Igor Levit: Rachmaninoffs Paganini-rapsodie

Igor Levit piano
Pittsburgh Symphony Orchestra 
Manfred Honeck dirigent

Dit concert maakt deel uit van de serie Jonge Wereldsterren.

James MacMillan (1959)

Larghetto for Orchestra (2009, orkestratie 2017)
Nederlandse première

Serge Rachmaninoff (1873-1943)

Rapsodie op een thema van Paganini, op. 43 (1934)
voor piano en orkest

pauze ± 20.55 uur

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Vijfde symfonie in d kl.t., op. 47 (1937)
Moderato
Allegretto
Largo
Allegro non troppo

einde ± 22.05 uur

Toelichting

James MacMillan 1959

MacMillan: Larghetto for Orchestra

Door Lonneke Tausch

Larghetto for Orchestra is de orkestratie die de Schotse componist James MacMillan op bestelling van het Pittsburgh Symphony Orchestra maakte van zijn achtstemmige koorwerk Miserere uit 2009. De wereldpremière van het ‘instrumentale Miserere’ klonk op 27 oktober 2017 in de Heinz Hall in de thuisstad van het orkest, ook toen onder leiding van Manfred Honeck.

Aanleiding voor de ­orkestratieopdracht was dan ook Honecks tienjarige jubileum als chef in Pittsburgh. De Pittsburgh Post-­Gazette schreef na de eerste uitvoering: ‘MacMillan added a range of volume and feeling that no choir in the world can replicate… The composer treated the orchestra as multiple choirs, with strings, winds and brass each contributing chorale-like sections as well as blending to create new shades of sound.’

Het Miserere is een zetting van psalm 51, een van de boetepsalmen: ‘Wees mij genadig, God, reinig mij van mijn zonden, ik ken mijn wandaden.’ In overeenstemming met de hoopvolle boodschap van het gezang laat MacMillan zijn compositie oprijzen uit het duister: het oorspronkelijke koorwerk begint met sonore vierstemmige mannenharmonieën (‘desolate and cold’), waar de vrouwenstemmen zich vervolgens geleidelijk boven voegen.

Krijgen de hoge sopranen in maat 25 nog de instructie ‘keening, crying’, bij maat 64 vermeldt de ­‘empathic’. De ligging van het stuk stijgt gaandeweg, maar naast de toonhoogte worden ook de en steeds lichter.

Ook in de instrumentale variant, het Larghetto, is een toenemend optimisme hoorbaar. ‘Red mij, geef mij de vreugde van vroeger, de kracht van een sterke geest.’ Het geloof is een rijke bron van ­inspiratie voor MacMillan: ‘In ideologisch opzicht drukken mijn werken de tijdloze waarheden uit van de Rooms-Katholieke Kerk, parallel aan een felle sociale betrokkenheid. In muzikaal opzicht voelt men hopelijk de diepte van vervlogen tijden samenvloeien met pogingen tot vernieuwing.’

Serge Rachmaninoff 1873-1943

Rachmaninoff: Rapsodie op een thema van Paganini

Door Michiel Cleij

Het spelen van covers is een gewoonte in de jazz- en popwereld, maar het is bepaald niet nieuw. Eeuwen geleden al imiteerden muzikanten elkaar, maakten ze gebruik van elkaars melodische vondsten, breidden ze bestaande muziek uit en veranderden ze de bezetting naar believen. De opkomst van uitgevers- en auteursrechten heeft die gewoonte nogal ingedamd, maar het schrijven van variaties over een pakkend gegeven van een andere componist is van alle tijden.

De violist Nicolò Paganini (1782-1840) – je kunt hem het eerste echte ‘podiumbeest’ noemen – verbijsterde zo’n tweehonderd jaar geleden zijn publiek met zelfgeschreven vioolstukken, zó hels moeilijk dat ze gecomponeerd leken te zijn ‘door de duivel zelf’ – althans volgens sommigen. Eentje daarvan heeft zo’n pakkende dat vele latere componisten ermee aan de haal zijn gegaan, onder wie Serge Rachmaninoff.

Rachmaninoff was zelf een duivels­kunstenaar op de piano en componeerde zijn beste muziek voor dat instrument, al dan niet met orkest. Hij groeide op in het oude, tsaristische Rusland en vluchtte voor de Revolutie van 1917 naar het Westen.

Uiteindelijk vestigde hij zich in Amerika waar hij in zijn levensonderhoud voorzag door middel van afmattende concerttournees. Voor componeren had hij amper nog tijd, en áls hij eens een nieuw werk introduceerde kwam vaak dezelfde reactie: geweldige pianist, achterhaalde muziek. Rachmaninoff kon zijn critici geen ongelijk geven: ‘Ik kan de moderne componeerstijl niet aanleren en de oude niet afleren’, verzuchtte hij.

Maar toen hij in 1934 zijn gloednieuwe Paganini-variaties in première bracht veerde iedereen op – en niet alleen omdat dat basisthema van Paganini niet stuk kan. Rachmaninoff maakt het zich volkomen eigen: hij onderwerpt het aan grillige metamorfoses, speelt het in spiegelbeeld en rekt het uit, met een caleidoscopisch effect.

