James Ehnes speelt Bach

Oude Meesters in de Kleine Zaal: Focus op Bach 20.15 uur

James Ehnes viool

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Eerste sonate in g kl.t., BWV 1001 (1720)
Adagio
Fuga: Allegro
Siciliano
Presto

Eerste partita in b kl.t., BWV 1002 (1720)
Allemande
Double
Courante
Double. Presto
Sarabande
Double
Tempo di Bourrée
Double

pauze

Derde sonate in C gr.t., BWV 1005 (1720)
Adagio
Fuga
Largo
Allegro assai

begin van de pauze ca. 21.15 uur
einde van het concert ca. 22.05 uur

Toelichting

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Sonates en partita's

Tekst: Agnes van der Horst

Bijna iedere violist speelt ze. Of is op zijn minst vast van plan ze eens te gaan spelen. De zes s en ’s, BWV 1001-1006 van Johann Sebastian Bach zijn de ­ultieme uitdaging voor violisten.

Met geen enkel ander stuk muziek geeft een musicus zich zo bloot. Behalve dat hij alleen op het podium staat met een praktisch onspeelbare op zijn lessenaar, is de manier waarop de noten geïnterpreteerd moeten worden vaak een raadsel. Om het nog lastiger te maken moet de violist behalve soleren ook nog zijn eigen continuospeler zijn. Het lijkt onmogelijk.

Maar Bach was behalve componist, organist en zanger ook een uitstekende violist. Een van zijn eerste banen was die van violist en orkestleider bij de hofkapel van Weimar (1708-1717). Bach wist dus wat hij deed toen hij een vierstemmige schreef voor soloviool in de Sonate in C groot, de vijfde van de reeks van zes. In Weimar begon hij de zesdelige cyclus waar hij in 1720 – inmiddels hofkapelmeester bij prins Leopold von Anhalt-Cöthen – de laatste hand aan legde.

Het componeren voor onbegeleide viool was overigens geen bedenksel van Bach. De viool werd in die tijd steeds vaker ingezet als solo-instrument – een ontwikkeling die in Italië was begonnen. Componisten/vioolvirtuozen van de generatie vóór Bach, zoals Johann Heinrich Schmelzer, Johann Paul von Westhoff en vooral Heinz Ignaz Franz Biber (met onder meer zijn Rosenkranzsonates), hadden al vaak voor opschudding gezorgd met hun vioolcomposities, waarin de grenzen van de viooltechniek behoorlijk werden opgerekt.

Ook was Bach bevriend met de befaamde violist Johann Georg Pisendel, die eveneens composities schreef voor soloviool. Hij maakte er onder meer veel furore mee aan het hof van Dresden. Je zou kunnen zeggen dat de tijd rijp was voor de Sei solo a violino senza basso accompagnato, zoals de sonates en partita’s van Bach op het titelblad van de partituur staan aangeduid. Maar dat er complexe fuga’s gecomponeerd zouden kunnen worden voor een enkele viool – en daarop ook nog uitgevoerd: dat had alleen iemand als Bach kunnen bedenken. 

De cyclus is opgebouwd uit drie sonates en drie partita’s, waarbij sonate en partita elkaar steeds afwisselen. De vierdelige sonates zijn opgebouwd volgens een vast stramien (langzaam-snel-langzaam-snel). Het eerste deel is meestal polyfoon, het tweede fugatisch. Deel drie heeft het karakter van een (een arioso) en het slotdeel is snel is en tweedelig. De partita’s zitten minder strak in het pak, ze zijn vrijer opgezet en bevatten veel dansvormen.

De Eerste sonate in g klein is de eenvoudigste en kortste van de zes. De partita’s en sonates die volgen worden steeds een graadje complexer en uitgebreider. Maar de laatste partita is weer wat eenvoudiger. Bach beschrijft met deze zes stukken een symmetrische boog. Die symmetrie zit in allerlei elementen, onder meer in de en. Zo liggen die van de eerste en laatste sonate even ver van elkaar als die van de eerste en de laatste partita.

