Isabelle Faust speelt Brahms bij het Concertgebouworkest

Koninklijk Concertgebouworkest 
Myung-Whun Chung dirigent
Isabelle Faust viool

begin van de pauze ca. 20.55 uur resp. 14.55 uur
einde van het concert ca. 22.15 uur resp. 16.15 uur

Het concert van zondag 7 mei wordt live uitgezonden door AVROTROS op NPO Radio 4.

Dit concert maakt deel uit van de series D en Z.

Helaas heeft Leonidas Kavakos zijn concerten met het Koninklijk Concertgebouworkest af moeten zeggen. Hij wordt vervangen door Isabelle Faust.

Johannes Brahms 1833-1897

Vioolconcert in D gr.t., op. 77 (1878)
Allegro non troppo
Adagio
Allegro giocoso, ma non troppo vivace
cadens: Joseph Joachim 

pauze

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Symfonie nr. 3 in Es gr.t., op. 55 (1802-04) ‘Eroica’
Allegro con brio
Marcia funebre: Adagio assai
Scherzo: Allegro vivace
Finale: Allegro molto - Poco andante - Presto

Toelichting

Johannes Brahms 1833-1897

Vioolconcert

tekst: Aad van der Ven

Het Vioolconcert in D groot, zijn enige vioolconcert, was Johannes Brahms zeer dierbaar. De muziek, net als die van de Tweede symfonie in D groot, was onlosmakelijk verbonden met herinneringen aan de onbezorgde vakanties die hij in de jaren 1877-79 doorbracht aan de Wörthersee in Zuid-Oostenrijk.

Hij schreef aan een vriend dat daar zoveel ën zijn pad ten dat hij er bijna over struikelde. Maar Brahms zou Brahms niet zijn geweest als het componeren desondanks zonder problemen was verlopen. In het geval van het Vioolconcert betroffen die in het bijzonder de solopartij.

Want als pianist was hij voor geen kleintje vervaard, maar van de mogelijkheden en beperkingen van de viool wist hij weinig af. Net als Ludwig van Beethoven en Felix Mendelssohn, die allebei eveneens een beroemd geworden concert voor dit instrument hebben geschreven, riep hij dan ook de hulp in van een bevriende violist.

In zijn geval was dat de befaamde Joseph ­Joachim. In 1878 stuurde Brahms hem de ruwe versie van de solopartij van zijn nieuwe werk. Of Joachim zo vriendelijk wilde zijn te kijken of de technische problemen niet buitensporig waren. De violist stuurde Brahms wat suggesties om hier en daar iets aan te passen.

De componist dankte hem vriendelijk en trok er zich vervolgens weinig van aan. Maar de ruimhartige Joachim maakte daar geen probleem van en gaf op 1 januari 1879 de première, samen met het Gewandhausorchester Leipzig onder leiding van Brahms zelf. De door Joachim geschreven voor het eerste deel wordt door veel violisten nog steeds gebruikt.

Niet iedereen reageerde positief op dit ongewoon omvangrijke, breed uitgesponnen concert. De en muziekcriticus Hans von Bülow noemde het werk niet ‘een concert voor viool, zoals 26 van [Max] Bruch, maar tegen de viool’. Daarbij doelde hij ongetwijfeld op de weerbarstigheid van de solopartij, met talrijke moeilijke dubbelgrepen die in woeste passages de viool in vuur en vlam zetten.

Brahms’ Vioolconcert wordt wel een ‘symfonisch concert’ genoemd, net als zijn beide pianoconcerten, vanwege het belangrijke, omvangrijke aandeel van het orkest. Daarbij speelt mee dat de solopartij dan wel moeilijk is, maar dat virtuositeit hier nooit een doel op zichzelf wordt, zoals in veel andere romantische vioolconcerten.

Het machtige eerste deel bezit een ongebruikelijk lange introductie door het orkest. Maar wanneer de solist zijn entree maakt, bestaat er meteen geen twijfel meer over het gewicht van zijn inbreng. Typisch Brahms: e ën worden soms ‘tegengewerkt’ door hoekige, norse en, alsof de componist zijn eigen gevoelens een halt toeroept.

Hierop volgt een met een prominente hobosolo, waarvan het bij de viool uitvoerige meditaties uitlokt. Over dit deel schreef de Brahms-biograaf Walter Niemann dat het een ‘Noord-Duitse heidestemming heeft, tegelijk ernstig en liefelijk’.

Voor het laatste deel verhuizen we van Duitsland naar Hongarije. Dit vol robuuste dansritmes en een uit­bundig buitelende solopartij is één van de vele stukken waarin Brahms zich laat meeslepen door de vitaliteit en de kracht van de zigeunermuziek. Tegen het einde verandert de dans plotseling in een energieke . Geen wonder dat het publiek in 1879 vreemd opkeek.

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Derde symfonie 'Eroica'

Door Aad van der Ven

‘Dit werk zal hemel en aarde doen sidderen’, sprak Ferdinand Ries over de Derde symfonie in Es groot van zijn leraar Ludwig van Beethoven, nadat hij in 1804, kort voor de première, een repetitie had bijgewoond. Hij overdreef nauwelijks. De ‘Eroica’, zoals het werk is gaan heten, behoort inderdaad tot die schaarse composities die de ontwikkeling van de muziek een wending hebben gegeven.

Indien één illustreert wat Beethoven bedoelde toen hij na het overwinnen van een persoonlijke crisis sprak over de ‘nieuwe wegen’ die hij wilde inslaan is het wel deze. In dit geval gaat het niet eens zozeer over de taal en de techniek van de muziek, maar om het achter­liggende concept.

