Iván Fischer leidt Bruckner en Bach bij het Concertgebouworkest
Concertgebouworkest
Iván Fischer dirigent
Dit concert maakt deel uit van de series D en E.
Lees ook: Wie was Anton Brucker? (biografie)
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Orkestsuite nr. 4 in D gr.t., BWV 1069 (ca. 1725-30)
Ouverture
Bourrée I/II
Gavotte
Menuet I/II
Réjouissance
pauze ± 20.40 uur
Anton Bruckner (1824-1896)
Symfonie nr. 3 in d kl.t. (1872-78, versie 1889)
Mehr langsam, Misterioso
Adagio, bewegt, quasi Andante
Ziemlich schnell
Allegro
einde ± 22.10 uur
Toelichting
In september 2024 is het 200 jaar geleden dat Anton Bruckner werd geboren. Dat viert het Concertgebouworkest met de uitvoering van Bruckners negen ‘genummerde’ symfonieën binnen anderhalf jaar. Honorair gastdirigent Iván Fischer bijt het spits af met Bruckners Derde symfonie. Bij de concerten van 14 en 15 december laat hij die voorafgaan door muziek van Bruckners grote voorganger als componist en organist, Johann Sebastian Bach.
Anton Bruckner 1824-1896
Derde symfonie
Door Dirk Luijmes
Het kan verkeren. Terwijl vandaag de dag tal van muziekliefhebbers zich likkebaardend verheugen op het Brucknerjaar 2024, had men ruim een eeuw geleden helemaal geen hoge pet op van de Oostenrijkse meester. Toen in 1892 Anton Bruckners Derde symfonie in d klein klonk in Het Concertgebouw – de eerste keer dat in deze zaal überhaupt een Bruckner-symfonie werd geprogrammeerd – waren de reacties overwegend lauw. Het was voor een criticus een raadsel wat chef- Willem Kes en het vier jaar eerder opgerichte Concertgebouworkest had bewogen ‘zóóveel moeite te geven om op hunne manier, dat wil zeggen, voortreffelijk in de hoogste mate, een werk uit te voeren, wat misschien enkelen geboeid, doch velen met mij min of meer verveeld heeft.’
De eerste versie van Bruckners Derde was destijds zo’n twintig jaar oud. De componist begon het werk in 1872 en besloot een jaar later de samen met die van de Tweede symfonie mee te nemen naar Richard Wagner in Bayreuth. Bruckner hoopte dat zijn grote idool de opdracht van een van beide werken wilde accepteren. Wagner vond de Tweede ‘recht gut’ maar besteedde meer aandacht aan de Derde, die Bruckner dan ook aan hem mocht opdragen. Sindsdien staat het werk ook wel bekend als de ‘Wagnersymfonie’. Volgens zijn biograaf August Göllerich had Bruckner in de symfonie oorspronkelijk verschillende Wagnercitaten opgenomen. Inmiddels is duidelijk dat het hoogstens om vage verwijzingen naar Wagners muziek gegaan moet zijn, die bovendien later werden verwijderd.
De Derde zou een hoofdpijndossier worden voor Bruckner. De Wiener Philharmoniker wilde de symfonie – die in eerste instantie niet minder dan 2056 maten telde – aanvankelijk niet eens bij een repetitie doorspelen. Pas nadat Bruckner verschillende veranderingen had aangebracht ontfermde het orkest zich over deze tweede versie. De première op 16 december 1877 werd een debacle: toen de laatste maten klonken was er maar een klein groepje jongeren dat klapte; de rest van het publiek was weg, of was aan het lachen en sissen. De bekendste kritiek kwam van de beruchte Weense criticus Eduard Hanslick die toegaf dat hij niets van het gigantische stuk had begrepen, maar wel hoorde hoe in de symfonie ‘Beethovens Negende vriendschap sloot met Wagners Walküre en uiteindelijk onder de hoeven van haar paarden komt.’ ‘Laszt’s mi aus, die Leut woll’n nix von mir wissen!’, huilde Bruckner, maar dat was maar ten dele waar: uitgever Thomas Rättig, die in het publiek zat, besloot de symfonie uit te geven. Daarmee werd de Derde Bruckners eerste symfonie die in druk verscheen. Een andere enthousiaste aanwezige, de jonge Gustav Mahler, zorgde voor een piano-uittreksel.
Toch bleef het werk een zorgenkindje voor Bruckner: meer dan tien jaar later reviseerde hij de symfonie nog eens grondig. De première van deze ‘Dritte Fassung’ op 21 december 1890 werd uiteindelijk wél een succes. In het eerste deel, waarvan het begin inderdaad doet denken aan dat van Beethovens Negende (ook in d klein), wordt het eerste bepaald door een pregnant motief. Een tweede gegeven in de altviolen wordt gevolgd door een thema. Ook in het breed uitgesmeerde, hymne-achtige tweede deel horen we meerdere thema’s; het thema van de ‘misterioso’-passage zou Bruckner, naar eigen zeggen, zijn ingevallen op 16 oktober 1872, een dag na de naamdag van zijn moeder Theresia. Na het dansante (het derde deel, Ziemlich schnell) volgt de finale waarin een polka wordt gecombineerd met een koraalmelodie. ‘De polka staat voor de humor en het geluk in de wereld,’ aldus Bruckner zelf, ‘het koraal voor het treurige en pijnlijke.’ Bijzonder genoeg werd ook deze derde versie uitgegeven.