Tevens vlecht hij er een autobiografisch elementje in: halverwege het werk citeert hij het e kerklied (‘Dag des Oordeels’), een dat in bijna al zijn composities wel ergens verstopt zit, als een soort bezwering van onheil. Hier hielp het hem: zijn tanende car­rière als componist kreeg door dit werk een nieuwe impuls.

Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975

Sjostakovitsj: Vijfde symfonie

Door Carine Alders

Dmitri SjostakovitsjVijfde symfonie sloeg in als een bom bij de première op 21 november 1937 in Leningrad. Veel mensen hielden het niet droog bij het intens droevige Largo. Sommigen konden tijdens de finale al niet blijven zitten en de staande ovatie na afloop hield volgens ooggetuigen wel een half uur aan.

Het moet voor Sjostakovitsj een hart onder de riem geweest zijn na zijn totale verkettering in 1936, naar aanleiding van zijn succesvolle Lady Macbeth uit het district Mtsensk. Sjostakovitsj werd beschuldigd van formalisme en zijn muziek was sindsdien uit de gratie.

Maar nu konden de autoriteiten niet om het succes heen. Daarom werd de symfonie uitgelegd als de getuigenis van een kunstenaar die tot inzicht was gekomen. In de Pravda verscheen een artikel waarin Sjostakovitsj gezegd zou hebben dat deze symfonie zijn creatieve antwoord was op de terechte kritiek.

En inderdaad, zo zou je de symfonie – met de onrust in het eerste deel, het naar binnen gekeerde Largo en de uitbundig optimistische finale – kunnen interpreteren. Ogenschijnlijk lijkt het alsof Sjostakovitsj met zijn neoklassieke werk, voortbouwend op de traditie van Beethoven, Brahms, Tsjaikovski en Mahler, zich conformeerde aan de heersende norm van het sociaal realisme.

Hoewel hij zelf een broertje dood had aan het letterlijk interpreteren van instrumentale muziek, heeft Sjostakovitsj vermoedelijk nooit publiekelijk geprotesteerd toen schrijver Aleksej Tolstoj (1883-1945, verre verwant van Leonid) zijn Vijfde symfonie bombardeerde tot ‘Symfonie van het Socialisme’.

Tolstoj hoorde machines in fabrieken, sportieve, gezonde en gelukkige burgers en tot slot het enthousiasme van de massa in de finale. Tolstojs opvatting bood bescherming tegen het regime, maar het tot tranen toe geroerde publiek bij de ­première, Sjostakovitsj toejuichend als een ware held, zal die lezing niet gedeeld hebben.

Violist Joeri Jelagin probeerde jaren later – inmiddels gevlucht naar de Verenigde Staten – te analyseren waarom de première zo’n indruk op hem had gemaakt. Hoe goed de muziek ook was geweest, de achterliggende gebeurtenissen moesten ook een rol gespeeld hebben.

De mf was een ontlading, een protest tegen de onzinnige aanvallen op Sjostakovitsj. Ook nu nog ontkomt geen luisteraar aan het beeld van marcherende militairen als na tien minuten een wordt ingezet, aangejaagd door de kleine trom.

Het aanwezige publiek in Leningrad zal ongetwijfeld gedacht hebben aan de terreur waarmee Stalin het land teisterde. En de verwijzing naar de ­orthodoxe begrafenisliturgie in het Largo zal ook niemand ontgaan zijn, met Stalins Grote Zuivering in vol bedrijf. Tegen een achtergrond van ’s in de strijkers leggen eerst de hobo en vervolgens de klarinet en de fluit hun neer, als bloemen bij het graf; een muzikaal eerbetoon dat in die dagen zeer gebruikelijk was.

Ondanks het volkse Allegretto hield de mythe van de socialistische symfonie niet lang stand. Al snel was het een publiek geheim dat niemand de finale als authentiek optimistisch ervoer. Een lezing die na de glasnost ook in Rusland postvatte, was dat Sjostakovitsj een pastiche had gecomponeerd. Als dat werkelijk het geval was, dan had hij gespeeld met zijn leven.

Biografie

Manfred Honeck, dirigent

Manfred Honeck, de Oostenrijkse chef- van het Pittsburgh Symphony Orchestra, begon als violist en altviolist en maakte ooit deel uit van de Wiener Philharmoniker. Het directievak leerde hij van onder anderen Claudio Abbado, die hij assisteerde bij het Gustav Mahler Jugendorchester.

Begin jaren 1990 leidde Manfred Honeck regelmatig uitvoeringen van het Opernhaus Zürich en zijn eerste vaste post werd die van chef-dirigent van de Nationale van Noorwegen.

In de daaropvolgende decennia bekleedde hij vergelijkbare posities bij het MDR-Sinfonieorchester, het van de Zweedse Radio en de Staatsoper Stuttgart. In mei 2006 stond Manfred Honeck voor het eerst op de bok bij het Pittsburgh Symphony Orchestra, dat hem aanstelde als chef- met ingang van het seizoen 2008/2009.

