Janine's Bach Festival: Janine Jansen & Friends met sonates
Janine Jansen viool
Timothy Ridout altviool
Daniel Blendulf cello
Jan Jansen klavecimbel
Dit concert maakt deel uit van Janine’s Bach Festival.
Ook interessant:
- 'Wat zit er in de koffer van Janine Jansen?'
- Bachs leven in kaart
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Sonate nr. 1 in g kl.t., BWV 1001 (1720)
voor viool solo
Adagio
Fuga: Allegro
Siciliano
Presto
Sonate in G gr.t., BWV 1027 (1741)
voor viool, altviool en basso continuo; oorspronkelijk voor viola da gamba en klavecimbel
Adagio
Allegro ma non tanto
Andante
Allegro moderato
pauze ± 20.55 uur
Sonate in e kl.t., BWV 1023 (1723?)
voor viool en basso continuo
Allegro
Adagio ma non tanto
Allemande
Gigue
Sonate in g kl.t., BWV 1020 (jaartal onbekend)
voor klavecimbel en viool (of fluit)
Allegro
Adagio
Allegro
Triosonate nr. 5 in C gr.t.,
BWV 529 (1730)
voor viool, altviool en basso continuo; oorspronkelijk voor orgel
Allegro
Largo
Allegro
einde ± 22.10 uur
Dit concert wordt mede mogelijk gemaakt door Evi van Lanschot.
Toelichting
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Sonate voor soloviool
Door Frits Vliegenthart
Toen Johann Sebastian Bach van 1717 tot 1723 kapelmeester was aan het muziekminnende hof van Leopold von Anhalt-Köthen, verlangde zijn werkgever van hem voornamelijk instrumentale muziek, waaronder veel kamermuziek. Niet alleen speelde de prins zelf verdienstelijk viola da gamba, zijn kapel bestond uit zestien voortreffelijke musici, van wie we zelfs de namen kennen. Zo was een van hen de gambist en violist Christian Ferdinand Abel, een vriend van de componist.
‘In zijn jeugd en ook nog op latere leeftijd bespeelde hij de viool zuiver en krachtig,’ vertelde Bachs zoon Carl Philipp Emanuel over zijn vader. De drie s en drie ’s BWV 1001-1006 voor viool solo zijn ontstaan in Köthen. Heeft Bach ze daar zelf gespeeld, of was het Abel? Een intrigerende vraag, maar we zullen het waarschijnlijk nooit weten. Een zeer duidelijk leesbaar en beeldschoon handschrift van deze ‘Sei Solo à Violino senza Basso accompagnato’, dat in 1890 plotseling opdook, vermeldt het jaartal 1720.
Het genre was niet nieuw – een illustere voorganger was bijvoorbeeld de Bohemer Heinrich Ignaz Franz von Biber –, wel verkende Bach de grenzen van het instrument tot het uiterste: één enkele virtuoze speler kan op slechts vier snaren een rijke meerstemmigheid realiseren, of op geraffineerde wijze suggereren. We kunnen ons nu moeilijk voorstellen dat negentiende-eeuwse oprechte Bach-bewonderaars als Felix Mendelssohn en Robert Schumann het nodig vonden om er pianobegeleidingen bij te maken. Schumann deed dat zelfs voor álle zes vioolsolo’s (en overigens ook voor de zes suites)!
De Sonate nr 1 in g klein, BWV 1001 volgt het stramien van de kerksonate: vier delen (langzaam-snel-langzaam-snel), zonder dansvormen. Het tweede deel, een driestemmige met als tempo-aanduiding , vormt door zijn omvang en monumentaliteit het hoogtepunt.
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Sonate in G groot
Door Frits Vliegenthart
Hoeveel musici zijn er nodig om een ke sonate te spelen? Nee, dit is geen flauwe grap: drie, zou je logischerwijs zeggen, maar het kunnen er ook vier of twee zijn – of zelfs één. De term ‘trio’ duidt in dit verband op een structuur van drie gelijkwaardige stemmen, niet zozeer op het aantal spelers. Zo wordt een triosonate voor twee -instrumenten met vaak door vier personen gespeeld, waarbij de baslijn wordt ingevuld door een laag strijkinstrument plus klavecimbel, luit of . En een organist kan in zijn eentje een triosonate tot klinken brengen op twee manualen en pedaal.
De in G groot, BWV 1027 horen we in dit programma met viool, en basso continuo. Ze is mogelijk gebaseerd op een oerversie voor twee fluiten en basso continuo. De combinatie van melodische elegantie met polyfone diepgang is een bron van vreugde voor spelers en luisteraars.
