Janine Jansen speelt Bartók bij het Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest
Andris Nelsons dirigent
Janine Jansen viool
Het concert van 17 september wordt opgenomen door avrotros voor uitzending op 20 september om 14.15 uur via npo radio 4.
Béla Bartók 1881-1945
Eerste vioolconcert, op. posth., Sz 36 (1907-08)
Andante sostenuto
Allegro giocoso
pauze
Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975
Zevende symfonie in G gr.t., op. 60 (1941)
‘Leningrad’
Allegretto
Moderato (poco allegretto)
Adagio
Allegro non troppo
Toelichting
Béla Bartók (1881-1945)
Eerste vioolconcert
Door Onno Schoonderwoerd
Hoe een enkel muzikaal tegengestelde gedaantes kan aannemen, bewees Robert Schumann al in de ‘karaktervariaties’ van zijn Davidsbündlertänze en Kreisleriana. Franz Liszt legde er nog een schepje bovenop in zijn driedelige Eine Faust-Symphonie. De buitenste delen representeren de tegenpolen Faust en Mephisto – maar de basis van hun muziek is dezelfde.
‘De partituur van het Vioolconcert was op 5 februari klaar, op de dag waarop jij mijn doodvonnis schreef’
Iets soortgelijks deed de jonge Béla Bartók in zijn Eerste vioolconcert, dat hij schreef voor de violiste Stefi Geyer (1888-1956) – zij was 19, hij 26, en tot over zijn oren verliefd. Aanvankelijk wilde Bartók een driedelig concert voor haar schrijven, dat zou bestaan uit een reeks karaktervariaties op basis van één enkel ‘liefdesakkoord’ van vier tonen – een septiemakkoord met grote terts, en grote septiem. Gezamenlijk zouden die variaties Geyers portret vormen. Na een hemels ideaalbeeld wilde hij haar schetsen in al haar onstuimigheid en humor. Het slotdeel zou haar van haar afstandelijke en stille kant laten zien.
Pas halverwege het compositieproces stelde Bartók vast dat ‘haar’ stuk tweedelig zou moeten worden: ‘Twee contrasterende schetsen – dat is alles. Ik sta er nu versteld van dat ik die waarheid niet eerder ontdekte’, schreef hij op 21 december 1907. De jeugdliefde hield echter geen stand; Geyer verbrak de relatie. Per brief. Op 8 februari 1908 schreef Bartók terug: ‘De van het Vioolconcert was op 5 februari klaar, op de dag waarop jij mijn doodvonnis schreef. Ik heb hem in een lade gestopt. Ik weet niet of ik hem moet vernietigen of daar zal laten liggen, waar hij na mijn dood gevonden kan worden.’ Uiteindelijk stuurde hij Stefi het stuk toch, maar zij zou het nooit in het openbaar spelen. Na haar overlijden bleek de partituur nagelaten aan Paul Sacher, die in 1958 de première dirigeerde.
Het eerste deel, sostenuto, begint idyllisch licht. Heel geleidelijk wordt een klein isch web van tegenstemmen rondom de solomelodie gesponnen. Slechts zelden wordt de lange vioolmelodie door een orkestraal tussenspel onderbroken. In het bereikt de muziek etherische hoogten. De drie tertsen van Geyers liefdesthema vormen ook de basis van het rapsodische giocoso. Geheel naar Bartóks plan is het karakter van dit deel echter volledig anders. De lyriek is er nog wel, maar de vioolstem klinkt grilliger en breekt soms onverwacht af. De muziek wisselt onophoudelijk tussen bijna duivelse virtuoze uitbarstingen, uitgelaten vrolijkheid en duisterder sferen.
Hoewel het Eerste vioolconcert tot 1958 niet werd uitgevoerd, kreeg de muziek toch enige bekendheid. Het eerste deel werkte Bartók om tot het eerste van zijn eveneens sterk contrasterende orkestwerk Twee portretten. En uit tertsen opgebouwde ën bleven in Bartóks muziek terugkeren als symbool voor de liefde: onder andere in het ballet De houten prins en in de Hertog Blauwbaards burcht.
Dmitri Sjostakovitsj: 1906-1975
Zevende symfonie in G gr.t., op. 60 (1941)
Op 22 juni 1941 viel het leger van Adolf Hitler een volkomen onvoorbereide Sovjet-Unie binnen. Het sovjet-nazipact had het land immers moeten beschermen tegen een invasie van de Duitsers. De overeenkomst bleek van generlei waarde en was slechts de opmaat tot een aantal zeer zwarte bladzijden in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. In september 1941 bereikten de Duitse troepen Leningrad en begon een beleg dat zeventien maanden zou duren en dat de sovjetstad met zijn drie miljoen inwoners afsloot van de buitenwereld. In deze maanden van brute belegering, voedsel- en energietekorten, epidemieën en bittere kou stierven naar officieuze berichten meer dan een miljoen mensen.
