Iván Fischer leidt Bartók bij het Concertgebouworkest

Concertgebouworkest
Iván Fischer dirigent
Zoltán Fejérvári piano (Pianoconcert nr. 1)
János Balázs piano (Pianoconcert nr. 2)
Dénes Várjon piano (Pianoconcert nr. 3)

Dit programma maakt deel uit van de series A en D.

Ook interessant:
- Bartók en de piano
- Béla Bartók: intrigerend, veelzijdig

Béla Bartók (1881-1945)

Pianoconcert nr. 1 (1926)
Allegro moderato
Andante
Allegro molto

korte pauze ± 20.40 uur

Pianoconcert nr. 2 (1931)
Allegro
Adagio, Presto, Adagio
Allegro molto

pauze ± 21.30 uur

Pianoconcert nr. 3 (1945)
Allegretto
Adagio religioso
Allegro vivace

einde ± 22.30 uur

Toelichting

Béla Bartók (1881-1945)

Iván Fischer leidt Bartók bij het Concertgebouworkest

Door Peter Laki

Honorair gastdirigent Iván Fischer leidt het Concertgebouworkest en drie van de beste Hongaarse pianisten van dit moment in alle drie pianoconcerten van hun landgenoot Béla Bartók.

De pianoconcerten ontstonden in verschillende fasen van Bartóks carrière. Het Eerste pianoconcert, waarin naast de piano het letterlijk en figuurlijk centraal staat, is deels beïnvloed door Igor Stravinsky. Hiermee begon een fase waarin Bartók een nieuwe balans tussen traditionele en moderne elementen bereikte en geen piano-solowerken meer schreef, alleen grootschaliger werken. Daaronder het Tweede pianoconcert voor piano, blaas­instrumenten en . Toen Bartóks ziekte een eind maakte aan de gezamenlijke concerten met zijn vrouw, Ditta Pásztory-Bartók, schreef hij voor haar (bij wijze van verjaardagscadeau) zijn Derde pianoconcert. Het bezit een klassieke puurheid en eenvoud die in zijn eerdere muziek nog niet aanwezig was.

Eerste pianoconcert

Het Eerste pianoconcert (1926) opent met een puur ritmisch : een enkele herhaalde noot in de solopiano en de pauken. Die specifieke combinatie, die het slot van Ludwig van Beethovens ‘Keizersconcert’ in herinnering brengt, krijgt bij Bartók een geheel nieuwe betekenis. Ze blijkt een van de kiemen te zijn van het gehele werk. Ook het tweede deel begint als een dialoog tussen de piano en de slagwerksectie. Volgens Bartóks instructies moeten de slagwerkers direct achter de solist gesitueerd zijn, om hun muzikale interacties gemakkelijker te maken – bijna op de manier zoals we dat veel later zullen zien in Bartóks voor twee piano’s en slagwerk (1937).

De ritmische herhalingen van die ene noot aan het begin groeien uit tot een eerste , dat met zijn voortdurend veranderende metrische patronen een behoorlijke uitdaging vormt voor de musici. Het tweede thema is regelmatiger en melodischer; door zijn pentatoniek (een toonschaal met vijf tonen in het ) lijkt het een afleiding van de duizenden Hongaarse volksliederen die Bartók jarenlang had verzameld en geanalyseerd. Het percussieve eerste motief keert terug en maakt plaats voor een mysterieuze langzamere passage. De muziek bereikt echter geleidelijk weer zijn tempo, waarbij het eerdere materiaal door imitatief een nog grotere dichtheid en onrust bereikt.

Het tweede deel is een van Bartóks mysterieuze ‘nachtmuzieken’. In gedetailleerde aanwijzingen wordt de slagwerkers gevraagd de trommels met verschillende soorten stokken op verschillende punten te bespelen, om een maximale diversiteit aan klankeffecten te bereiken. De strijkers zwijgen in dit deel; de blazers klinken pas na enige tijd, met een espressivo die opbouwt naar een climax en weer afneemt in volume. Ten slotte blijven piano en slagwerk alleen achter, zoals aan het begin, waarmee de boogvorm wordt voltooid die een van Bartóks favoriete muzikale constructies was.
Zoals zo vaak bij Bartók is de finale een gevarieerde reprise van het eerste deel. Opnieuw wisselen toonsherhalingen en meer melodische thema’s elkaar af. Deze keer ontketent Bartók echter – voor het eerst in het werk – enkele onvervalste tutti-klanken. Woeste s, rijke ën en volop sfeercontrasten domineren het Eerste pianoconcert tot aan zijn geprononceerde slot.

  • Béla Bartók

Tweede pianoconcert

In een vaak geciteerd artikel over het Tweede pianoconcert (1930-31) beweert Bartók dat hij daarmee een technisch minder uitdagend werk wilde schrijven dan het Eerste, maar je kunt je afvragen wat daarvan waar is. De solopartij is zeker zo duivels moeilijk als in het eerdere pianoconcert, al is de toon iets lichter en speelser.

In navolging van Stravinsky’s pianoconcert, waarin het orkest gereduceerd is tot en , liet Bartók in het eerste deel de strijkers weg (wel gebruikte hij een uitgebreider arsenaal aan instrumenten). Een andere onverbloemde hommage aan Stravinsky is de opening met het overduidelijke citaat uit De vuurvogel: het zijn dezelfde noten, hoewel het anders is. Maar de manier waarop dit – dat het hele eerste deel domineert – zich ontwikkelt, kan alleen Bartók zijn: hij vervormt het, imiteert het isch en draait het om, daarbij onverwachte muzikale mogelijkheden ontdekkend. Na een halsbrekende ­solocadens bereikt het openingsdeel een majestueus slot.

Het is, opnieuw, een soort ‘nachtmuziek’: het begint met een zacht zesstemmig in de – gedempte – strijkers. De piano introduceert een teder thema, dat zowel in originele vorm als in de omkering [op z’n kop, red.] klinkt, omlijst door herhalingen van het koraal. Dan barst vanuit het niets een wervelend los. Volgens de Hongaarse musicoloog János Kárpáti (1932-2021) is het een muzikale vertaling van ‘afgrijselijke nachtmerries, wilde achtervolgingen en portretten van een woeste Natuur’. Het openings-Adagio keert terug in gevarieerde vorm: het strijkerskoraal krijgt door gebruik van , sul ponticello (zeer snel herhaalde noten, dicht bij de kam gestreken) een griezelig karakter, en het pianothema klinkt nog urgenter dan voorheen.

Het thematische materiaal in de finale is veelal afgeleid van het eerste deel, zij het met toevoeging van een belangrijk nieuw thema – een aanhoudend herhaalde kleine terts, een favoriet bij Bartók. Daarnaast keert het Vuurvogel-citaat terug in vele nieuwe gedaanten, waaronder een dromerige romantische versie, compleet met poëtische ’s in de piano. Het slot is echter ferm en vastberaden, waarbij de eindigen met de dalende-­kwartcadens die veel Hongaarse volksliederen kenmerkt.

  • Béla Bartók en zijn vrouw Ditta geven een concert in Boedapest, 1939

Derde pianoconcert

Ondanks zijn eerdere bewering met betrekking tot het Tweede pianoconcert, bereikte Bartók pas echt ‘lichtheid’ toen hij zijn Derde componeerde in de idyllische omgeving van Saranac Lake, New York, tijdens de laatste fase van zijn ziekte in 1945. Anders dan de eerste twee pianoconcerten schreef hij dit werk niet voor zichzelf, maar voor zijn vrouw Ditta, duidelijk met de bedoeling om haar te voorzien van een soloconcertwerk na zijn dood.

Het Derde pianoconcert opent met een vredig op de piano, met beide handen op een afstand gespeeld boven een wiegende strijkersbegeleiding. Een scherzando tweede thema, een korte maar emotionele doorwerking en een eenvoudige recapitulatie vormen samen de belangrijkste bouwstenen van het eerste deel.

Het religioso is Bartóks zeer persoonlijke antwoord op het langzame deel van Beethovens Strijkkwartet in a klein, op. 132, met de veelzeggende titel ‘Heiliger Dankgesang eines Genesenen an die Gottheit, in der lydischen Tonart’. Een zachte melodie op de piano wordt omringd door plechtige tussenspelen van de strijkers. Dan versnelt plotseling het tempo en beginnen griezelige klanken te ontstaan. De muziek lijkt zoemende insecten en tsjirpende vogels te imiteren en de geluiden zwellen van een mysterieus pianissimo aan tot een vol forte, wanneer de geprononceerde klanken van en xylofoon zich voegen bij de steeds uitgebreidere piano-’s. Dit intermezzo eindigt net zo abrupt als het begon: de koraalmelodie keert terug in de , verweven met een nieuw pianothema dat bijna als een tweestemmige inventie van Johann Sebastian Bach klinkt, nu en dan onderbroken door een enkele korte .

