Iván Fischer & Boedapest Festival Orkest: Stravinsky  

Igor Stravinsky (1882-1971)

Four Norwegian Moods (1942)
Intrada
Song
Wedding Dance
Cortège

Scherzo à la russe (1945)

Tango (1940)

Psalmensymfonie (1930)
voor gemengd koor en orkest
Exaudi orationem meam, Domine
Expectans expectavi Dominum
Alleluia, Laudate Dominum 

pauze ± 21.00 uur 

Le sacre du printemps (1911-13)
tableaux de la Russie païenne en deux parties
Première partie: L’adoration de la terre
Seconde partie: Le sacrifice 

einde ± 22.15 uur

Toelichting

Igor Stravinsky (1882-1971)

Four Norwegian Moods

Door Michiel Cleij

Bij grote kunst zijn dingen vaak niet wat ze lijken, en dat geldt ook voor het werk van Igor Stravinsky. Zijn ‘barbaarse’ Le sacre du printemps is een hyper-verfijnd orkeststuk, zijn neoklassieke composities klinken zeer twintigste-eeuws, en de muziek die hij in de jaren 1940 voor de band van de Amerikaanse jazzklarinettist Woody Herman schreef is géén jazz. Zelfs toen Stravinsky zich op zijn oude dag met de twaalftoonsmethode van componist Arnold Schönberg ging bezighouden, klonk het alsof hij die zelf had uitgevonden.

Stravinsky’s eigenaardige ‘tongval’ bleef altijd herkenbaar, hoe vaak hij ook van stijl en van werkomgeving veranderde. In Amerika, waar hij vanaf 1939 woonde (en uiteindelijk stierf), vond hij niet de rijke traditie en de artistieke uitdagingen van zijn eerdere werkplekken Sint-Petersburg en Parijs. Toch verbreedde Stravinsky daar zijn horizon, want Broadway, Hollywood en dansorkesten boden nieuwe kansen – al leidden opdrachten uit die hoek vaak tot niets, of tot onbedoelde resultaten.

Zo was de korte  Four Norwegian Moods bedoeld als filmmuziek. Zodra de filmstudio’s in Hollywood lucht kregen van Stravinsky’s immigratie, probeerden ze hem te strikken – meer vanwege zijn naamsbekendheid dan om zijn muziek. Aangezien hij in Amerika aanvankelijk geen royalties voor concertuitvoeringen kreeg, was Stravinsky meer dan ooit gebrand op geld.

Hij committeerde zich aan een film over de Duitse invasie van Noorwegen, maar de muziek werd niet gebruikt. De oorzaak laat zich raden: het laatste waaraan je bij deze vriendelijke miniatuurtjes denkt is een Hollywood-epos met tanks. Het meest soldatesk is nog het je van het eerste deel, dat desalniettemin de heroïek heeft van een poppenleger.

Zoals vaker baseerde Stravinsky zich op bestaande muziek. Een bundel Noorse volksliedjes, gevonden in een tweedehandsboekwinkel, leverde de ën – maar Stravinsky’s ‘vertekeningen’ hoor je in de karakteristieke ‘hikkende’ ritmiek, de kruidige en en de prominente partijen. Achteraf betreurde Stravinsky de titel. ‘Moods’ suggereert stemmingsmuziek, iets waar hij als verklaard antiromanticus niet mee geassocieerd wilde worden. De Franse vertaling ‘Quatre pièces à la norvegienne’ beviel hem dan ook beter.

Igor Stravinsky 1882-1971

Stravinsky: Scherzo à la russe / Tango

Ook à la russe, gecomponeerd voor een film over het Oekraïense verzet tegen de -nazi’s, haalde de bioscoop niet. Stravinsky bewerkte de muziek vervolgens voor het dansorkest van Paul Whiteman. Die durfde zo’n experiment wel aan – twintig jaar eerder was hij de aanjager van George Gershwins Rhapsody in Blue – maar Stravinsky’s bokkige ritmiek week te sterk af van de smeuïge swing die Whitemans publiek verwachtte.

De uiteindelijke orkestversie had echter niet trefzekerder kunnen zijn. Door de jaren heen was Stravinsky’s muziek steeds minder Russisch gaan klinken, maar hier keert hij terug op folkloristisch terrein – wat je onder meer hoort in de tegendraadse ritmische en waarmee hij de van een boerenorkestje imiteert.

In Tango, eveneens voor de Amerikaanse markt gecomponeerd, zullen weinig Argentijnen hun muzikale erfgoed herkennen; de wrange ën en de hoekige k zijn typisch stravinskiaans. Maar de traditionele tangoritmiek liet hij ongemoeid, en wel uit commerciële overwegingen. Hij overwoog er zelfs een tekst op te (laten) zetten om de verkoopbaarheid van zijn bladmuziek te bevorderen.

Igor Stravinsky 1882-1971

Stravinsky: Psalmensymfonie

‘Muziek is het mooiste kerkornament’, vond Stravinsky. In zijn studententijd had hij het Russisch-orthodoxe geloof afgezworen, maar als veertiger bekeerde hij zich opnieuw. Vanaf dat moment nam het openlijk religieuze gehalte van zijn muziek toe.

Toch werd de Psalmensymfonie, die hij voor Sergej Koussevitzky en het Boston Symphony Orchestra componeerde, niet ingegeven door devotie. Hij was recentelijk gefascineerd geraakt door de meerstemmigheid van oude muziek, dus wilde hij iets doen met koorzang – en het koor deed hem weer denken aan psalmen.

Typisch Stravinsky: persoonlijke, emotionele overwegingen zijn ondergeschikt aan de muzikale vorm. Des te effectiever zijn de korte momenten waarop hij de gevoelstemperatuur even lijkt op te jagen, zoals in de harmonisering van het woord ‘Alleluia’ in de aanhef van het derde deel. De afstandelijke toon past ook bij de teksten uit het Oude Testament, waarin God even gul is met straf als met zegeningen; Christus, de verlosser van aardse zonden, was nog niet geïntroduceerd.

Voordat in het ‘Alleluia’-deel het licht doorbreekt, heerst de vertwijfeling – niet alleen in de tekst, maar ook op subtiele, onderkoelde manier in de muziek. De zoekende, richtingloze orkestloopjes in het eerste deel sluiten perfect aan bij de smekende tekst (‘Hoor mijn gebed, Heer’), net zoals de stuwende in het tweede deel zich voegt naar de regel ‘De Heer trok mij uit het moeras’.

Even belangrijk als de vocale component is de symfonische zetting. ‘Symfonisch’ is daarbij letterlijk op te vatten, als ‘samenklinkend’. Tegenover de zangpartijen staat een instrumentaal ensemble waarin klarinetten, violen en altviolen ontbreken; juist die instrumenten die de menselijke stem het dichtst benaderen.

Igor Stravinsky 1882-1971

Stravinsky: Le sacre du printemps

Componist/ Otto Ketting, die met de naoorlogse avant-garde opgroeide, zei eind jaren negentig: ‘Moderner dan Le sacre du printemps kon het eigenlijk niet worden.’ Een provocerende uitspraak, maar het punt was gemaakt: na Stravinsky zijn weinig vernieuwers nog in brede kring doorgedrongen.

De roerige, veelbesproken première in 1913 schokte niet alleen vanwege de muziek; vooral de hoekige choreografie en de ‘primitieve’ kostuums tartten alle verwachtingen van het Parijse publiek. Maar het zijn Stravinsky’s noten die nog altijd verbazing en opwinding oproepen. Met dit ‘Voorjaarsoffer’ – het stuk verbeeldt een heidens ritu­eel waarin een uitverkoren maagd zich dood moet dansen – keerde Stravinsky de nadrukkelijk de rug toe.

De (menselijke) natuur wordt hier confronterend verklankt, zonder mooimakerij. Claude Debussy, wiens invloed doorklinkt in de natuurschilderingen waarmee de twee hoofddelen beginnen, noemde het stuk ‘een prachtige nachtmerrie’. Heel juist: vanaf de allereerste noten (een solo in een tegennatuurlijk hoog register) mikt Le sacre du printemps op onbehagen, met beukende ritmiek, wrange samenklanken en flarden die als gestotter en nooit als zang klinken.

Tegelijkertijd is het een feest. Dat het destijds tot een schandaal kwam was puur omdat men er niet bij wilde weglopen. Daarbij: achter de ruwe façade is het een exquise stuk. De orkestrale verfijning druipt niet alleen van de af, maar is ook zichtbaar op het podium. De snelle interactie tussen de verschillende instrumentgroepen, de verschillende speeltechnieken waarvan de strijkers zich gelijktijdig bedienen, de wonderlijke klankwaaiers die in de introductie van het tweede deel uit violen en oprijzen: ze prikkelen de fantasie zozeer dat ze geen ballet of decor nodig hebben.

Geen wonder dat Stravinsky worstelde met de notatie van dit stuk. De klank stond hem helder voor de geest, maar het duurde maanden voordat hij die in een partituur kon weer­geven. In een documentaire uit de jaren vijftig (te vinden op YouTube) toont hij de sombere, piepkleine ruimte waarin hij het stuk grotendeels componeerde – met vinnige kiespijn, ook nog. Meesterwerken, blijkt dan weer eens, worden vaak onder weinig florissante omstandigheden geboren.  

Biografie

Iván Fischer, dirigent

Iván Fischer studeerde piano, viool, en compositie in Boedapest, en vervolgde zijn opleiding in Wenen met lessen orkestdirectie van Hans Swarowsky. Daarop was hij twee seizoenen lang assistent van Nikolaus Harnoncourt. In 1983 richtte Iván Fischer het Budapest Festival Orchestra op.

