Janine Jansen speelt Mozart met het Concertgebouworkest

Hertbert Blomdstedt dirigent
Janine Jansen viool

Dit programma maakt deel uit van de serie Z.

Het concert wordt live uitgezonden door AVROTROS via NPO Radio Klassiek.

Ook interessant:
- Janine Jansen over haar werkdag
- Historie: Herbert Blomstedt bij het Concertgebouworkest
- De noten van Mozarts Vierde vioolconcert

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Vioolconcert nr. 4 in D gr.t., KV 218 (1775)
Allegro
Andante cantabile
Rondeau: Andante grazioso - Allegro ma non troppo

pauze ± 14.45 uur

Anton Bruckner (1824-1896)

Symfonie nr. 4 in Es gr.t. (1874-78/80, editie Nowak 1953)
‘Romantische’ 
Bewegt, nicht zu schnell
Andante quasi allegretto
Scherzo: Bewegt - Trio: Nicht zu schnell. Keinesfalls schleppend
Finale: Bewegt, doch nicht zu schnell

einde ± 16.20 uur

Toelichting

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Vierde vioolconcert

Door Paul Janssen

‘Iedereen zette grote ogen op. Ik speelde alsof ik de grootste violist van heel Europa was’, schreef Wolfgang Amadeus Mozart enthousiast aan zijn vader Leopold na een goed ontvangen optreden als violist. De ‘grote ogen’ zijn verklaarbaar, want Mozart trad vooral naar buiten als pianist. Toch was hij al van kleins af aan vertrouwd met de viool.

Zijn vader had in 1756, het jaar van Mozarts geboorte, zijn Versuch einer gründlichen Violinschule gepubliceerd, een didactisch werk dat nog steeds van groot belang is bij de studie van de historische uitvoeringspraktijk. Vanaf het moment dat Mozart een viool vast kon houden werd hij ook onderworpen aan de methode van zijn vader en vanaf zijn zesde jaar speelde hij op de viool mee bij huismuzieksessies. Zo maakte Mozart onder andere kennis met de vioolmuziek van Italiaanse componisten als Giuseppe Tartini (1692-1793) en Pietro Locatelli (1695-1764).

Vanaf 1769, het jaar dat Mozart in dienst kwam als concertmeester en componist bij de aartsbisschop van Salzburg, maakte hij met zijn vader verschillende reizen naar Italië. Daar kwam hij in contact met de Italiaanse vioolvirtuoos Pietro Nardini (1722-1793) en sloot hij vriendschap met diens Engelse leerling Thomas Linley (1756-1778). ‘De Tommasino, zoals hij genoemd wordt, en de kleine Mozart, zijn overal in Italië het gesprek van de dag en worden beschouwd als de meest veelbelovende genieën van hun tijd’, schreef Charles Burney later in zijn kroniek Muzikale reizen

Mede door hun samenspel perfectioneerde Mozart niet alleen zijn vioolspel, maar werd ook de kiemcel gelegd voor zijn serieuze belangstelling om voor de viool te componeren. Die kiemcel groeide in 1775 in een periode van slechts negen maanden uit tot vijf volwaardige vioolconcerten die Mozart ongetwijfeld voor zichzelf als vioolsolist schreef. Toen hij Salzburg verliet en Antonio Brunetti zijn plek als concertmeester innam reviseerde hij de concerten en maakte hij dankbaar gebruik van de grotere instrumentale vaardigheid van zijn opvolger.

  • Wolfgang Amadeus Mozart

De vijf vioolconcerten zijn een mooi voorbeeld van hoe Mozart er in slaagt om zich in korte tijd een stijl, een vorm eigen te maken en daar een persoonlijke draai aan te geven. De eerste concerten lopen met de vele - en rococokenmerken helemaal in de pas met de werken van Nardini, Boccherini en Tartini.

In het Vierde ­vioolconcert in D groot weet Mozart de materie al geheel naar zijn eigen hand te zetten. Zo is de fanfareachtige inleiding van het eerste deel in een handtekening die later in diverse piano­concerten terugkeert en is de inzet van de soloviool na de expositie van de twee ’s in het orkest een meesterzet. Opeens duikt de stralende soloviool op in het hoogste register en zingt meteen als een ware diva boven het orkest uit. 

Het tweede deel is een prachtig ­mozartiaan­se cavatina met twee thema’s en het laatste deel is een briljante afsluiting waarin de sierlijke en de speelse Mozart vol humor hand in hand gaan. Deze finale in een -vorm zet een tweekwarts- en een zesachtstemaatsoort in soms duizelingwekkende afwisseling naast elkaar, terwijl in een uitdagende dialoog tussen orkest en ­soloviool ook nog een gavotte, een gigue en een bekend volksliedje uit die tijd langs­komen. Pas in het brengt Mozart alle karakters met meesterhand bijeen.

Willem Kes leidde de eerste uitvoering door het Concert­gebouworkest op 3 februari 1895, met Christiaan Timner als solist. De laatste uitvoering vond op 6 juli 2021 plaats ter gelegenheid van een staatsbezoek in Berlijn onder Iván Fischer met als soliste Sylvia Huang.

Anton Bruckner (1824-1896)

Vierde symfonie

Door Paul Janssen

Hoewel Anton Bruckner Abraham al had gezien, was hij nog in zijn muzikale jeugd toen hij in de eerste dagen van 1874 aan zijn Vierde symfonie begon. Hij had met zijn Derde symfonie zijn eigen stem gevonden als componist en hoewel hij aan deze symfonie bleef sleutelen om aan het commentaar van betweters tegemoet te komen en zichzelf te perfectioneren, was hij vol goede moed.

Toch bleek ook de eerste versie van de Vierde symfonie voeding voor de immer aanwezige twijfel van de componist. Nog voordat het werk in première ging, nam hij de noten opnieuw onder de loep en van 1878 tot 1880 wijzigde hij het derde deel, het , en het vierde deel, de Finale, ingrijpend. 

Hoewel vooral deze Vierde symfonie tegenwoordig grote populariteit geniet, werden er na de première in 1881, zoals bij alle uitvoeringen van werk van Bruckner, nogal wat wenkbrauwen gefronst. Geen wonder, want de brave Oostenrijker zette de symfonische vorm behoorlijk onder druk. Zijn constructies waren omvangrijker dan de langste symfonieën van Ludwig van Beethoven, en zijn presentatie van het tische materiaal zorgde vaak voor grote verwarring.

Van het begin van Beethovens Negende symfonie leende Bruckner het idee van het mysterieus murmelende intro, dat tot een van zijn handelsmerken uit zou ­groeien. Uit een haast improvisato­rische golfbeweging komen langzaam de eerste motieven tevoorschijn. Alsof de zon opkomt. Zo beschreef Bruckner dit eerste deel ook in een brief aan Hermann Levi: ‘In het eerste deel wordt de dag aangekondigd door de .’ Later verduidelijkte hij het vervolg: ‘Daarna gaat het leven verder; in de Gesangperiode (het tweede ) klinkt het lie­d van de koolmees: zizipe.’

Het tweede deel was volgens Bruckner een gebed, een , en het laatste deel een ‘volksfeest’. Het meest tot de verbeelding sprak van meet af aan het derde deel van deze symfonie, die de componist zelf de bijnaam ‘Roman­tische’ gaf. Dit kreeg van Bruckner in 1878 al aanwijzingen mee als ‘Jagd­thema’ en ‘Tanzweise während der Mahlzeit auf der Jagd’ (). Het is in elke noot een mooi staaltje van de manier waarop Bruckner met de symfonische vorm omging. Hij componeerde verhalen, mooie epische verhalen.

Dat het ‘Jagdscherzo’ uit deze Vierde symfonie een van de populairste symfonische delen van Bruckner is geworden komt vooral doordat het verhaal hier zo duidelijk is. Veel van zijn werk is abstracter van aard en heeft daarom tijd nodig gehad om tot de luisteraars door te dringen. Vandaar dat de ware zegetocht van Bruckners symfonieën pas begon na de dood van de componist.

In die postume verovering van het publiek heeft het Concertgebouworkest vooral sinds het chef-dirigent­schap van Eduard van Beinum (van 1945 tot zijn dood in 1959) een belangrijk aandeel gehad. Alle daaropvolgende chef-diri­genten hielden die traditie in ere, zodat Bruckners muziek nu al vele decennia tot het kernrepertoire van het orkest behoort.

De eerste uitvoering door het Concertgebouworkest was op 11 november 1897 onder Willem Mengelberg. Daniele Gatti leidde de meest recente uitvoering: op 23 januari 2017 in Singapore.

Biografie

Herbert Blomstedt, dirigent

Herbert Blomstedt, geboren in de Verenigde Staten, studeerde in Stockholm en Uppsala en volgde lessen orkestdirectie aan de Juilliard School of Music in New York. In Darmstadt bekwaamde hij zich in de moderne muziek en aan de Schola Cantorum Basiliensis in de oude muziek.

Ook werkte hij met Igor Markevich in Salzburg en met Leonard Bernstein in Tanglewood. In 1954 debuteerde Herbert Blomstedt bij het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Stockholm. Hij stond aan het roer van verschillende Scandinavische orkesten, de Staatskapelle Dresden, het NDR Sinfonieorchester en de San Francisco Symphony.

Van 1998 tot 2005 was hij chef- van het Gewandhaus­orchester Leipzig. Onder zijn vele cd-­opnamen worden die van de volledige symfonieën van Sibelius en Nielsen in het bijzonder geroemd. Ook wordt hij als een van de belangrijkste interpreten van de muziek van Mendelssohn, Brahms en Bruckner beschouwd. In januari 2018 ontving hij de International Classical Music Award voor zijn cd-opnamen van alle Beethoven-symfonieën.

Herbert Blomstedt kreeg verschillende eredoctoraten en is lid van de Koninklijke Zweedse Muziek­academie. In 2003 ontving hij in Duitsland het Grosses Bundesverdienstkreuz. Zijn negentigste verjaardag in juli 2017 werd gevierd met een boek, diverse cd- en dvd-uitgaven en een internationale tournee met 90 concerten. Al sinds 1983 staat Herbert Blomstedt zeer geregeld voor het Concertgebouworkest, de laatste keer in januari 2019 met werken van Brahms en Mendelssohn.

Janine Jansen, viool

In oktober 1999 stond Janine Jansen in de als Rising Star en in mei 2000 in de serie Jonge Nederlanders. In 2003 verscheen haar debuut-cd, richtte ze haar Internationaal Kamermuziek Festival Utrecht op én won ze de Nederlandse Muziekprijs. Het jaar erop maakte ze een dubbel debuut bij het Concertgebouworkest, waar ze meermaals terugkeerde en in 2020/2021 artist in residence was.

Die positie heeft ze in het huidige seizoen bij de Berliner Philharmoniker. Het Swedish Radio Symphony Orchestra presenteert haar dit seizoen bovendien als ‘artist in focus’. Seizoen 2025/2026 behelst ook tournees met het Concertgebouworkest en Klaus Mäkelä, met het London Symphony Orchestra en Antonio Pappano en met het Tonhalle-­Orchester Zürich en Paavo Järvi, en met de Camerata Salzburg reisde Janine Jansen naar Azië.

recitals met Martha Argerich en Mischa Maisky zijn er dit seizoen in Wenen, Luzern en Tokio, en duorecitals met Denis Kozhukhin of Sunwook Kim in Azië en Europa. Janine Jansen kreeg onder meer de Concertgebouw Prijs (2013) en de Johannes Vermeer Prijs (2018). Ze groeide op in een muzikaal gezin, studeerde bij Coosje Wijzenbeek, ­Philipp Hirshhorn en Boris Belkin en geeft sinds november 2023 les aan de Kronberg Academy.

De violiste bespeelt de ‘Shumsky-­Rode’-Stradivarius uit 1715. Haar vorige optreden in de Eigen Programmering was op 11 september 2024 De vier jaargetijden van Vivaldi met Amsterdam Sinfonietta, en op 14 augustus 2025 stond ze samen met het Concertgebouworkest en Klaus Mäkelä voor het laatst in de .