VI (1611), bereiken de zo karakteristieke emotionele momenten soms een zo grote dichtheid dat chaos dreigt.
Het Brentano Kwartet presenteert met gastaltiste Hélène Clément vijf madrigalen uit dit laatste boek in een instrumentale versie; ook in Gesualdo’s tijd werden zijn madrigalen wel op deze wijze uitgevoerd, bijvoorbeeld in de context van een theatervoorstelling.
Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791
Strijkkwintet 'vogel'
Tekst: Axel Meijer
Dat Bachs muziek in de halve eeuw na zijn dood niet in de vergetelheid raakte is voor een groot deel te danken aan de Nederlandse baron Gottfried van Swieten. Deze leerling van een leerling van Bach was diplomaat en hofbibliothecaris te Wenen.
Daar bracht hij Wolfgang Amadeus Mozart in aanraking met de muziek van de oude meester. De invloed daarvan is goed te horen in het Strijkkwintet in Es groot, KV 614, dat dateert van acht maanden voor Mozarts dood. Het is het laatste stuk kamermuziek dat Mozart schreef. Bachs invloed is vooral te horen in het eerste en in het vierde deel, waar de middenstemmen – Mozart versterkt het strijkkwartet met een extra – een opvallend zelfstandige rol hebben.
Mozart combineert die meerstemmigheid met een bijna Haydneske opgewektheid. De bijnaam ‘Vogelkwintet’ is gebaseerd op het kwinkelerende spel in het di molto.
Mozart-biograaf Alfred Einstein hoort in het ‘bijna het tweede deel van een pianoconcert, maar dan in een kamermuziekvariant: brille, vakmanschap, berusting, en plezier in het scheppen komen allemaal samen.’
De invloed van Haydn is misschien het sterkst in het . Heel passend, vindt de grote muziekauteur Charles Rosen, dat Mozart in zijn laatste grote werk voor kleine bezetting eer betoont aan de vader van de kamermuziek.
Biografie
Brentano Quartet, kwartet
Het Brentano Quartet werd in 1992 opgericht door vier studenten van de Juilliard School of Music in New York en is vernoemd naar Antonie Brentano, de vermoedelijke ‘onsterfelijke geliefde’ van Ludwig van Beethoven. In 1995 won het kwartet zowel de Cleveland Quartet Award als de Naumburg Chamber Music Award, en in 1997 speelde het voor het eerst in Europa.
Inmiddels gaf het Brentano Quartet wereldwijd concerten in belangrijke zalen als Carnegie Hall in New York, de Library of Congress in Washington, het Wiener Konzerthaus, Suntory Hall in Tokio en het Sydney House en op de festivals van Aspen, Edinburgh, Kuhmo en Seoul.
Het viertal heeft een voorliefde voor zowel oude muziek als kersverse composities; het maakt eigen arrangementen van werken van Josquin des Prez, Gesualdo, Monteverdi en Purcell en gaf compositieopdrachten aan onder anderen Steven Mackey, Vijay Iyer, Charles Wuorinen, Lei Liang, Melinda Wagner en James McMillan.
Het Brentano Quartet speelde kamermuziek in grotere bezetting met sopraan Jessye Norman, mezzosopraan Joyce DiDonato en de pianisten Jonathan Biss, Richard Goode en Mitsuko Uchida. Een opname van Beethovens 131 kwam terecht in de soundtrack van de film A Late Quartet (2012).
Sinds 2014 bekleedt het kwartet een residency aan de Yale School of Music, na een eerdere verbintenis van vijftien jaar met Princeton University. In Het Concertgebouw was het Brentano Quartet voor het laatst te gast in januari 2019, met een programma m klaagzangen.
Hélène Clément, altviool
De Franse altvioliste Hélène Clément studeerde bij Jean Sulem, Hariolf Schlichtig en Tabea Zimmermann. Prijzen won ze onder meer tijdens de Tokyo International Viola Competition 2012, het Coucours National des Jeunes Altistes in Bordeaux en het Wettbewerb des Kulturkreis Gasteig in München.
Sinds seizoen 2013/14 is Hélène Clément de altvioliste van het Doric Kwartet en als lid van dat ensemble was ze in januari 2014 en oktober 2015 te gast in de van Het Concertgebouw.
In andere kamermuziekcombinaties speelde Hélène Clément in onder meer Londen (Queen Elizabeth Hall en Wigmore Hall), Philadelphia, Boston en Parijs (Salle Gaveau, Salle Cortot, Cité de la Musique). Ze betrad het kamermuziekpodium met collega’s als Nicolas Altstaedt, Richard Goode, Alina Ibragimova, Marie-Elisabeth Hecker en Mitsuko Uchida.
Hélène Clément bespeelt een instrument dat in 2008 is gebouwd door Stephan von Baehr.
Jonathan Biss, piano
Recentelijk werd Jonathan Biss benoemd tot co-artistiek leider – naast Mitsuko Uchida – van het Marlboro Music Festival. De pianist groeide op in een muzikale familie in Bloomington, Indiana: zijn ouders zijn beiden violist en aan zijn grootmoeder, celliste Raya Garbousova, droeg Barber zijn concert op.
Jonathan Biss studeerde bij Evelyne Brancart aan Indiana University en bij Leon Fleisher aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia (waar hij zelf sinds 2010 lesgeeft). In 2000 maakte de jonge musicus zijn debuut in New York en in 2001 debuteerde hij onder leiding van Kurt Masur bij de New York Philharmonic.
Een jaar later werd hij geselecteerd voor het BBC New Generation Artists Scheme. Jonathan Biss soleerde bijvoorbeeld bij het Koninklijk Concertgebouworkest, het Gewandhausorchester Leipzig, het Boedapest Festival Orkest en de orkesten van Cleveland, Boston en Chicago.
In Beethovenjaar 2020 zal hij zijn cd-cyclus van Beethovens complete pianosonates voltooien. Met zijn onlinecursus Exploring Beethoven’s Piano Sonatas bereikte Jonathan Biss meer dan 150.000 mensen in 185 landen. Bovendien initieerde hij het project Beethoven/5: opdrachten aan Timo Andres, Sally Beamish, Salvatore Sciarrino, Caroline Shaw en Brett Dean om nieuw werk te componeren, geïnspireerd door een pianoconcert van Beethoven.
Jonathan Biss is geregeld te gast in de , voor het laatst met een solo in maart 2017.


