Jaap van Zweden & Simone Lamsma bij het Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest
Jaap van Zweden dirigent
Simone Lamsma viool
Dit concert maakt deel uit van de serie E.
Dit concert wordt opgenomen door AVROTROS voor uitzending op zondag 12 januari om 14.00 uur via NPO Radio 4.
Dit concert wordt mede mogelijk gemaakt door ING en Unilever, Global Partners van het Concertgebouworkest.
Zie voor meer informatie over Brittens Vioolconcert het Notenbeeld op pagina 39 van het januarinummer van Preludium of op de website.
Martijn Padding (1956)
Softly Bouncing (2017)
geschreven in opdracht van het Koninklijk Concertgebouworkest
wereldpremière
Benjamin Britten (1913-1976)
Vioolconcert, op. 15 (1938-39, revisie 1950)
Moderato con moto
Vivace
Passacaglia: Andante lento
pauze ± 21.10 uur
Igor Stravinsky (1882-1971)
Le sacre du printemps (1911-13)
tableaux de la Russie païenne en deux parties
Première partie: L’adoration de la terre
Seconde partie: Le sacrifice
einde ± 22.15 uur
Toelichting
Martijn Padding 1956
Padding: Softly Bouncing
Door Michiel Cleij
In de afgelopen drie decennia ontwikkelde Martijn Padding zich tot een van de herkenbaarste stemmen van het Nederlandse muziekleven. Dat wil niet zeggen dat hij op zeker speelt en in herhaling valt – integendeel. Als hij zelf niet wordt verrast door wat hij componeert kan hij dat onmogelijk van het publiek verwachten. ‘Steeds weer beland ik in onverwachte situaties,’ aldus Padding. ‘Vaak lijkt mijn pen uit zichzelf dingen op te schrijven, dingen die ik totaal niet van plan was.’
En zo componeerde de doorgaans uitbundige Padding plots een ingetogen, verstild stuk. ‘Er is ontzettend veel herrie op straat, maar ook in de concertzaal. Het viel me op dat nieuwe orkestwerken tegenwoordig vaak erg luid zijn. Ik sta zelf ook bekend als een herriemaker, toen ik een paar jaar geleden in Het Concertgebouw verstilde stukken van Webern en Kurtág hoorde was ik overrompeld. Die zaal klinkt juist bij fluisterzachte geluiden zó mooi! Een handjevol noten heeft al een enorm effect. Daar wilde ik op doorgaan.’
Softly Bouncing – de titel slaat op de zachte pendelbeweging waarmee en van de ene orkestgroep naar de andere stuiteren – is geschreven voor een kleine, Haydn-achtige orkestbezetting, zij het met typische Padding-uitbreidingen. De strijkers spelen met s en soms zelfs de nog zachtere practice mutes (‘hoteldempers’), wat een geheimzinnige klank oplevert; evenzo gebruiken de verschillende dempersoorten.
Daarnaast is er een partij voor Thaise gongs die een onwezenlijk geluid voortbrengen – helemaal, ontdekte Padding, wanneer je de nagalm beperkt door ze op hun rug te leggen. De ers zijn tevens toegerust met twee melodica’s die ‘door hun onzuiverheid een heerlijk armetierige, Leger des Heils-achtige klank’ voortbrengen. Zij beginnen het stuk met achtige fragmenten; die vormen de basis van de hele compositie en keren steeds in nieuwe gedaanten terug. Het effect is eerder weemoedig dan ironisch – en vormt een onverwachte klik met Mahler, die destijds mandolines en koebellen op het concertpodium introduceerde. Dat Paddings springerige componeerstijl bij Stravinsky past, was al langer bekend.
Igor Stravinsky 1882-1971
Stravinsky: Le sacre du printemps
In het jaar dat Mahler stierf, begon Igor Stravinsky aan zijn revolutionaire ballet voor Les Ballets Russes Le sacre du printemps. Componist/ Otto Ketting, die met de naoorlogse avant-garde opgroeide, zei eind jaren negentig: ‘Moderner dan Le sacre du printemps kon het eigenlijk niet worden.’ Een provocerende uitspraak, maar het punt was gemaakt: na Stravinsky zijn weinig vernieuwers nog in brede kring doorgedrongen.