Na de dood van haar man was Ditta Bartók niet in staat de première van het Derde pianoconcert te spelen

Het opgewekte hoofdthema van de finale is gebaseerd op het ritmische patroon van een bepaald soort Hongaars volkslied waar Bartók in zijn etnomusicologische artikelen veel aandacht aan had besteed. Dit deel is in een vorm gegoten, met tische episodes die opnieuw een hommage zijn aan Bach. Bartók voelde zo sterk dat hij de voltooiing naderde dat hij reeds de dubbele streep trok, gevolgd door het woord vége (‘einde’) – een woord dat vlak nadat het werd opgeschreven, verdrietig genoeg, een symbolische betekenis kreeg. De laatste zeventien maten bleven ongeorkestreerd en werden later verder ingevuld door Bartóks vriend, de componist Tibor Serly.

Na de dood van haar man was Ditta niet in staat de première van het Derde pianoconcert te spelen. De eer ging naar een andere voormalige Hongaarse leerling van Bartók, György Sándor (1912-2005). Ditta, die in 1946 vanuit de Verenigde Staten terugkeerde naar Hongarije, zou het voor haar bedoelde concert pas jaren later oppakken.

vertaling: Martijn Voorvelt

Orkestfeiten

Bartók: Eerste pianoconcert
De eerste uitvoering door het Concertgebouworkest was op 8 november 1928 onder leiding van Pierre Monteux met Béla Bartók als solist. De laatste van in totaal slechts tien uitvoeringen werd op 20 september 1997 gedirigeerd door Peter Eötvös, waarbij Pierre-Laurent Aimard soleerde.

Bartók: Tweede pianoconcert
De eerste van dertig uitvoeringen vond op 28 oktober 1945 plaats onder Eduard van Beinum met Luctor Ponse als solist. De laatste was op 23 september 2011 met Stefan Asbury en pianist Lang Lang.

Bartók: Derde pianoconcert
Tot nu toe in totaal 63 keer uitgevoerd door het Concertgebouworkest; de eerste keer was op 16 april 1947 onder leiding van Eduard van Beinum met Peter Stadlen als solist. De laatste uitvoering was op 4 september 2013 in Berlijn (de laatste in Amsterdam was op 22 augustus dat jaar) onder Daniele Gatti met aan de piano Yefim Bronfman.

Biografie

Iván Fischer, dirigent

Iván Fischer studeerde piano, viool, en compositie in Boedapest, en vervolgde zijn opleiding in Wenen met lessen orkestdirectie van Hans Swarowsky. Daarop was hij twee seizoenen lang assistent van Nikolaus Harnoncourt. In 1983 richtte Iván Fischer het Budapest Festival Orchestra op.

Met dit gezelschap, waarvan hij nog steeds chef- is, voerde hij vele vernieuwingen door, zoals ‘chocomel­concerten’ voor kleine kinderen, ‘Midnight Music’-concerten voor een jong publiek, verrassingsconcerten en verschillende educatie- en ­outreachprojecten, zoals een tournee langs voormalige synagogen.

Hij is actief als componist en regisseur met zijn Iván Fischer Opera Company en richtte diverse festivals op, waaronder het Vicenza Opera Festival. In het verleden stond hij aan het roer van Kent Opera, de Opéra National de Lyon, het National Sym­phony Orchestra in Washington en het Konzerthausorchester in Berlijn, waar hij sindsdien eredirigent is.

Bij het Concertgebouworkest is Iván Fischer al sinds 1987 vrijwel jaarlijks te gast. Vanwege zijn belangrijke artistieke bijdragen benoemde het orkest hem tot honorair gastdirigent met ingang van het seizoen 2021/2022. In maart kreeg hij de vijftiende Concertgebouw Prijs. Eerder ontving Iván Fischer de Kossuth Prijs, de Ovatie Prijs en de Crystal Award van het World Economic Forum voor het steunen van internationale cultuuruitwisseling, en is Chevalier des Arts et des Lettres en erelid van de Royal Academy of Music in Londen.

Iván Fischer beperkt zijn gastdirigentschappen tot slechts enkele orkesten om voldoende tijd en aandacht te kunnen geven aan het componeren, aan zijn Budapest Festival Orchestra en zijn operagezelschap, en aan het voortdurend ontwikkelen van creatieve ideeën. Hij is een erkend voorvechter voor mensenrechten, democratie en tolerantie.

Zoltán Fejérvári, piano

Zoltán Fejérvári studeerde bij Dénes Várjon, András Kemenes en Rita Wagner aan de Franz Liszt Muziekacademie in zijn geboortestad Boedapest en bij Dmitri Bashkirov in Madrid. Sir András Schiff selecteerde hem voor zijn project Building Bridges, waarin hij uitzonderlijk getalenteerde jonge pianisten introduceert.

Zoltán Fejérvári gaf s in Carnegie Hall, de Gasteig in München, het Palau de Música in Valencia en de Biblioteca Nacional de Buenos es.

Als solist trad hij op met het Boedapest Festival Orkest, het Hongaars Nationaal Orkest en het Verbier Chamber Orchestra. In 2016 ontving Zoltán Fejérvári de Borletti Buitoni Trust Award en in 2017 won hij het Concours Musical International de Montréal. Zijn eerste solo-cd kon rekenen op jubelende recensies; Gramophone noemde het ‘de meest gevoelige en overtuigende opname’ van het werk van Janáček. Over zijn cd Schumann (2020) oordeelde hetzelfde vakblad: ‘Fejérvári is een uiterst communicatief kunstenaar, die een onverstoorbare en meesterlijke beheersing van zijn instrument combineert met onberispelijke muzikaliteit.

Wie hem nog moet horen, kan zich verheugen op een zeldzame traktatie.’ Dat komt goed uit: Zoltán Fejérvári debuteert bij het Concertgebouworkest.

János Balázs, piano

János Balázs is een van de meest succesvolle Hongaarse pianisten van de laatste jaren. Hij studeerde aan de Franz Liszt Muziekacademie in Boedapest, waar hij tegenwoordig zelf hoofddocent is.

János Balázs is niet alleen thuis in het klassieke repertoire. Hij is een improvisator en laat ook volksmuziek en jazz toe in zijn opvallende programma’s, waarmee hij een breed publiek bereikt – niet alleen in zijn thuisland, maar ook in zalen als het Palau de Música in Barcelona, de Barbican in Londen en het Wiener Konzerthaus.

Zijn grote voorbeelden zijn Franz Liszt en György Cziffra. In 2016 richtte János Balázs het György Cziffra Festival op, dat onder zijn artistieke leiding een grote reputatie heeft opgebouwd met ­prominente gastsolisten als cellist Mischa Maisky, tenor José Cura, violist Vadim Repin en pianisten Arcadi Volodos, Fazıl Say, Pierre-Laurent Aimard en Evgeny Kissin.

Vanwege zijn verdiensten voor de Hongaarse muziek ontving hij in 2019 als jongste musicus ooit de prestigieuze Kossuth Prijs. In hetzelfde jaar werd hij benoemd tot Steinway Artist.

János Balázs debuteert bij het Concertgebouworkest.

Dénes Várjon, piano

Dénes Várjon studeerde in 1991 af aan de Franz Liszt Muziek­academie in zijn geboorteplaats Boedapest. Hier volgde hij lessen bij onder anderen György Kurtág en Ferenc Rados.

Hij won eerste prijzen op het Leo Weiner Kamermuziekconcours in ­Boedapest en het Géza Anda Concours in Zürich en bouwde een internationale ­carrière op met optredens in de Londense Wigmore Hall, Carnegie Hall in New York en het Wiener Konzerthaus en solobeurten bij het Budapest ­Festival Orchestra, het Tonhalle-­Orchester Zürich, het Chamber Orchestra of Europe, de Kremerata Baltica en de ­Academy of St Martin in the Fields.

Dénes Várjon vormt een pianoduo met zijn vrouw Izabella Simon en speelt ook graag kamermuziek met collega’s als Tabea Zimmermann, Kim Kashkashian, Jörg Widmann en András Schiff. Met Leonidas Kavakos musiceerde de pianist in 2004 en 2006 in de , waar hij in 2001 zijn debuut had gemaakt met cellist Miklós Perényi.

Hij keerde er nog terug met violist Joshua Bell en cellist Steven Isserlis (2010), en in de speelde hij in april 2022 Bartók met het Concertgebouworkest en Iván Fischer. Dénes Várjon doceert aan de Franz Lis­zt Muziek­academie en aan de Kronberg Academy in Duitsland. In 2020 kreeg hij de Kossuth Prijs, de belangrijkste ­culturele onderscheiding van Hongarije.