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Twee vioolsonates
Door Frits Vliegenthart
De in e klein, BWV 1023 en die in g klein, BWV 1020 zijn overgeleverd voor viool en becijferde bas, respectievelijk klavecimbel, dat wil zeggen met een uitgeschreven klavecimbelpartij. BWV 1023 is een zogenaamde ‘sonata da camera’, want ze bevat na twee ‘neutrale’ delen die in een kerksonate zouden passen ook twee dansen (Allemande en Gigue). BWV 1020 volgt de vorm van een soloconcert naar Italiaanse snit: snel-langzaam-snel. Over BWV 1023, doorgaans geplaatst in 1723, wordt ook wel gesuggereerd dat het dateert uit Bachs periode in Weimar, dus uit de jaren 1714-1717.
Met BWV 1020 is nog iets bijzonders aan de hand: ten eerste schrijven velen – onder wie Wolfgang Schmieder in zijn Bach-Werke-Verzeichnis – deze sonate toe aan zoon Carl Philipp Emanuel, op basis van een thematische catalogus van diens werken uit 1763 en vanwege de galante stijl. Andere auteurs zien hier vader Bach als uitvinder van de sonate met obligaat klavecimbel. Ten tweede zou het oorspronkelijke -instrument vanuit de speeltechniek bekeken net zo goed een fluit als een viool geweest kunnen zijn, want dubbelgrepen komen er niet in voor en de g-snaar wordt niet gebruikt.
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Triosonate in C groot
Door Frits Vliegenthart
‘Hij bespeelde de pedalen sneller met zijn voeten dan anderen de toetsen met hun vingers’: zo luidde de reputatie van Bach als virtuoos. Niet alleen als uitvoerend componist voor dat instrument, ook als pedagoog was hij van grote betekenis. Zes sonates, BWV 525-530, geschreven te Leipzig in de jaren 1720, dienden zijn zoon Wilhelm Friedemann als uiterst plezierige oefenstukken. De eerste vier gaan volgens Bach-expert Christoph Wolff terug op oudere kamermuziekwerken, terwijl de nrs. 5 en 6 (BWV 529 en BWV 530) rechtstreeks voor orgel zouden zijn gecreëerd. Niettemin hebben ook die laatste twee een kamermuziekachtig karakter, onder meer door de gelijkwaardigheid van de stemmen, die zich voortdurend in een levendig gesprek met elkaar bezighouden, en door de subtiele fraseringen. De opzet van de Triosonate in C groot, BWV 529 is die van een Italiaans concerto. Het is speels, het Largo als een ; in het afsluitende Allegro speelt de bas een stuwende rol in het uitwerken van de ’s. Misschien heeft er toch een kamermuziekversie ten grondslag gelegen aan dit orgelwerk... dus waarom niet de omgekeerde weg bewandelen en kiezen voor viool, en continuo?
Biografie
Janine Jansen, viool
In oktober 1999 stond Janine Jansen in de als Rising Star en in mei 2000 in de serie Jonge Nederlanders. In 2003 verscheen haar debuut-cd, richtte ze haar Internationaal Kamermuziek Festival Utrecht op én won ze de Nederlandse Muziekprijs. Het jaar erop maakte ze een dubbel debuut bij het Concertgebouworkest, waar ze meermaals terugkeerde en in 2020/2021 artist in residence was.
Die positie heeft ze in het huidige seizoen bij de Berliner Philharmoniker. Het Swedish Radio Symphony Orchestra presenteert haar dit seizoen bovendien als ‘artist in focus’. Seizoen 2025/2026 behelst ook tournees met het Concertgebouworkest en Klaus Mäkelä, met het London Symphony Orchestra en Antonio Pappano en met het Tonhalle-Orchester Zürich en Paavo Järvi, en met de Camerata Salzburg reisde Janine Jansen naar Azië.
recitals met Martha Argerich en Mischa Maisky zijn er dit seizoen in Wenen, Luzern en Tokio, en duorecitals met Denis Kozhukhin of Sunwook Kim in Azië en Europa. Janine Jansen kreeg onder meer de Concertgebouw Prijs (2013) en de Johannes Vermeer Prijs (2018). Ze groeide op in een muzikaal gezin, studeerde bij Coosje Wijzenbeek, Philipp Hirshhorn en Boris Belkin en geeft sinds november 2023 les aan de Kronberg Academy.
De violiste bespeelt de ‘Shumsky-Rode’-Stradivarius uit 1715. Haar vorige optreden in de Eigen Programmering was op 11 september 2024 De vier jaargetijden van Vivaldi met Amsterdam Sinfonietta, en op 14 augustus 2025 stond ze samen met het Concertgebouworkest en Klaus Mäkelä voor het laatst in de .
Timothy Ridout, altviool
Timothy Ridout studeerde aan de Royal Academy of Music in zijn geboorteplaats Londen en behaalde zijn master aan de Kronberg Academy bij Nobuko Imai. Hij was BBC New Generation Artist, kreeg een Borletti-Buitoni Trust Fellowship 2020 en won de Royal Philharmonic Society Young Artist Award 2023.
Hij soleerde bij verschillende BBC-orkesten, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Tonhalle-Orchester Zürich, het Chamber Orchestra of Europe, de Camerata Salzburg en het Nederlands Kamerorkest.
Hoogtepunten van het vorige seizoen waren de wereldpremière van Mark Simpsons Hold your Heart in your Teeth met het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin, Bartóks concert in Luik, Genève, Tenerife en Taipei en Waltons Altvioolconcert met het Tokyo Symphony Orchestra.
Timothy Ridout behoort tot de ‘Jungte Wilde’ van het Konzerthaus Dortmund en heeft dit jaar een residency op het Ryedale Festival. Kamermuziek speelt hij met partners als Janine Jansen ( maart 2024), Isabelle Faust, Kian Soltani (Kleine Zaal december 2023), Denis Kozhukhin, Benjamin Grosvenor en de Chamber Music Society of Lincoln Center New York.
Met Tim Posner en Tim Crawford vormt hij het Teyber , dat in de zomer van 2024 debuteerde in de Kleine Zaal met Bachs Goldberg-variaties in een bewerking voor strijktrio. Timothy Ridout bespeelt een instrument van Peregrino di Zanetto (ca. 1565-75).
Daniel Blendulf, cello
Daniel Blendulf, partner van Janine Jansen, is en cellist. Hij speelde één keer eerder in de , in april 2006, toen hij in het kader van het Rising Stars-programma van de European Concert Hall Organisation langs de voornaamste kamermuziekpodia van Europa tourde.
De Zweedse musicus studeerde bij Torleif Thedéen in Stockholm en bij Heinrich Schiff in Wenen.
Als solist werkte hij met en als Gustavo Dudamel, Jesús López Cobos en Andrew Manze, hij maakte deel uit van het Zkvartett String Quartet, en was orkestlid in het Mahler Chamber Orchestra en Claudio Abbado’s Lucerne Festival Orchestra.
Op de festivals van bijvoorbeeld Schleswig-Holstein en Sion speelde hij kamermuziek met collega’s als Amihai Grosz, Janine Jansen en Denis Kozhukhin. Daniel Blendulf was een tijdlang chef-dirigent van Dalasinfoniettan, een kamerorkest in de Zweedse stad Falun, en kreeg in 2014 de Herbert Blomstedt Conducting Prize.
Als gastdirigent werd hij uitgenodigd door onder meer het Tonhalle-Orchester Zürich, het Sydney Symphony Orchestra, het Queensland Symphony Orchestra, het Detroit Symphony Orchestra, het Yomiuri Nippon Symphony Orchestra, het Koninklijk Philharmonisch Orkest van Stockholm, het Swedish Radio Symphony Orchestra, het Göteborg Symfonieorkest en de Camerata Salzburg. Daniel Blendulf bespeelt een uit 1791 van Vincenzo Panormo.
Jan Jansen, piano
Jan Jansen, vader van Janine Jansen, studeerde , piano, klavecimbel en muziektheorie in Utrecht. Hij was organist van de Hervormde Gemeente te Ermelo, de Oude Kerk te Soest en sinds 1987 van de Domkerk te Utrecht.
In de Utrechtse Dom had hij naast het orgelspel tijdens de kerkdiensten ook een belangrijk aandeel in de wekelijkse ‘Zaterdagmiddagmuziek’, een concertserie met een landelijke bekendheid.
Bij zijn afscheid in 2011 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Van 1973 tot 2005 was Jan Jansen bovendien docent muziektheorie in Utrecht.
Hij maakte een groot aantal cd-opnamen, en is zowel op als op klavecimbel een internationaal gewaardeerd bassocontinuospeler. Zijn discografie omvat orgelwerken van Felix Mendelssohn, César Franck en Johann Sebastian Bach. Ook speelt hij bijvoorbeeld op Janine Jansens opname van De vier jaargetijden van Vivaldi (2004).