De roerige, veelbesproken première in 1913 schokte niet alleen vanwege de muziek; vooral de hoekige choreografie en de ‘primitieve’ kostuums tartten alle verwachtingen van het Parijse publiek. Maar het zijn Stravinsky’s noten die nog altijd verbazing en opwinding oproepen. Met dit ‘voorjaarsoffer’ – het stuk verbeeldt een heidens ritueel waarin een uitverkoren maagd zich dood moet dansen – keerde Stravinsky de nadrukkelijk de rug toe. De (menselijke) natuur wordt hier confronterend verklankt, zonder mooimakerij. Claude Debussy, wiens invloed doorklinkt in de natuurschilderingen waarmee de twee hoofddelen beginnen, noemde het stuk ‘een prachtige nachtmerrie’.
Heel juist: vanaf de allereerste noten (een solo in een tegennatuurlijk hoog register) mikt Le sacre du printemps op onbehagen, met beukende ritmiek, wrange samenklanken en flarden die als gestotter en nooit als zang klinken. Tegelijkertijd is het een feest. Dat het destijds van een schandaal kwam was puur omdat men er niet bij wilde weglopen.
Daarbij: achter de ruwe façade is het een exquise stuk. De orkestrale verfijning druipt niet alleen van de af, maar is ook zichtbaar op het podium. De snelle interactie tussen de verschillende instrumentgroepen, de verschillende speeltechnieken waarvan de strijkers zich gelijktijdig bedienen, de wonderlijke klankwaaiers die in de introductie van het tweede deel uit violen en oprijzen: ze prikkelen de fantasie zozeer dat ze geen ballet of decor nodig hebben.
Geen wonder dat Stravinsky worstelde met de notatie van dit stuk. De klank stond hem helder voor de geest, maar het duurde maanden voordat hij die in een partituur kon weergeven. In een documentaire uit de jaren vijftig (te vinden op YouTube) toont hij de sombere, piepkleine ruimte waarin hij het stuk grotendeels componeerde – met vinnige kiespijn, ook nog. Meesterwerken, blijkt dan weer eens, worden vaak onder weinig florissante omstandigheden geboren.
Benjamin Britten 1913-1976
Britten: Vioolconcert
Door Onno Schoonderwoerd
‘It is rather serious, I’m afraid,’ schreef Benjamin Britten zijn uitgever met ongeëvenaard gevoel voor understatement, ‘but it’s got some tunes in it’. er dan met de openingsmelodie van de solist – ingebed in een Spaans aandoende ritmische begeleiding – had Britten zijn Vioolconcert nauwelijks kunnen beginnen. De onaardse schoonheid ervan, maar ook de hoekiger lijn van het militair aandoende tweede dat uit de begeleidingsfiguur lijkt voort te komen, herinneren ogenblikkelijk aan dat ándere als vioolconcert vermomde requiem: het Vioolconcert van Alban Berg.
In 1936, kort na Bergs overlijden, en slechts weken voordat Franco’s gewelddaden wereldnieuws werden, had Britten de wereldpremière van dat werk in Barcelona bijgewoond. En hij was diep geroerd. Een kleine drie jaar later, gedesillusioneerd door de lafheid van het Britse politieke establishment en zich niet langer thuis voelend in het voor homoseksuelen en links georiënteerden vijandige klimaat in Engeland, week Britten uit naar de Verenigde Staten.
Twee onvoltooide partituren nam hij mee: de vocale cyclus Les illuminations en het Vioolconcert. Het uiterst virtuoze Vioolconcert werd een in memoriam voor de vele vrijwilligers die vielen in de Spaanse Burgeroorlog. De melancholieke ondertoon is door het langzame (!) openingsdeel al gezet. Het middendeel heeft de duistere ritmische drive van een Prokofjev-.
De solopartij behoudt zijn schoonheid maar lijkt, zoals dikwijls ook in de soloconcerten van Prokofjev en Sjostakovitsj, te worden opgejaagd door het verontrustend agressieve weerwoord uit het orkest. Het dramatische zwaartepunt bewaart Britten echter voor de finale, die onmiddellijk na de uitvoerige solocadens inzet.
De oude vorm van de passacaglia, een reeks variaties op een steeds terugkerende in de bas, is een ode aan Brittens illustere voorganger, Henry Purcell. Boven de stapsgewijs stijgende en dalende lijn ontvouwt zich een droeve, bijna Mahler-achtige wereld. Verschillende ‘muzieken’ worden met elkaar geconfronteerd, de quasi-heroïsche ritmiek en de Spaanse elementen uit het eerste deel, de Prokofjev-achtige zwaarte in de orkestratie, een macabere , een Jiddische weeklacht... Even lijkt ook de violist niet aan het alomtegenwoordige passacaglia- te kunnen ontkomen.
