Jaap van Zweden leidt het Concertgebouworkest in Bruckners Vierde

Koninklijk Concertgebouworkest
Jaap van Zweden dirigent

Dit programma maakt deel uit van de series B en E.

Ook interessant:
- Hoe kwam Bruckner tot zijn meesterwerken?
- Portret van Steve Reich
- 9 x componisten met bijzondere bijbanen

Steve Reich (1936)  

Music for Ensemble and Orchestra (2018) 
Sixteenths — Eighths — Quarters — Eighths — Sixteenths
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest

pauze ± 20.40 uur

Anton Bruckner (1824-1896)

Symfonie nr. 4, ‘Romantische’ (1874, 1878-80)
Bewegt, nicht zu schnell
Andante quasi allegretto 
Scherzo: Bewegt – Trio: Nicht zu schnell. Keinesfalls schleppend 
Finale: Bewegt, doch nicht zu schnell 

einde ± 22.20 uur

     

Toelichting

Toelichting

Door Dirk Luijmes

De laat-negentiende-eeuwse symfonieën van Anton Bruckner vertonen interessante parallellen met muziek die pas veel later ontstond. Typerend zijn bijvoorbeeld het werken met vaak herhaalde motieven, en het denken in contrasterende grote ‘blokken’ waarin Bruckner verschillende orkestgroepen en ’s tegenover elkaar zet. Beide kenmerken vinden we anderhalve eeuw later terug bij Steve Reich, zij het binnen een welhaast tegenovergestelde context, namelijk een ‘niet-romantische’: Reich wil niets uitdrukken met zijn muziek. Bij hem worden motieven voortdurend herhaald om een proces hoorbaar te maken. Wanneer zo’n proces voltooid is, wordt overgeschakeld naar een volgend ‘blok’ met nieuwe motieven. 

Steve Reich (1936)

Music for Ensemble and Orchestra

Alweer zo’n zestig jaar geleden begon de Amerikaan Steve Reich zich als componist te profileren. Een van zijn eerste officiële stukken was de tapecompositie It’s Gonna Rain uit 1965, waarin hij één opname tegelijkertijd in verschillende snelheden liet horen. Met dit soort werken zou Reich een van de belangrijke aartsvaders worden van de muziekstroming die we kennen als minimal music, repetitieve muziek of – volgens Reich zelf – ‘process music’: muziek met veelvuldig herhaalde korte fragmenten, die geleidelijk verandert. Dat gebeurt op een transparante, procesmatige manier die voor de luisteraar goed te volgen is. 

  • Steve Reich

Voor muziekliefhebbers die veel twintigste-eeuwse klanken beschouwden als ‘piep- en knarsmuziek’, was het herkenbare melodische en harmonische kader van de nieuwe stroming een verademing. Naast collega’s als Terry Riley en Philip Glass bleef Reich een van de toonaangevende ­minimalcomponisten. Stil zitten deed hij niet: in zijn omvangrijke oeuvre ontwikkelde hij zich voortdurend. Draaide het in zijn vroege werken vooral om ‘phase shifting’ (faseverschuivingen) en , langzamerhand verschoof zijn focus ook naar harmonische en melodische processen. Daarnaast liet hij zijn muzikale taal in de loop van de jaren mede bepalen door niet-westerse muziek (uit Ghana en Bali) en werd hij geïnspireerd door Joodse tiek.  

Ron­dom zijn tachtigste verjaardag werd Reich benaderd door onder meer de Los Angeles Philharmonic om een orkestwerk te schrijven. Een interessante uitdaging: vanaf de jaren 1980 had de componist het vermeden voor grote ensembles te schrijven, omdat hij had geconstateerd dat de traditionele orkesten nauwelijks affiniteit met zijn werk hadden. Dat veranderde: steeds meer musici raakten vertrouwd met zijn muziek en Reich nam de handschoen op. Model voor zijn Music for Ensemble and Orchestra uit 2018 werd het concerto grosso. In de achttiende eeuw hadden veel meesters zich bediend van deze vorm waarin meerdere solisten (het ‘concertino’) een dialoog aangaan met het tutti-­orkest (het ‘ripieno’). Reich koos voor een twintigtal solisten, namelijk de aanvoerders van de strijkers en blazers aangevuld met twee vibrafoonspelers en twee pianisten; in het orkest nemen de ten een centrale plaats in. De solisten vormen onderling verschillende paren, die hun basismateriaal langzaam ontwikkelen, met op de achtergrond het orkest. De vijf delen van het werk bracht Reich samen in een ABCBA-vorm: een boogvorm die onder meer bij Béla Bartók voorkomt en die hij zelf ook al meermaals had beproefd, zoals in Runner voor groot ensemble (2016), de zustercompositie en voorloper van Music for Ensemble and Orchestra. In de hoekdelen draait het om de snelle zestiende notenwaarden, in het B-gedeelte om de achtsten en in het langzame middengedeelte om de kwarten. De tonale centra van de verschillende delen, respectievelijk A-C-Es-Fis-A, vormen een vergelijkbare boog.

De wereldpremière in 2018 was een succes. Music for Ensemble and Orchestra, schreef de Amerikaanse pers, ‘laat op een briljante wijze het werk zien van een meesterlijke vakman, die een leven lang zijn techniek heeft ontwikkeld: het werk schittert als een veelzijdig juweel.’ 