Als gastdirigent stond Manfred Honeck voor alle grote Amerikaanse orkesten – Boston, Chicago, Cleveland, Los Angeles, New York, Philadelphia, San Francisco – maar ook voor bijvoorbeeld het Orches­tre de Paris, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, de Berliner en de Wiener Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, het London Symphony Orchestra en de Accademia Nazionale di Santa Cecilia Roma. ’s leidde hij bij de Komische Oper Berlin, De Munt in Brussel en de Salzburger Festspiele. In 2018 werd hij bij de International Classical Music Awards 2018 verkozen tot ‘artist of the year’.

Bij het Concertgebouworkest stond Manfred Honeck in januari 2004 voor het eerst op de bok. Hij kwam terug in 2016 en 2018, en leidde in de Bruckner-cyclus van het orkest zowel de Achtste (juni 2024) als de Negende symfonie (februari 2025).

Igor Levit, piano

Igor Levit, geboren in Nizjni Novgorod en vanaf zijn achtste woonachtig in Duitsland, won in 2005 als jongste deelnemer vier prijzen op het Internationaal Arthur Rubinstein Concours in Tel Aviv. In 2009 studeerde hij af aan de Musikhochschule van Hannover, waar hij sinds voorjaar 2019 zelf les geeft.

In 2018 ontving de pianist de Gilmore Artist Award, en een jaar later kreeg hij voor zijn complete Beethovensonates een Klassik en riep Gramophone hem uit tot ‘artist of the year’.

Bij Musical America werd Igor Levit ‘recording artist of the year 2020’, van BBC Music Magazine kreeg hij in 2022 twee awards voor On DSCH en eind 2023 verscheen het solo-album Fantasia. In 2021 bracht de musicus zijn eerste boek uit, House Concert. De titel refereert aan de 53-delige reeks Twitter-concerten die hem tijdens de covid-lockdown wereldwijd bekend maakten. In 2022 verscheen bovendien de documentaire Igor Levit – No Fear.

Voor zijn politieke commitment werd de musicus gelauwerd met de International Beethoven Prize (2019) en de ‘Statue B’ van het Internationaal Auschwitz Comité (2020), en in 2020 kreeg hij de Orde van Verdienste van de Bundes­republik Deutschland.

Onder de muzikale hoogte­punten van het vorige concert­seizoen waren solorecitals in Wenen, Berlijn, Milaan, Londen, Seoul, Tokio, Montréal, Toronto en New York, kamermuziek op de Schubertiade Schwarzenberg, een Bartókcyclus met het NDR Elbphilharmonieorchester, een Brahmscyclus met de Wiener Philharmoniker en optredens met de Berliner Barock Solisten, de Staatskapelle Berlin, de Sächsische Staatskapelle Dresden, de Los Angeles Philharmonic, The Cleveland Orchestra en de New York Philharmonic.

In mei 2024 cureerde Igor Levit de tweede editie van het Piano Fest in samenwerking met het Lucerne Festival, en met ingang van 2022/2023 is hij co-artistiek leider van de Heidelberger Frühling. In januari 2013 debuteerde Igor Levit als Rising Star in de , in april 2018 en maart 2021 soleerde hij bij het Concertgebouworkest en in november 2021 gaf hij zijn eerste solorecital in de .

Pittsburgh Symphony Orchestra, orkest

Het Pittsburgh Symphony Orchestra werd opgericht in 1895 en heeft sinds 1971 zijn thuisbasis in de Heinz Hall. De eerste chef- was Victor Herbert (1898-1904). Later stonden onder meer Fritz Reiner, André Previn, Lorin Maazel en Mariss Jansons aan het hoofd van het gezelschap. Na een chefloze periode van 2005 tot 2008 werd Manfred Honeck benoemd tot chef-dirigent.

Sinds het Pittsburgh Symphony Orchestra in 1947 voor het eerst internationaal op tournee ging – naar Mexico – maakte het orkest concertreizen naar vele landen. In eigen land speelt het zeer geregeld in Carnegie Hall in New York en in het Kennedy Center in Washington.

Het orkest kan bogen op een uitgebreide discografie, opgebouwd sinds 1941 en bekroond met een aantal Grammy Awards – bijvoorbeeld voor een opname uit 1992 met cellist Yo-Yo Ma, voor Barbers for Strings (2018) en SjostakovitsjVijfde symfonie (2018).

Het gezelschap is een promotor van Amerikaanse muziek en bracht bijvoorbeeld in 1944 Bernsteins Eerste symfonie ‘Jeremiah’ in première en in 1986 Adams’ Short Ride in a Fast Machine.

Het is lang geleden dat het Pittsburgh Sym­phony Orchestra in Amsterdam te horen was: in januari 2008 verzorgde het een Brahms-programma onder leiding van Marek Janowski en met violist Leonidas Kavakos.

Op de huidige, vijfentwintigste Europese tournee doet het orkest ook zalen aan in Frankfurt, Hamburg, Hannover, Berlijn, Wenen, München, Parijs, Brussel en Düsseldorf.