Het is tegen deze achtergrond dat Dmitri Sjostakovitsj, de meest verguisde en meest geprezen componist van de Sovjet-Unie, wederom geschiedenis schreef: hij werd tweevoudig symbool van verzet en wederopstanding. Zo gauw de nazitroepen de Sovjet-Unie binnenvielen, meldde Sjostakovitsj zich bij het leger om zijn land te dienen. Wegens zijn matige gezondheid en zijn beperkte gezichtsvermogen werd hij tot twee keer toe afgewezen. Ongebroken meldde hij zich uiteindelijk als vrijwilliger bij de brandweer van Leningrad. ‘Ik ga mijn land verdedigen, ik ben er op voorbereid en ik zal krachten noch levens sparen om elke missie die ik moet vervullen tot een goed einde te brengen.’ Sjostakovitsj werd gestationeerd op het dak van het Conservatorium van Leningrad om het gebouw te beschermen en foto’s van een onverzettelijke componist in brandweerkostuum met helm gingen al snel de wereld over.
Zijn tweede daad van verzet kreeg zo mogelijk nog meer bijval, en uiteindelijk nog meer commentaar. Op 17 september 1941 sprak hij voor de radio van Leningrad de volgende woorden: ‘Een uur geleden heb ik de voltooid van twee delen van een grote symfonische compositie. Als ik erin slaag deze compositie goed te schrijven, en als ik erin slaag het derde en vierde deel te voltooien, dan zal het mogelijk zijn deze compositie de Zevende symfonie te noemen. Waarom kondig ik dit aan? Opdat de luisteraars zullen weten dat het leven in de stad zo normaal mogelijk verder gaat. Wij voeren allen onze militaire taak uit. Sovjet-musici, mijn geliefde en talrijke broeders, mijn vrienden, denk eraan dat onze kunst nu in groot gevaar is. Laat ons onze muziek verdedigen, laat ons eerlijk en onzelfzuchtig werken.’
Sjostakovitsj was in juli 1941, kort na de invasie, aan de Zevende symfonie begonnen en voltooide het werk voor zijn doen in een recordtijd: in december van datzelfde jaar was de symfonie een feit. De eerste drie delen had hij in zijn geboorteplaats Leningrad geschreven, het laatste deel componeerde hij nadat hij geëvacueerd was naar Koejbiesjev. Op 5 maart 1942 bracht het Bolshoj Theater Orkest daar onder leiding van Samuel Samosud de symfonie tijdens een rechtstreekse radio-uitzending in première en vanaf dat moment stond niets een grote zegetocht van dit aan de stad Leningrad opgedragen oorlogswerk meer in de weg. Alles eraan leek heroïsch. De wijze waarop de symfonie op microfilm het land uit werd gesmokkeld zodat deze ook in Europa en de Verenigde Staten uitgevoerd kon worden, de Westerse première onder Henry Wood in juni 1942 in Engeland, de Amerikaanse première onder Toscanini in New York en bovenal de uitvoering op 9 augustus 1942 in het belegerde Leningrad door het Radio Orkest, onder leiding van Karl Eliasberg, dat samengesteld was uit de veertien orkestleden die nog levend en wel in Leningrad waren, gepensioneerde musici, militairen met een muzikale achtergrond en verder iedereen die bij kon dragen om het vereiste grote orkestapparaat op de been te brengen. De faam van Sjostakovitsj’ ‘Leningrad-symfonie’ steeg zo naar grote hoogten en de symfonie ging de boeken in als een hoogst emotioneel geladen en bijna live verslag van een bezetting.
Nu leek alles in de muziek daar ook op te wijzen. Vooral het beroemde en briljante ‘invasiethema’ in het eerste deel voldoet aan de omschrijving ‘oorlogsmuziek’. Op de plek waar normaal in een symfonie een doorwerking begint met elementen uit het eerste en tweede , introduceert Sjostakovitsj een nieuw thema, dat knipoogt naar Léhars Die lustige Witwe. Het thema van achttien maten begint heel zacht, wordt daarna twaalf keer herhaald en groeit ondertussen uit tot een oorverdovende climax. Velen zagen het inderdaad als een muzikale weergave van de nazi-inval. En tegen zijn goede vriend Isaak Glikman liet Sjostakovitsj zich ontvallen, nadat hij hem het eerste deel had voorgespeeld: ‘IJdele critici zullen mij wel neerhalen omdat ik hier Ravels Boléro zou imiteren. Nou laat ze maar, want dit is zoals ik de oorlog hoor.’ Na de reprise van de thema’s uit het begin van de symfonie, nu in een somber , eindigt het eerste deel met een ‘requiem voor hen die vielen’, aldus de componist.
Het tweede deel, een driedelig , ‘brengt mooie herinneringen aan zorgeloze dagen terug’ en ook het langzame derde deel verklankt de ‘vervoering over het leven en de impressies van een ongeschonden Leningrad’. Dit derde deel gaat met drie zachte klappen op de gong zonder onderbreking over in het laatste deel, dat volgens Sjostakovitsj de ‘overwinning’ schildert: ‘De overwinning van licht over duisternis, van humanisme over tirannie.’
Zo snel als de Zevende symfonie tijdens de oorlog het symbool van verzet werd, zo snel werd het werk na de oorlog vergeten en zelfs onderwerp van kritiek. In het Westen verdween het werk weer van de orkestprogramma’s omdat men niet meer met oorlog maar met wederopbouw bezig was en in de Sovjet-Unie werd het door de machthebbers steeds meer gezien als een anti-sovjet-symfonie en in de ban gedaan. Zo gek was dat niet, want onder andere volgens het nog altijd controversiële boek Getuigenis van Solomon Volkov had Sjostakovitsj de symfonie al vóór de invasie in zijn hoofd. ‘Het invasiethema heeft niets te maken met de aanval,’ zou Sjostakovitsj tegen hem gezegd hebben, ‘ik dacht aan andere vijanden van de mensheid toen ik het thema componeerde.’ Ook andere bronnen geven aan dat de Zevende symfonie al vóór 1941 aan het rijpen was. In hetzelfde Getuigenis citeert Volkov Sjostakovitsj: ‘De Zevende symfonie gaat over de vernietiging van Leningrad door Stalin en over Hitler die het werk simpelweg afmaakte.’ Dit maakt de Zevende symfonie tot een algemene aanklacht tegen overheersing, tot een schreeuw om vrijheid. En op zo’n schreeuw zaten de machthebbers van de Sovjet-Unie nu eenmaal niet te wachten.
Paul Janssen
Biografie
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Andris Nelsons, dirigent
Andris Nelsons was tist in het orkest van zijn geboortestad Riga voordat hij in 2001 naar Sint-Petersburg vertrok om directie te studeren bij Alexander Titov, gevolgd door privélessen bij Mariss Jansons. Hij werd achtereenvolgens chef- van de Letse Nationale Opera (2003-2007), de Nordwestdeutsche Philharmonie (2006-2009) en het City of Birmingham Symphony Orchestra (2008-2015).
Sinds seizoen 2014/2015 is Andris Nelsons music director van het Boston Symphony Orchestra en sinds februari 2018 ook Kapellmeister van het Gewandhausorchester Leipzig. Zijn twee orkesten werken verregaand samen, wat onder meer tot uiting komt in gezamenlijke cd-opnames.
producties leidde Andris Nelsons onder meer bij het Royal Opera House Covent Garden in Londen, de Wiener Staatsoper, de Metropolitan Opera in New York en de Bayreuther Festspiele. Als gastdirigent leidt hij gezelschappen als de Berliner en de Wiener Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en de New York Philharmonic.
Sinds augustus 2008 is Andris Nelsons bij het Concertgebouworkest een graag geziene gast: naast concerten in Amsterdam leidde hij het orkest veelvuldig op tournee. Bij de laatste samenwerking, in augustus 2020, stond Rachmaninoffs Tweede symfonie op de lessenaar.
Janine Jansen, viool
In oktober 1999 stond Janine Jansen in de als Rising Star en in mei 2000 in de serie Jonge Nederlanders. In 2003 verscheen haar debuut-cd, richtte ze haar Internationaal Kamermuziek Festival Utrecht op én won ze de Nederlandse Muziekprijs. Het jaar erop maakte ze een dubbel debuut bij het Concertgebouworkest, waar ze meermaals terugkeerde en in 2020/2021 artist in residence was.
Die positie heeft ze in het huidige seizoen bij de Berliner Philharmoniker. Het Swedish Radio Symphony Orchestra presenteert haar dit seizoen bovendien als ‘artist in focus’. Seizoen 2025/2026 behelst ook tournees met het Concertgebouworkest en Klaus Mäkelä, met het London Symphony Orchestra en Antonio Pappano en met het Tonhalle-Orchester Zürich en Paavo Järvi, en met de Camerata Salzburg reisde Janine Jansen naar Azië.
recitals met Martha Argerich en Mischa Maisky zijn er dit seizoen in Wenen, Luzern en Tokio, en duorecitals met Denis Kozhukhin of Sunwook Kim in Azië en Europa. Janine Jansen kreeg onder meer de Concertgebouw Prijs (2013) en de Johannes Vermeer Prijs (2018). Ze groeide op in een muzikaal gezin, studeerde bij Coosje Wijzenbeek, Philipp Hirshhorn en Boris Belkin en geeft sinds november 2023 les aan de Kronberg Academy.
De violiste bespeelt de ‘Shumsky-Rode’-Stradivarius uit 1715. Haar vorige optreden in de Eigen Programmering was op 11 september 2024 De vier jaargetijden van Vivaldi met Amsterdam Sinfonietta, en op 14 augustus 2025 stond ze samen met het Concertgebouworkest en Klaus Mäkelä voor het laatst in de .