Want we zien hier een symfonie met een buitenmuzikaal idee als uitgangspunt. Niet in de vorm van een nederige lofprijzing, opgedragen aan de Allerhoogste, zoals componisten dat al eeuwenlang hadden gedaan. Nee, gedecideerd in het weergeven van krachten in de mens zelf.

Dat wil in dit geval zeggen een streven naar vrijheid en rechtvaardigheid, in Beethovens visie verpersoonlijkt door Napoleon Bonaparte. Althans in het begin. Bekend is het verhaal over Beethovens ontgoocheling nadat hij gehoord had dat de Franse revolutionair zichzelf tot keizer had gekroond.

Nog voordat het werk kon worden uitgegeven doopte de componist zijn ‘Bonaparte-symfonie’ om tot ‘Heroïsche symfonie, gecomponeerd om de herinnering aan een groot man te eren’. Zo kreeg de ‘Eroica’ geen individuele maar een universele ­geldigheid.

Dat hij voor de variaties die het laatste deel vormen als een ontleende aan zijn kort daarvoor gecomponeerde balletmuziek Die Geschöpfe des Prometheus, 43, heeft een bijzondere betekenis. In de Griekse mythologie is Prometheus immers degene die tegen de wil van de oppergod Zeus het vuur naar de aarde brengt.

Toch lijkt in deze symfonie het beeld van een onverzettelijke Prometheus niet zozeer in het laatste deel te zijn opgeroepen maar bovenal in het openingsallegro, met en als bijlslagen en veel dwarse syncopen.

Vergankelijkheid is vervolgens het thema van het tweede deel, een treurmars, maar één zonder zelfmedelijden, eerder trots en soms opstandig. Het vertoont hier en daar een enigszins robuuste humor.

Het openingsthema van de Finale is, net als het heroïsche hoofd­thema van het eerste deel, gebaseerd op een zigzag-beweging, bestaande uit de noten van een gebroken drieklank. De vraag is of Beethoven deze verbinding met opzet heeft gecreëerd. Hij was in elk geval niet iemand die veel aan het toeval overliet.

Biografie

Myung-whun Chung, dirigent

Myung-whun Chung begon zijn muzikale carrière als pianist. Zijn eerste optreden gaf hij op zevenjarige leeftijd met het Seoul Philharmonic Orchestra. Zijn directieopleiding volgde hij aan de Mannes School of Music en de Juilliard School in New York.

In 1979 werd hij assistent van Carlo Maria Giulini bij het Los Angeles Philharmonic Orchestra, daarna werd hij Associate Conductor. In 1995 richtte hij de Asia Philharmonic op, waarin topmusici uit acht Aziatische landen spelen. Sinds 2006 is Myung-whun Chung chef- van het Seoul Philharmonic Orchestra en in 2011 werd hij benoemd tot eerste gastdirigent van de Staatskapelle Dresden.

Voorheen stond hij aan het roer van het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome (1997-2005) en van het Orchestre Philharmonique de Radio France in Parijs (2000-2015), waar hij nu eredirigent is. Sinds 2020 is hij ook eredirigent van het Korean Broadcasting Symphony Orchestra, en in maart 2023 werd hij de eerste direttore emeritus in de geschiedenis van de Filarmonica della Scala in Milaan. De Zuid-Koreaanse is onder meer UNICEF Goodwill Ambassador en Commandeur dans l’ordre des Arts et des Lettres.

Bij het Concertgebouworkest is hij al sinds 1984 een graag geziene gast. In februari 2020 dirigeerde hij Mahlers Negende symfonie in Amsterdam en op tournee, in januari 2021 een livestream met werken van Sibelius en Brahms.

Isabelle Faust, viool

Isabelle Faust won op jonge leeftijd het Leopold Mozart Concours in Augsburg en het Italiaanse Paganini ­Concours en werd al snel uitgenodigd door belangrijke gezelschappen wereldwijd waaronder de Berliner Philharmoniker, het Boston Symphony Orchestra, het NHK Symphony Orchestra, Tokyo, het Chamber Orchestra of Europe en het Freiburger Barockorchester.

Bij het ­Concertgebouworkest debuteerde ze in 2015, en bij Concertgebouworkest Young 2022 soleerde ze in Beethovens Viool­concert onder leiding van ­Gustavo Gimeno.

De Duitse violiste beheerst een repertoire dat reikt van de tot wereldpremières, en is zich daarbij altijd bewust van de tijdeigen context en speelwijze. Onder leiding van wijlen Claudio Abbado maakte Isabelle Faust prijswinnende opnames van de viool­concerten van Berg en Beethoven, en ze was een aantal jaar vaste partner van het door hem opgerichte Mahler Chamber Orchestra.

In het seizoen 2023/2024 was ze artist in residence bij het SWR Symphonie­orchester, in 2024 bij het Beethovenfest Bonn, en in datzelfde jaar won ze twee Gramophone Awards: voor een Schumann-album en voor Brittens Vioolconcert met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks onder leiding van Jakub Hrůša. Kamermuziek speelt Isabelle Faust met onder anderen haar vaste pianist Alexander Melnikov, cellist Jean-Guihen Queyras, klavecinist/pianist Kristian Bezuidenhout, ­altviolist Antoine Tamestit en zangeres Anna Prohaska.

In seizoen 2019/2020 had ze een Spotlight-serie in de . Op dat podium was ze voor het laatst te beluisteren op 17 maart 2023, in Brahms en Ligeti met ist Teunis van der Zwart en pianist Alexander Melnikov.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest