Janine Jansen speelt Beethovens Vioolconcert
Die Deutsche Kammerphilharmonie Bremen
Paavo Järvi dirigent
Janine Jansen viool
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Vioolconcert in D gr.t., op. 61 (1806)
Allegro ma non troppo
Larghetto
Rondo: Allegro
cadensen: Fritz Kreisler
pauze
Johannes Brahms 1833-1897
Eerste symfonie in c kl.t., op. 68 (1862-76)
Un poco sostenuto – Allegro
Andante sostenuto
Un poco allegretto e grazioso
Adagio – Più andante – Allegro non troppo ma con brio – Più allegro
Toelichting
Ludwig van Beethoven 1770-1827
vioolconcert
De zesentwintigjarige Franz Clement, beroemd violist en concertmeester van het Theater an der Wien, was voor geen kleintje vervaard. Zo moest hij de solopartij van het gloednieuwe Vioolconcert spelen, waarvan de tien jaar oudere Ludwig van Beethoven de twee dagen eerder pas had ingeleverd. Maar veel van de noten had Clement al eerder gezien. Beethoven had hem namelijk herhaaldelijk om advies gevraagd. Wellicht was het mede aan deze al zo jong internationaal bekende violist te danken dat de componist zich hier in de solopartij in hogere toongebieden begeeft dan tot die tijd gebruikelijk was. Waaruit voor een deel het verheven, etherische karakter van dit werk valt te verklaren. Beethoven gaf het Weense concertpubliek in meer opzichten stof om over te praten. Want welke andere componist liet een soloconcert beginnen met een aantal slagen? Zij vormen het kloppende waarop het gehele eerste deel is gebaseerd. Er ontstaat een spanning tussen enerzijds dit ritme, anderzijds de e, golvende ën die wellicht iets van de geheimzinnige aantrekkingskracht van deze sirenenzang verklaart. Daarbij heeft de rijkdom aan versieringen, omspelingen en andere vlinderachtige passages geen moment een bravourekarakter. Een van Beethovens eigen hand ontbreekt, een gemis waarin inmiddels talrijke prominente violisten hebben voorzien, onder wie Joseph Joachim en Fritz Kreisler. Het middendeel is een statig Larghetto in , met gedempte strijkinstrumenten (in het orkest) en statische ën, die bijdragen aan de soberheid en de verhevenheid van deze muziek. De finale brengt de luisteraar terug op aarde, maar ook in dit dansante deel hebben de geestdrift en de vreugde een transparante, gesublimeerde kwaliteit.
Johannes Brahms 1833-1897
Eerste symfonie
Ludwig van Beethoven had, toen hij tweeënveertig jaar was, al acht symfonieën op zijn naam staan, Johannes Brahms was op die leeftijd net toe aan zijn eerste. Niet voor niets worden die twee namen vaak in één adem genoemd. ‘Je moest eens weten wat het betekent steeds de stappen van die reus achter me te horen’, schreef Brahms aan de Hermann Levi. Die ‘reus’ was dus Beethoven voor wie Brahms een grenzeloze bewondering had en die een intimiderende invloed op hem uitoefende. Na voor het eerst naar Beethovens Negende symfonie in d klein te hebben geluisterd was Brahms totaal uit het veld geslagen. Zijn vrienden begrepen hem niet. Zij zagen in hem al vroeg een geboren ‘symfonicus’ en spoorden hem aan na vele kamermuziekwerken en eren zich ook eens op het genre te concentreren dat zeker in die tijd de ultieme toetssteen voor iedere componist was. Ook zijn uitgever wachtte met smart op een groot orkestwerk van Brahms’ hand. Pogingen waren er wel geweest.
Voor de oorsprong van de Eerste symfonie in c klein, die de componist zijn ‘Schmerzenskind’ noemde, moeten we zelfs teruggaan tot 1854 toen Brahms een eerste schets op papier zette. Maar dat materiaal leende zich bij nader inzien meer voor een pianoconcert – het zou zijn 15 worden – dan voor een symfonie. Dat Brahms zich, net als Robert Schumann, moeilijk kon losmaken van de piano is begrijpelijk. Het klavier was bij uitstek zijn instrument. Zijn spel was volgens tijdgenoten formidabel en hij componeerde ook altijd aan of in elk geval in de nabijheid van het klavier. De worsteling met de materie en de uiteindelijke victorie hebben zeker hun sporen achtergelaten in Brahms’ Eerste symfonie. De muziek blaakt althans in de snelle delen van energie en assertiviteit. Ook wanneer Brahms uitgesproken ernstig is, krijgt zelfbeklag nooit een kans. Eerder zal de componist dan de rug rechten. Meteen de langzame inleiding van het eerste deel, met dreigende slagen onder moeizaam maar toch onverzettelijk omhoog kruipende, verstrengelde melodische lijnen, laat daarover geen twijfel bestaan. Door hun omvang en hun allure maken vooral het eerste en het laatste deel deze symfonie tot een werk dat tot de meest majestueuze onder Brahms’ composities behoort. Tussen deze twee machtige symfonische zuilen bevindt zich een tweetal meer introverte, poëtische delen. Het sostenuto is gehuld in een sfeer van nostalgische verhevenheid, waarna het Un poco allegretto e grazioso het publiek met vloeiende ën op de finale voorbereidt. Het slotdeel mondt uit in een non troppo, waarvan het brede, hymnische wel vergeleken is met Beethovens Ode an die Freude. Een statige en tegelijk glorieuze melodie – Brahms zoals alleen Brahms kan zijn – vormt de uiteindelijke bekroning.
