Jean-Guihen Queyras: alle Cellosuites van Bach

Jean-Guihen Queyras cello

Johann Sebastian Bach (1685-1750)

Eerste suite in G gr.t., BWV 1007 (ca. 1720)
Prélude
Allemande
Courante
Sarabande
Menuet I
Menuet II
Gigue

Tweede suite in d kl.t., BWV 1008 (ca. 1720)
Prélude
Allemande
Courante
Sarabande
Menuet I
Menuet II
Gigue

Derde suite in C gr.t., BWV 1009 (ca. 1720)

Prélude
Allemande
Courante
Sarabande
Bourrée I
Bourrée II
Gigue

pauze (± 20.30 uur)

Vierde suite in Es gr.t., BWV 1010 (ca. 1720)
Prélude
Allemande
Courante
Sarabande
Bourrée I
Bourrée II
Gigue

Vijfde suite in c kl.t., BWV 1011 (ca. 1720)
Prélude
Allemande
Courante
Sarabande
Gavotte I
Gavotte II
Gigue

Zesde suite in D gr.t., BWV 1012 (ca. 1720)
Prélude
Allemande
Courante
Sarabande
Gavotte I
Gavotte II
Gigue

einde (± 22.10 uur)

Toelichting

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Bach: Cellosuites

Door Noortje Zanen

Geen cellist kan buiten de suites van Johann Sebastian Bach. Het zijn misschien wel de belangrijkste stukken die ooit voor cello zijn gecomponeerd. Niet alleen omdat Bach een van de eerste componisten was die zulke uitdagende en intrigerende werken schreef voor cello solo, maar vooral omdat de s van een universele schoonheid zijn.

Tot op de dag van vandaag inspireert deze muziek cellisten tot het vervolmaken van hun techniek om zo de unieke, rijke klankwereld van Bach tevoorschijn te kunnen halen. En hoewel de suites bijna drie eeuwen oud zijn hebben ze niets ingeboet aan diepzinnigheid en zeggingskracht. Jean-Guihen Queyras bracht ze op cd uit in 2007 en blijft ze wereldwijd uitvoeren, vandaag voor het eerst in Het Concertgebouw. 

Hofkapel in Köthen 

Bach schreef de zes Cellosuites zeer waarschijnlijk tussen 1717 en 1723, de jaren waarin hij werkzaam was aan het hof van prins Leopold van Anhalt-Köthen. Omdat de prins, in de woorden van Bach zelf, ‘een muziekliefhebber én een muziekkenner was’ vonden er veel muzikale activiteiten plaats. De hofkapel hoefde in het calvinistische Köthen bovendien veel minder vaak kerkdiensten te begeleiden dan in de Lutherse steden.

Bach had dus alle tijd om nieuwe instrumentale muziek te componeren en uit te voeren samen met de uitmuntende musici van de hofkapel, waarmee hij wekelijks repeteerde. Behalve de suites ontstonden in deze periode vermoedelijk ook de s en ’s voor viool solo, de Brandenburgse concerten, de Franse s en Das wohltemperirte Clavier.

De suites

Geheel volgens de traditie in de tijd van Bach bestaat elke suite uit een verzameling dansen: Prélude, Allemande, Courante, Sarabande, twee ten (of Bourrées of Gavottes) en een afsluitende Gigue. Deze gestileerde dansen zijn bij Bach allerminst populaire danswijsjes. Hij toont zijn meesterschap in variatiekunst met een bijna onuitputtelijke overvloed aan onverwachte melodische, harmonische en ritmische invallen en (vaak ten dele slechts gesuggereerde)

De Eerste suite in G groot is misschien wel het bekendst. De opvallende, steeds weer herhaalde ’s trekken onmiddellijk de aandacht. Na de betoverende Prélude volgen vijf dansen die alle refereren aan het eerste deel. De volgende twee suites zijn heel verschillend van karakter: de Tweede suite in d klein is melancholiek en introvert, terwijl de Derde suite in C groot juist heel stralend en majestueus klinkt.

De Vierde suite staat in Es groot, voor de cello een moeilijke , waardoor het karakter wat zwaarmoediger is, bijvoorbeeld in de mysterieuze Prélude en de geleerde Sarabande. Voor de donkere Vijfde suite in c klein wordt van de cellist gevraagd om de hoogste snaar een toon lager te stemmen (scordatura). De Zesde suite in D groot is het meest uitzonderlijk, want Bach schreef hem voor een speciale cello.

Welk instrument Bach precies in gedachten heeft gehad is niet helemaal zeker, maar vermoedelijk gaat het om een violoncello : een instrument met een kleinere klankkast dan een gewone cello en met een vijfde snaar, waardoor het een hoger bereik heeft. Een cello met een bijzondere , meerdere keren door Bach gebruikt in s om de muziek een troostend en weldadig karakter te geven.

Net zoals Jean-Guihen Queyras kiezen veel cellisten ervoor om de Zesde suite op een gewone viersnarige cello te spelen. Dat levert een extra technische uitdaging op, omdat de hoogste noten van deze compositie op een gewone cello extreem hoog liggen. De muziek klinkt dan al snel , terwijl het karakter van deze suite eerder vreedzaam en liefdevol is.

Biografie

Jean-Guihen Queyras, cello

Jean-Guihen Queyras begon zijn carrière als lid van Pierre Boulez’ Ensemble intercontemporain en van het ensemble Musica Antiqua Köln. en op oude en hedendaagse muziek kenmerken ook zijn repertoire als solist en kamermusicus. Zijn opnamen van Bachs ­s werden bekroond met onder meer een Diapason d’Or en een CHOC du Monde.

De Frans-Canadese cellist treedt op met oudemuziekgroepen als het Freiburger Barockorchester, de Akademie für Alte Musik Berlin en Concerto Köln

 In nieuwer werk soleerde hij bij bijvoorbeeld het London Philharmonic Orchestra, het Budapest Festival Orchestra, het Orchestre de Paris, het NHK Symphony Orchestra Tokyo en The Philadelphia Orchestra. In Nederland is hij bekend van velerlei kamermuziek in de en van optredens met Amsterdam Sinfonietta, het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Radio Filharmonisch Orkest en was hij artist in residence van de Amsterdamse Biënnale 2022.

Jean-Guihen Queyras verzorgde premières en opnames van verschillende hedendaagse ­cellowerken. Met Tabea Zimmermann, Antje Weithaas en Daniel Sepec vormt hij het Arcanto Kwartet. Onder zijn kamermuziekpartners zijn ook de pianisten Alexander Melnikov en Alexandre Tharaud en violiste Isabelle Faust. Jean-Guihen Queyras is docent aan de Musikhochschule in Freiburg en artistiek leider van het festival Rencontres Musicales de Haute-Provence.

Hij soleert voor het eerst bij het Concertgebouworkest.