Op de top van de boog bevinden zich de twee kroonjuwelen van de cyclus, de bijna een kwartier durende Chaconne van nr. 2 en de van nr. 3. Ze worden vaak gezien als dé proeve van bekwaamheid van een violist. Een musicus die deze stukken technisch perfect uitvoert, er muziek van maakt, loskomt van de technische en fysieke uitdagingen, mag zichzelf een topviolist noemen. 

De Fuga van sonate nr. 3 bestaat uit niet minder dan 354 maten, en is daarmee een van de langste die Bach ooit componeerde. Een complex meerstemmig stuk als een fuga is in feite niet uitvoerbaar op de vier snaren van een enkele viool. Maar gebruikmakend van viooltechnieken als dubbelgrepen, snelle len en gebroken en weet Bach de noten zo te plaatsen dat de oren van de luisteraar de klanken die niet gespeeld (kunnen) worden – maar er wel bij horen – zelf invullen.

Bij de Chaconne van partita nr. 2 gebeurt iets vergelijkbaars. Het werk is opgebouwd uit een baslijn en 32 variaties. Die basisnoten zijn nergens achter elkaar te horen, maar worden gesuggereerd: bij een juiste uitvoering en goed luisteren worden ze zo tóch gehoord.

Johannes Brahms schijnt eens over Bachs Sei solo a violino senza basso accompagnato gezegd te hebben: ‘Op slechts één en voor één enkel klein instrument schiep (Bach) een wereld van de meest diepgaande muzikale ideeën en krachtigste composities.’ 

De bundel is een van de (vele) hoogtepunten in Bachs oeuvre. Ook in zijn tijd was de cyclus populair, gezien het relatief grote aantal kopieën dat ervan gemaakt werd. Maar misschien is het nog het meest bijzondere van deze zes composities dat ze vragen om een samenwerking tussen publiek en musicus.

Ze stellen niet alleen hoge technische en muzikale eisen aan de violist, maar doen ook een beroep op de concentratie en oplettendheid van de luisteraar. Om met en Bachkenner John Eliot Gardiner te spreken: ‘De muziek is bezaaid met kleine tijdbommen vol harmonisch potentieel die de luisteraar ertoe uitdagen te speculeren over hoe ze zouden kunnen uitpakken. Speler en luisteraar moeten zich het stuk in laten trekken en daar de scheppende daad voltooien.’

Biografie

James Ehnes, viool

James Ehnes was protégé van de bekende Canadese violist Francis Chaplin en debuteerde op zijn dertiende als solist met het Orchestre symphonique de Montréal. Hij studeerde aan de Juilliard School in New York.

De Canadese violist soleerde met de en van Londen, Boston, Chicago en Dallas (residency in seizoen 2019/2020), het Tonhalle-­Orchester Zürich, het NDR Elbphilharmonie Orchester, de Los Angeles en de New York Philharmonic en The Cleveland Orchestra.

In oktober 2023 maakte hij zijn langverwachte debuut bij het Concertgebouworkest met Mendelssohns Vioolconcert. s gaf James Ehnes in bijvoorbeeld Carnegie Hall in New York en op de festivals van Ravinia, Montreux, La Chaise-Dieu, Sint-Petersburg (Witte Nachten) en Verbier.

Ter gelegenheid van Beethovens 250ste geboortejaar speelde hij alle vioolsonates in Wigmore Hall in Londen, op het festival Praagse Lente en op het Aspen Festival als onderdeel van een meerjarige residency, en in februari 2020 gaf hij ook een Beethovenrecital in de . In seizoen 2025/2026 viert James Ehnes zijn vijftigste verjaardag met een tournee langs alle Canadese provincies.

Kamermuziek speelt hij met musici als Leif Ove Andsnes, Louis Lortie, Nikolai Lugansky, Yo-Yo Ma, Antoine Tamestit en Yuja Wang. De violist won onder meer twee Grammy Awards, drie Gramophone Awards, een Diapason d’Or en het recordaantal van twaalf Juno Awards. James Ehnes bespeelt de ‘Ma­rsick’-­Stradivarius, gebouwd in 1715.