Enige berusting lijkt uit de voorlaatste (geheel orkestrale) variatie te spreken. Maar terwijl en elkaar al ruim een half uur lang in een ambivalent evenwicht hebben gehouden en het orkest na een groots lamento van de solist uiteindelijk neerzijgt op een leeg op D groot, glijdt de muziek stil weg in een triller die de kleine terts benadrukt.
Biografie
Jaap van Zweden, dirigent
Jaap van Zweden is music director van het Seoul Philharmonic Orchestra sinds 2024; daarvoor stond hij aan het roer van het Hong Kong Philharmonic Orchestra en de New York Philharmonic. In september 2026 wordt hij chef- van het Orchestre Philharmonique de Radio France, waarmee hij afgelopen oktober al in de stond. Jaap van Zweden studeerde bij onder anderen Davina van Wely.
Na het winnen van het Nationaal Vioolconcours ‘Oskar Back’ in 1977 vertrok hij, zestien jaar oud, naar New York om verder te studeren aan de Juilliard School of Music. In 1979 werd hij concertmeester van het Concertgebouworkest, met negentien jaar de jongste uit de geschiedenis. In 1997 verruilde Jaap van Zweden zijn strijkstok definitief voor de baton.
Hij vervulde chef-schappen bij het Orkest van het Oosten, het Residentie Orkest en de Filharmonie in Antwerpen, en was chef-dirigent en artistiek leider van het Radio Filharmonisch Orkest. Na zijn benoeming tot chef-dirigent van het Dallas Symphony Orchestra in 2008 – een functie die hij tot 2018 vervulde – nam zijn carrière een internationale vlucht. Hij leidde vooraanstaande orkesten als het Chicago Symphony Orchestra, het London Philharmonic Orchestra en de Berliner Philharmoniker.
Met het Hong Kong Philharmonic Orchestra nam hij Wagners Der Ring des Nibelungen integraal op cd op. Onder zijn talloze bejubelde opnamen bevinden zich ook de complete symfonieën van Beethoven en Brahms en Wagners Parsifal, waarvoor hij in 2012 een Edison in ontvangst mocht nemen. Door Musical America werd hij in dat jaar gehuldigd als Conductor of the Year.
Jaap van Zweden stond voor het eerst in 1998 als dirigent voor het Concertgebouworkest en is met grote regelmaat te gast, zoals in januari 2023 met werken van Wagner en Clyne. In oktober 2023 verscheen zijn biografie Dat is Jaap, opgetekend door Peter van Ingen; dat jaar kreeg hij ook de Concertgebouw Prijs.
Lees ook het interview met Jaap van Zweden uit mei 2018: 'Elke dag als ik opsta en de ligt voor me, denk ik: wat is dit een feest'
Simone Lamsma, viool
Simone Lamsma begon op haar vijfde met vioolspelen, kreeg vanaf haar negende les van Davina van Wely, studeerde vanaf haar elfde aan de Yehudi Menuhin School bij Hu Kun en debuteerde op haar veertiende bij het Noord Nederlands Orkest met het Eerste vioolconcert van Paganini. Ze vervolgde haar opleiding bij Hu Kun en Maurice Hasson aan de Royal Academy of Music in Londen, en won in 2003 het Nederlands Vioolconcours ‘Oskar Back’.
Haar repertoire omvat inmiddels meer dan zestig vioolconcerten, waaronder ook opdrachtcomposities van Mattijs de Roo, Mathilde Wantenaar en Joey Roukens die ze in première bracht met het Radio Filharmonisch Orkest.
Simone Lamsma debuteerde bij de New York Philharmonic onder Jaap van Zweden, de Los Angeles Philharmonic onder Otto Tausk, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia onder Antonio Pappano en Die Deutsche Kammerphilharmonie Bremen onder Paavo Järvi.
Ze soleerde ook bij veel van ’s werelds belangrijkste orkesten, waaronder die van Chicago, Washington, Detroit, Pittsburgh, Dallas, San Francisco, Seoul, Hongkong, Sydney, Londen, Helsinki, Oslo, Stockholm, het Concertgebouworkest, het Konzerthausorchester Berlin, Les Siècles, het BBC Symphony Orchestra, de Wiener Symphoniker en het Mostly Mozart Festival Orchestra. In 2021/2022 was ze artist in residence bij het Residentie Orkest en begon haar driejarige residency bij de Oregon Symphony.
In 2022/2023 had de violiste een residency in PHIL Haarlem, en in 2023/2024 bij de Royal Liverpool Philharmonic. Het vorige optreden van Simone Lamsma in de was in juni 2023 een met Thomas Beijer, die voor die gelegenheid een vioolsonate componeerde.