Johann Sebastian Bach 1685-1750
Bruckner en Bach
Door Dirk Luijmes
Bruckner bestudeerde niet alleen de doorwrochte en revolutionaire muziek van Richard Wagner, hij verdiepte zich ook in een geheel ander idioom: dat van Johann Sebastian Bach. Hoe verschillend de klankwerelden van de ke, achttiende-eeuwse Kantor en de romantische, negentiende-eeuwse Oostenrijker ook waren, er zijn ook overeenkomsten tussen de vakbroeders te vinden. In de levens van beide musici speelde religie een grote rol – al zullen de piëtistische Bach en de katholieke Bruckner een ander godsbeeld hebben gehad.
Bovendien waren beide componisten ook werkzaam als organist. Bruckner, die in zijn symfonieën graag verschillende ’s combineerde, moet zijn vingers hebben afgelikt bij de polyfone werken van Bach. Daaronder Die Kunst der Fuge, een werk dat Bruckner als hulponderwijzer op een spinet speelde. Als organist hield Bruckner ervan tijdens concerten te improviseren, maar áls hij muziek van anderen speelde was dat meestal van Bach. Het concert met de première van zijn Tweede symfonie begon Bruckner bijvoorbeeld achter het , waarop hij een toccata van Bach liet horen. Het dat Bruckner in zijn symfonieën tentoonspreidt (denk aan de Vijfde!) zou zonder Bach ondenkbaar zijn geweest.
Johann Sebastian Bach 1685-1750
Vierde orkestsuite
Door Dirk Luijmes
Bach en Bruckner staan in dit programma gebroederlijk naast elkaar. Bach is vandaag niet aanwezig in zijn rol als kerkmusicus of als intelligente stemmenwever, maar als de auteur van kleurrijke dansmuziek. Zijn Vierde orkestsuite in D groot, BWV 1069 schreef hij vermoedelijk aan het hof van Köthen. In de was het gebruikelijk dat dit soort werken de naam ‘Ouverture’ kregen, naar het gelijknamige, uitgebreide openingsdeel. Deze entree was in negen van de tien gevallen gemodelleerd naar de ouvertures van de peetvader van de Franse Barok, Jean-Baptiste Lully. Aan een majestueus, feestelijk begin met gepuncteerde s (láng, kort, láng, kort, láng enz.) koppelde die een snel, Italiaans gekleurd, tisch gedeelte, waarna het begin weer kon terugkeren. Dat Bach zich van dit Franse voorbeeld bediende is niet verwonderlijk. Al tijdens zijn schooljaren in Lüneburg moet hij kennis hebben genomen van de Franse stijl, die favoriet was aan de hofkapel van het nabijgelegen Celle.
Bovendien zou het ‘Franse Ouverture-type’ binnen korte tijd heel Europa veroveren. Op het openingsdeel volgt een aantal gestileerde (Franse) dansen. In de feestelijke Vierde orkestsuite slaat Bach gebruikelijke dansen als de courante en de sarabande over en gaat hij meteen naar twee bourrées (‘dieser lustiger Tanz’, aldus een tijdgenoot), een gavotte (‘Ihr Affect ist wircklich eine recht jauchzende Freude’) en twee galante ten. De laatste dans van de is een zogenoemde réjouissance. Je hoeft er het Franse woordenboek niet voor open te slaan om te vermoeden deze term ‘vrolijkheid’ betekent, want met ritmische verspringingen en trillertjes sluit Bach deze suite opgewekt af. Het is goed mogelijk dat in de eerste versie van de Vierde orkestsuite geen ten en meespeelden en Bach die instrumenten pas later toevoegde. Het openingsdeel zou de Thomaskantor in 1725 recyclen in zijn ‘Unser Mund sei voll Lachens’, BWV 110.
Biografie
Iván Fischer, dirigent
Iván Fischer studeerde piano, viool, en compositie in Boedapest, en vervolgde zijn opleiding in Wenen met lessen orkestdirectie van Hans Swarowsky. Daarop was hij twee seizoenen lang assistent van Nikolaus Harnoncourt. In 1983 richtte Iván Fischer het Budapest Festival Orchestra op.
Met dit gezelschap, waarvan hij nog steeds chef- is, voerde hij vele vernieuwingen door, zoals ‘chocomelconcerten’ voor kleine kinderen, ‘Midnight Music’-concerten voor een jong publiek, verrassingsconcerten en verschillende educatie- en outreachprojecten, zoals een tournee langs voormalige synagogen.
Hij is actief als componist en regisseur met zijn Iván Fischer Opera Company en richtte diverse festivals op, waaronder het Vicenza Opera Festival. In het verleden stond hij aan het roer van Kent Opera, de Opéra National de Lyon, het National Symphony Orchestra in Washington en het Konzerthausorchester in Berlijn, waar hij sindsdien eredirigent is.
Bij het Concertgebouworkest is Iván Fischer al sinds 1987 vrijwel jaarlijks te gast. Vanwege zijn belangrijke artistieke bijdragen benoemde het orkest hem tot honorair gastdirigent met ingang van het seizoen 2021/2022. In maart kreeg hij de vijftiende Concertgebouw Prijs. Eerder ontving Iván Fischer de Kossuth Prijs, de Ovatie Prijs en de Crystal Award van het World Economic Forum voor het steunen van internationale cultuuruitwisseling, en is Chevalier des Arts et des Lettres en erelid van de Royal Academy of Music in Londen.
Iván Fischer beperkt zijn gastdirigentschappen tot slechts enkele orkesten om voldoende tijd en aandacht te kunnen geven aan het componeren, aan zijn Budapest Festival Orchestra en zijn operagezelschap, en aan het voortdurend ontwikkelen van creatieve ideeën. Hij is een erkend voorvechter voor mensenrechten, democratie en tolerantie.
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest


