Hongaarse tonen: Nicolas Altstaedt en Vilde Frang

Nicolas Altstaedt cello
Vilde Frang viool 

pauze ca. 21.15 uur
einde ca. 22.10 uur

Dit concert maakt deel uit van de serie Spotlight op Nicolas Altstaedt.

Zoltán Kodály 1882-1967

Sonate, op. 8 (1915)
voor cello solo
Allegro maestoso ma appassionato
Adagio con grande espressione
Allegro molto vivace

Béla Bartók 1881-1945

Sonate, Sz. 117 (1943-44)
voor viool solo
Tempo di ciaccona
Fuga
Melodia
Presto

pauze

Zoltán Kodály 1882-1967

Duo, op. 7 (1914)
voor viool en cello
Allegro serioso, non troppo
Adagio – Andante
Maestoso e largamente, ma non troppo lento – Presto

Toelichting

Kodály en Bartók

De Hongaarse componisten Zoltán Kodály en Béla Bartók groeiden op in verschillende delen van het toenmalige Oostenrijks-Hongaarse Rijk en leerden elkaar kennen tijdens hun studies aan de Muziekacademie in Boedapest (sinds 1925 vernoemd naar haar oprichter, Franz Liszt).

De twee beïnvloedden elkaar in hun muzikale ontwikkeling en werden vrienden voor het leven. Volksmuziek was een gedeelde passie: in de vroege twintigste eeuw doorkruisten Bartók en Kodály bepakt met een fonograaf het platteland van Hongarije en de omringende landen.

Zo verzamelden ze talloze volksmelodieën in geschrift en op geluidsrol om de muzikale ziel van hun geboorteland en omstreken veilig te stellen. Hun etnomusicologisch werk hield hen hun hele leven bezig, naast hun andere activiteiten als componist, uitvoerende en docent.

Beiden vormden hun eigen compositiestijl door elementen uit de volksmuziek en muziek van oudere klassieke meesters én hun eigen tijdgenoten te combineren, en beiden ontwikkelden invloedrijke leermethoden. Daarbij was Bartók de meest innovatieve (en invloedrijke) van de twee, maar hij wilde zijn conservatievere collega niet versmaden: in 1921 merkte hij op dat Kodály’s muziek ‘niets met de nieuwe atonale, bitonale of polytonale muziek van doen heeft, maar geheel gestoeld is op tonale principes.

Desalniettemin is zijn idioom nieuw: hij zegt dingen die nog nooit zijn vertolkt en toont daarmee dat de tonaliteit haar bestaansrecht nog niet heeft verloren.’

1915

kodály: sonate

Na zijn aanstelling als compositiedocent aan de Muziekacademie in Boedapest in 1907 creëerde Kodály voornamelijk kamermuziek. De componist werd ongeschikt verklaard voor militaire dienst in de Eerste Wereldoorlog en vulde de oorlogsjaren met vrijwilligerswerk voor de bescherming van monumenten in Boedapest, de bestudering van volksmuziek en componeren.

Hij schreef zijn  voor solo, 8 in 1915 en droeg het werk op aan Jenö Kerpely (ook wel Eugène de Kerpely genoemd), de cellist van het Waldbauer-Kerpely Kwartet, dat de eerste strijkkwartetten van Bartók en Kodály in 1910 ten doop had gehouden.

Vanwege de oorlog duurde het nog tot 7 mei 1918 voordat Kerpely de cellosonate in Boedapest in première kon brengen. De Sonate getuigt van Kodály’s muzikale interesses in die jaren: Claude Debussy, die hij enkele jaren eerder had ontmoet toen hij een tijdje in Parijs studeerde, Bartók en Hongaarse volksmuziek lieten alle drie hun sporen na.

Het ambitieuze driedelige werk behoort tot de belangrijkste composities voor cello solo sinds Johann Sebastian BachCellosuites van bijna twee eeuwen eerder.

(1943-44)

Bartók: Sonate

Een even veeleisend werk, maar dan voor viool solo, is Bartóks . Zelfs de opdrachtgever van het werk, de legendarische violist Yehudi Menuhin, verbleekte toen hij het onder ogen kreeg: ‘Het leek me haast onspeelbaar,’ schreef hij in zijn memoires.

De bevat niet alleen speeltechnische uitdagingen, maar ook verschillende manieren om meerstemmigheid te suggereren. Niet voor niets was Bach een van de inspiratiebronnen voor dit isch geschreven werk.

Bachs Derde sonate voor viool solo in C groot en Bartóks eigen Eerste sonate voor viool en piano stonden op het concertprogramma, toen Béla Bartók in 1943 een van Yehudi Menuhin in Carnegie Hall (New York) bijwoonde. De violist bestelde prompt een nieuwe sonate voor viool solo bij de Hongaarse componist.

Met Menuhins concert nog in zijn hoofd, raakte Bartók als vanzelf beïnvloed door Bachs vioolsonates en ’s: het is terug te zien in de langzaam-snel-langzaam-snel-opzet van de vierdelige , in de titels van twee van de delen – Tempo di ciaccona en – en in de suggestie van meerstemmigheid.

Het eerste deel van Bartóks compositie is echter slechts een chaconne in tempo. Het begint met een statig geïnspireerd op de Chaconne uit Bachs Tweede partita in d klein, maar algauw volgen nog twee thema’s, waarna alle drie verder worden uitgewerkt.

Dit wijkt af van de ke chaconne, een langzame dans in driedelige , waarin variaties klinken boven een zich steeds herhalende basfiguur. Het tweede deel – geen echte fuga, maar een ‘fugatische fantasie’ – karakteriseerde Menuhin als ‘de meest aggressieve, ja zelfs wrede muziek die ik heb gespeeld’.

Het vierde deel, , bevatte oorspronkelijk snelle passages in kwarttonen, maar vele violisten volgen Menuhins versie, die alleen van de standaard twaalf tonen gebruikmaakt. Zo niet Vilde Frang, zij speelt het origineel. Bartók kon de première van zijn Sonate door Yehudi Menuhin op 26 november 1944 in Carnegie Hall gelukkig nog meemaken; een jaar later verloor hij zijn strijd tegen leukemie.

1914

kodály: Duo

Het concert besluit met violiste en cellist samen op het podium. Kodály’s Duo voor viool en stamt uit 1914, het begin van de Eerste Wereldoorlog. De spanningen uit die tijd lijken hun weerslag te hebben in het emotioneel geladen werk, maar het is evenzeer gedreven door Kodály’s melodische gaven en zijn vaardigheid op beide instrumenten.

Net als de  moest ook het Duo vanwege de oorlog enkele jaren wachten op zijn publieke verschijning. Op dezelfde avond als de première van de Sonate, 7 mei 1918, voerden Jenő Kerpely en Imre Waldbauer het Duo voor het eerst uit in Boedapest; het Waldbauer-Kerpely Kwartet speelde ook nog Kodály’s nieuwe Tweede strijkkwartet.

Het Duo is een uitstekend voorbeeld van de bestuiving tussen Hongaarse volksmuziek en klassieke muziek in Kodály’s oeuvre. De Hongaar had de vaste overtuiging dat ‘de krachtigste kunstwerken diegene zijn die ten volste de nationale karaktertrekken van de artiest tot uitdrukking brengen’.

Biografie

Nicolas Altstaedt, cello

De afgelopen seizoenen maakte de Duits-Franse cellist Nicolas Altstaedt solodebuten bij het Na­tional Symphony Orchestra in Washington, de orkesten van Seattle en Sydney, het London Philharmonic Orchestra, Philharmonia, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, de Staatskapelle Berlin en de Seoul Philharmonic en was hij in residence bij het NDR Elbphilharmonie Orchester, het SWR Symphonieorchester en het Barcelona Symphony Orchestra.

Afgelopen november debuteerde hij bij het Concertgebouworkest met een nieuw werk van Liza Lim, en eerder werd hij uitgenodigd door de Wiener en de Münchner Philharmoniker, het Orchestre National de France, alle BBC-orkesten en het NHK Symphony Orchestra, Tokyo.

Met de componist zelf op de bok gaf hij de Finse première van Esa-Pekka Salonens concert. Nicolas Altstaedt werkte recent ook met oudemuziekgezelschappen als Arcangelo en het Orchestre des Champs-Elysées.

Als heeft hij een nauwe band met het Scottish Chamber Orchestra, het Münchner Kammerorchester en het Orchestre Philharmonique de Radio France, en stond hij ook voor het Budapest Festival Orchestra, het Kyoto Symphony Orchestra en het Orkest van de Achttiende Eeuw. In 2012 volgde hij Gidon Kremer op als artistiek leider van het Kammermusikfestival Lockenhaus.

In seizoen 2017/2018 had Nicolas Altstaedt een Spotlightserie in de , en zijn laatste optreden daar was op 20 december j.l. met pianist Maxim Emelyanychev en violist Aylen Pritchin.

Vilde Frang, viool

Vilde Frang speelt viool vanaf vierjarige leeftijd en had les aan het Barrat Due Musik­institut in Oslo. Op haar twaalfde ­nodigde Mariss Jansons haar uit als solist bij het Oslo ­Filharmonisch Orkest. Ze ging studeren bij ­Kolja Blacher in Hamburg en bij Ana Chumachenco in Kronberg, en Mitsuko Uchida en Anne-Sophie Mutter werden belangrijke mentoren.

In 2012 won de Noorse violiste de Credit Suisse Young Artists Award en debuteerde ze onder leiding van Bernard Haitink op het Lucerne Festival. Sindsdien was ze te gast bij gezelschappen als de Wiener en de Berliner Philharmoniker, het London Symphony Orchestra, het Gewandhausorchester Leipzig, het Sym­phonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Budapest Festival Orchestra, het Chamber Orchestra of Europe, het Orchestre de Paris en de orkesten van New York, ­Chicago, Los Angeles, Cleveland, Sydney en Tokio.

In april 2018 debuteerde ze bij het ConcertgebouworkestMozart met Trevor Pinnock), waar ze ­terugkeerde in december 2022 (Berg met Barbara Hannigan) en mei 2025 (Sjostakovitsj met Semyon Bychkov). Het kamermuziekpodium deelde Vilde Frang met Yuri Bashmet, Sol Gabetta, Leif Ove Andsnes en Janine Jansen. Ze kreeg Edisons in 2011 en 2012, en won verder onder meer een Grand Prix du Disque, de Preis der deutschen Schallplattenkritik, een Diapason d’Or en een ­Gramophone Award. Vilde Frang bespeelt de ­‘Rode’-Guarnerius uit 1734.