Met dit gezelschap, waarvan hij nog steeds chef- is, voerde hij vele vernieuwingen door, zoals ‘chocomel­concerten’ voor kleine kinderen, ‘Midnight Music’-concerten voor een jong publiek, verrassingsconcerten en verschillende educatie- en ­outreachprojecten, zoals een tournee langs voormalige synagogen.

Hij is actief als componist en regisseur met zijn Iván Fischer Opera Company en richtte diverse festivals op, waaronder het Vicenza Opera Festival. In het verleden stond hij aan het roer van Kent Opera, de Opéra National de Lyon, het National Sym­phony Orchestra in Washington en het Konzerthausorchester in Berlijn, waar hij sindsdien eredirigent is.

Bij het Concertgebouworkest is Iván Fischer al sinds 1987 vrijwel jaarlijks te gast. Vanwege zijn belangrijke artistieke bijdragen benoemde het orkest hem tot honorair gastdirigent met ingang van het seizoen 2021/2022. In maart kreeg hij de vijftiende Concertgebouw Prijs. Eerder ontving Iván Fischer de Kossuth Prijs, de Ovatie Prijs en de Crystal Award van het World Economic Forum voor het steunen van internationale cultuuruitwisseling, en is Chevalier des Arts et des Lettres en erelid van de Royal Academy of Music in Londen.

Iván Fischer beperkt zijn gastdirigentschappen tot slechts enkele orkesten om voldoende tijd en aandacht te kunnen geven aan het componeren, aan zijn Budapest Festival Orchestra en zijn operagezelschap, en aan het voortdurend ontwikkelen van creatieve ideeën. Hij is een erkend voorvechter voor mensenrechten, democratie en tolerantie.

Boedapest Festival Orkest, orkest

In 1983 richtte Iván Fischer samen met Zoltán Kocsis het Boedapest Festival Orkest op. Het gezelschap bracht al snel grote internationale artiesten naar het Hongaarse publiek, zoals Georg Solti (eerste gastdirigent tot aan zijn dood in 1997), Yehudi Menuhin, Pinchas Zukerman, Gidon Kremer, Radu Lupu, András Schiff en Martha Argerich. Ook jonge musici en zangers van overal ter wereld worden frequent uitgenodigd.

Het Boedapest Festival Orkest staat bekend om zijn innovatieve programma’s, zoals de autismevriendelijke Chocolademelkconcerten, verrassingsconcerten, Midnight Music (voor studenten) en muzikale marathons. Met het Paleis der Kunsten (Müpa) werkt het samen voor -­uitvoeringen en het door het orkest geïnitieerde Bridging Europe Festival.

Het Boedapest Festival Orkest treedt op in de belangrijkste concertzalen wereldwijd, waaronder Carnegie Hall en het Lincoln Center in New York, de Wiener Musik­verein en de Royal Albert Hall in Londen, en is te gast op het Mostly Mozart Festival in New York, de Salzburger Festspiele en het Edinburgh International Festival.

Voor zijn talrijke opnamen ontving het orkest vele onderscheidingen; een ­registratie van Mahlers Eerste symfonie werd genomineerd voor een Grammy Award en Mahlers Vijfde won een Diapason d’Or.

De vorige optredens van het Boedapest Festival Orkest en zijn chef- Iván Fischer in Het Concertgebouw waren een Stravinsky-programma op 13 februari 2019 en Mahlers Negende symfonie op 25 november 2021.

RIAS Kammerchor, koor

Het RIAS Kammerchor Berlin werd kort na de Tweede Wereldoorlog opgericht door de radiozender ‘Rundfunk im amerikanischen Sektor’.

Met Beethovens Ode an die Freude opende het koor – samen met de Berliner Philharmoniker onder leiding van Herbert von Karajan – op 15 oktober 1963 de zaal waar het tot op heden veelvuldig te beluisteren is: de Philharmonie.

Het RIAS Kammerchor is thuis in muziek van de Renaissance tot en met hedendaags repertoire, en zong premières van bijvoorbeeld Hindemith, Krenek, Boulez, Kagel en Henze.

Chef- is sinds seizoen 2017/2018 Justin Doyle; zijn voorgangers waren Uwe Gronostay (1972-86), Marcus Creed (1987- 2001), ­Daniel Reuss (2003-06) en Hans-Christoph Rademann (2007-15).

Ieder seizoen laat het koor vier academisten meezingen in zijn gelederen. De discografie van het RIAS Kammerchor is bekroond met onder meer een Gramophone Award, een Choc de l’Année, een Echo Klassik Preis en de ereprijs ‘Nachtigall’ van de jury van de Preis der deutschen Schalplattenkritik.

De zangers werken regelmatig samen met de Akademie für Alte Musik Berlin, het Freiburger Barockorchester en het Chamber Orchestra of Europe en reisden in 2018 voor het eerst naar Japan. Het vorige optreden in de Eigen Programmering van Het Concertgebouw was een uitvoering van Stravinsky’s Psalmensymfonie samen met het Boedapest Festival Orkest onder leiding van Iván Fischer in februari 2019.