Anton Bruckner (1824-1896)

Vierde symfonie, ‘Romantische’

Nadat op 20 februari 1881 zijn Vierde symfonie in Es groot ten doop was gehouden, kon Anton Bruckner uitermate tevreden zijn. Na elk deel moest hij naar voren komen om het applaus in ontvangst te nemen. Vele jaren later schreef hij nog enthousiast: ‘Het succes in Wenen zal ik niet vergeten.’

  • Anton Bruckner

De eerste versie van de symfonie dateert uit 1874. Vier jaar later, vlak nadat zijn Derde symfonie door de Weense critici was neergesabeld, herzag Bruckner het werk grondig: hij verkortte de hoekdelen, verving ‘onspeelbare’ vioolpassages in het en schreef een geheel nieuw . Na 1880 onderging het werk nog tal van veranderingen, maar dan door toedoen van anderen. De componist noemde zijn Vierde zelf ‘de Romantische’, een bijnaam die hij ook op de noteerde. Commentatoren die Bruckners symfonieën graag als autonome kunstwerken zien weten niet altijd wat ze aan moeten met de losse ‘programmatische’ opmerkingen die van Bruckner zelf zouden zijn. Zo schetste de componist bij het eerste deel het volgende beeld: ‘Een middel­eeuwse stad – ochtendschemering. Vanaf de torens worden we gewekt. De stadspoorten gaan open. Op vurige paarden rijden de ridders naar buiten – het bos ruist.’ Elders noteerde Bruckner in telegramstijl naar aanleiding van deel twee: ‘, gebed, ’. Bij deel drie schreef hij ‘jacht’, en bij het ‘tijdens het middagmaal in het bos een Leierkast (draaiorgeltje) klinkt.’ En de finale? De componist wist niet meer ‘was i dabei denkt hab’. 

In het openingsdeel horen we in het begin boven de ’s van de strijkers de s, die een karakteristieke ()sprong laten horen. Dit signaal, gevormd door de natuurtonen van de hoorn, wordt een belangrijke bouwsteen, een soort motto dat ook in andere delen van de symfonie opduikt. Het tweede gegeven is een combinatie van een soort vogelroep (in de violen, kennelijk volgens Bruckner de zang van een koolmees: ‘zi-zi-pe’) en een zangerige in de altviolen. Als derde klinken dalende motieven in het koper. Bruckner verwerkt het materiaal op een sfeervolle wijze en combineert een en ander met religieus getinte klanken. 

In het tweede deel horen we onder meer een weemoedige melodie in de ’s in een soort treurmars, een achtige passage in de strijkers en meer ritmische motieven bij de . In het Scherzo presenteren de hoorns zich als de traditionele jachtinstrumenten; het middendeel ervan – het Trio met de melodie in fluit en klarinet – is er. De donkere Finale zit vol contrasten en bevat ook muzikaal materiaal uit de andere delen; zo horen we in de apotheose triomfantelijk het hoornsignaal uit het openingsdeel terug.

Toen de Vierde symfonie in het najaar van 1897 voor het eerst door het Concertgebouworkest werd gespeeld, waren publiek en pers nog niet klaar voor Bruckners universum. Dat ‘verscheidene bezoekers voor de Symphonie op de vlucht gingen’ vonden de critici niet verwonderlijk omdat het werk ‘niet van matheid en eentonigheid is vrij te pleiten’.

Biografie

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Jaap van Zweden, dirigent

Jaap van Zweden is music director van het Seoul Philharmonic Orchestra sinds 2024; daarvoor stond hij aan het roer van het Hong Kong Philharmonic Orchestra en de New York Philharmonic. In september 2026 wordt hij chef- van het Orchestre Philharmonique de Radio France, waarmee hij afgelopen oktober al in de stond. Jaap van Zweden studeerde bij onder anderen Davina van Wely.

Na het winnen van het Nationaal Vioolconcours ‘Oskar Back’ in 1977 vertrok hij, zestien jaar oud, naar New York om verder te studeren aan de Juilliard School of Music. In 1979 werd hij concertmeester van het Concertgebouworkest, met negentien jaar de jongste uit de geschiedenis. In 1997 verruilde Jaap van Zweden zijn strijkstok definitief voor de baton.

Hij vervulde chef-schappen bij het Orkest van het Oosten, het Residentie Orkest en de Filharmonie in Antwerpen, en was chef-dirigent en ­artistiek leider van het Radio Filharmonisch Orkest. Na zijn benoeming tot chef-dirigent van het Dallas Symphony Orchestra in 2008 – een functie die hij tot 2018 vervulde – nam zijn carrière een internationale vlucht. Hij leidde vooraanstaande orkesten als het Chicago Symphony Orchestra, het London Philharmonic Orchestra en de Berliner Philharmoniker.

Met het Hong Kong Philharmonic Orchestra nam hij Wagners Der Ring des Nibelungen integraal op cd op. Onder zijn talloze bejubelde opnamen bevinden zich ook de complete symfonieën van Beethoven en Brahms en Wagners ­Parsifal, waarvoor hij in 2012 een Edison in ontvangst mocht nemen. Door Musical America werd hij in dat jaar gehuldigd als Conductor of the Year.

Jaap van Zweden stond voor het eerst in 1998 als dirigent voor het Concertgebouworkest en is met grote regelmaat te gast, zoals in januari 2023 met werken van Wagner en Clyne. In oktober 2023 verscheen zijn biografie Dat is Jaap, opgetekend door Peter van Ingen; dat jaar kreeg hij ook de Concertgebouw Prijs.

Lees ook het interview met Jaap van Zweden uit mei 2018: 'Elke dag als ik opsta en de  ligt voor me, denk ik: wat is dit een feest'