Aad van der Ven
Biografie
Die Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, orkest
Het orkest dat vandaag te gast is werd in 1980 in Frankfurt opgericht als Junge Deutsche Philharmonie, werd in 1987 hernoemd als Deutsche Kammerphilharmonie en verhuisde in 1992 naar Bremen. De eerste vaste gastdirigenten waren Mario Venzago en Heinrich Schiff, en ook Gidon Kremer leidde het gezelschap geregeld – onder meer op de eerste tournees naar de Verenigde Staten en Japan. Met Jirí Belohlávek kreeg het orkest in 1995 zijn eerste vaste en met Thomas Hengelbrock in 1992 zijn eerste artistiek leider. Van 1999 tot 2003 was Daniel Harding chef-dirigent, en de reputatie van Die Deutsche Kammerphilharmonie Bremen groeide gestaag.
Van 2005 tot 2015 was het gezelschap in residence bij het Beethovenfest Bonn, vanaf 2010 is het in residence bij de Elbphilharmonie in Hamburg en vanaf 2017 bij de Kissinger Sommer.
Sinds Paavo Järvi in 2004 de leiding kreeg, ondernam het orkest intensieve meerjarige projecten m het symfonische werk van achtereenvolgens Beethoven, Schumann en Brahms; de bijbehorende cd’s wonnen verschillende Preise der deutschen Schallplattenkritik, Echo Klassiks en Diapasons d’Or.
Hun thuisbasis delen de musici met een middelbare school in een minder welgestelde wijk van Bremen; een voor beide partijen vruchtbare wisselwerking die meermaals werd bekroond.
In het vorige concert van Die Deutsche Kammerphilharmonie Bremen in Het Concertgebouw, in de zomer van 2017, soleerde Janine Jansen in het Derde vioolconcert, KV 216 van Mozart.
Paavo Järvi, dirigent
Paavo Järvi studeerde directie in zijn geboorteland Estland, aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia en bij Leonard Bernstein in Los Angeles. Sinds het seizoen 2019/2020 is hij chef- van het Tonhalle-Orchester Zürich. In het verleden had Paavo Järvi vergelijkbare posities bij het NHK Symphony Orchestra in Tokio, het Orchestre de Paris, het hr-Sinfonieorchester Frankfurt, het Cincinnati Symphony Orchestra en het Malmö .
Sinds 2004 is hij artistiek leider van Die Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, en bij het Nationaal Symfonieorkest van Estland is hij artistiek adviseur. Ieder seizoen sluit de af met een week van uitvoeringen en masterclasses op het Pärnu Music Festival in Estland, dat hij in 2011 heeft opgericht.
Paavo Järvi ontving tal van prijzen en onderscheidingen, waaronder de Orde van de Witte Ster (2013) en de Orde van Verdienste (2021) van de Republiek Estland. Zowel Diapason als Gramophone riepen hem in 2017 uit tot Artist of the Year en in september 2019 werd hij verkozen tot Opus Klassik Conductor of the Year. Opnamen onder zijn leiding van werken van Sibelius, Grieg en Tsjaikovksi waren goed voor Grammy Awards.
Als gastdirigent is Paavo Järvi actief met gezelschappen als de Berliner en Wiener Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, het Gewandhausorchester Leipzig en de New York Philharmonic. Sinds zijn debuut bij het Concertgebouworkest in 2004 keerde hij met grote regelmaat terug, zoals in november 2019 voor concerten in Amsterdam en op tournee in Taiwan en Japan. In juni 2023 leidde hij de Ammodo Masterclass Dirigeren. Bij de meest recente samenwerking, in april en mei 2025, stonden werken van Mägi, Saint-Saëns en Stravinsky op het programma.
Janine Jansen, viool
In oktober 1999 stond Janine Jansen in de als Rising Star en in mei 2000 in de serie Jonge Nederlanders. In 2003 verscheen haar debuut-cd, richtte ze haar Internationaal Kamermuziek Festival Utrecht op én won ze de Nederlandse Muziekprijs. Het jaar erop maakte ze een dubbel debuut bij het Concertgebouworkest, waar ze meermaals terugkeerde en in 2020/2021 artist in residence was.
Die positie heeft ze in het huidige seizoen bij de Berliner Philharmoniker. Het Swedish Radio Symphony Orchestra presenteert haar dit seizoen bovendien als ‘artist in focus’. Seizoen 2025/2026 behelst ook tournees met het Concertgebouworkest en Klaus Mäkelä, met het London Symphony Orchestra en Antonio Pappano en met het Tonhalle-Orchester Zürich en Paavo Järvi, en met de Camerata Salzburg reisde Janine Jansen naar Azië.
recitals met Martha Argerich en Mischa Maisky zijn er dit seizoen in Wenen, Luzern en Tokio, en duorecitals met Denis Kozhukhin of Sunwook Kim in Azië en Europa. Janine Jansen kreeg onder meer de Concertgebouw Prijs (2013) en de Johannes Vermeer Prijs (2018). Ze groeide op in een muzikaal gezin, studeerde bij Coosje Wijzenbeek, Philipp Hirshhorn en Boris Belkin en geeft sinds november 2023 les aan de Kronberg Academy.
De violiste bespeelt de ‘Shumsky-Rode’-Stradivarius uit 1715. Haar vorige optreden in de Eigen Programmering was op 11 september 2024 De vier jaargetijden van Vivaldi met Amsterdam Sinfonietta, en op 14 augustus 2025 stond ze samen met het Concertgebouworkest en Klaus Mäkelä voor het laatst in de .


