Het Koninklijk Concertgebouworkest speelt Bachs Johannes-Passion

Koninklijk Concertgebouworkest
Nederlands Kamerkoor
William Christie dirigent
Reinoud Van Mechelen tenor, Evangelist
Alex Rosen bas
Emöke Baráth sopraan
Iestyn Davies countertenor
Anthony Gregory tenor
Renato Dolcini bas

Johann Sebastian Bach (1685-1750)

Johannes-Passion, BWV 245 (1724)
op teksten van Barthold Heinrich Brockes en anderen

pauze na het eerste deel
begin van de pauze ± 21.00 resp. 15.00 uur
einde ± 22.40 uur resp. 16.40 uur

Lees ook het interview met William Christie

solisten uit het Nederlands Kamerkoor:
Bobbie Blommesteijn sopraan (maagd)
Alberto ten Doest tenor (dienaar)
Gilad Nezer bas (Petrus)

instrumentale solisten:
Kersten McCall en Mariya Semotyuk-Schlaffke fluit
Alexei Ogrintchouk en Miriam Pastor Burgos hobo, oboe da caccia, oboe d’amore
Liviu Prunaru en Henk Rubingh viool
Myriam Rignol viola da gamba
Thomas Dunford theorbe

basso continuo:
Tatjana Vassiljeva cello
Ronald Kartenfagot
Maxi Vera Vera fagot, contrafagot
Pierre-Emmanuel de Maistre contrabas
Paolo Zanzu orgel, klavecimbel

Een tekstboekje is voor € 2,50 verkrijgbaar aan de zaal.
Download en print hier de zangteksten.

Het concert van vrijdag 12 april maakt deel uit van de serie D.
Het concert van zondag 14 april wordt live uitgezonden door AVROTROS via NPO Radio 4.

Toelichting

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Johannes-Passion

Door Lonneke Tausch

De gebeurtenissen m de iging van Jezus zijn beschreven door de vier evangelisten Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes. Al in de Middeleeuwen werden hun getuigenverslagen gezongen als onderdeel van de liturgie. Tot in de dertiende eeuw gebeurde dat eenstemmig.

In deze vroege ‘passie-uitvoeringen’ maakten verschillen in toonhoogte en tempo duidelijk wie aan het woord was: er moest laag en plechtig gezongen worden op de woorden van Jezus, op spreeksnelheid en op gemiddelde toonhoogte op die van de verteller (de evangelist) en juist hoog en opgewonden op die van de menigte (het joodse volk, soldaten, hogepriesters). De eerste meerstemmige passies dateren van circa 1450 en vanaf 1500 zijn vooral Duitse en Italiaanse toonzettingen van de verschillende passieverhalen overgeleverd.

Passiemuziek in Leipzig

Toch was het uitvoeren van dergelijke verhalende passiestukken niet overal even vanzelfsprekend. In Leipzig bijvoorbeeld werden ze uit de lutherse kerken geweerd omdat die dramatische muziekwerken te veel zouden neigen naar de Italiaanse .

Totdat in 1717 in de Neukirche de Brockes-Passion van Georg Philipp Telemann klonk en de orthodoxe kerkbesturen deze muzikale ontwikkeling niet langer konden tegenhouden. Johann Kuhnau voerde in 1721 en 1722 in de Thomaskirche, de belangrijkste kerk van de stad, zijn eigen Markus-Passion uit. Hij overleed in juni 1722, en een klein jaar later volgde Johann Sebastian Bach hem op als Thomascantor en ‘director musices’ van de stad Leipzig.

Bachs eerste passie

Voordat hij naar Leipzig kwam, had Bach zich een paar jaar niet zo met kerkmuziek beziggehouden: hij was sinds 1717 kapelmeester geweest aan het hof van Köthen, waar hij vooral instrumentale muziek had geschreven en gespeeld. Bij aankomst in Leipzig begon hij met het componeren van s voor de wekelijkse kerkdiensten.

In de belangrijke viering van Goede Vrijdag op 7 april 1724 in de Nikolaikirche zag hij een mooie gelegenheid om de kerkgemeente versteld te doen staan met iets grootsers, dus componeerde hij de Johannes-Passion – het eerste deel uit te voeren vóór de preek, de rest erna. Bach maakte van zijn eerste passie- een indrukwekkende aaneenschakeling van tientallen stukken muziek: koorscènes, koralen, dialogen en solo’s, alles verbonden door de recitatieven van de evangelist. In het orkest gaf hij twee instrumenten die ook al in Bachs tijd niet al te gebruikelijk waren een opvallende solorol: de viola d’amore en de viola da gamba.

Dreiging

Het dramatische gehalte van het evangelie van Johannes (hoofdstuk 18 en 19) verleidde Bach ertoe zijn hele compositorische arsenaal in te zetten. Waarmee hij de arbeidsvoorwaarden van het kerkbestuur om alleen ‘solche Compositiones zu machen, die nicht theatralisch wären’ volledig negeerde. Van het koor vraagt de componist veel: complexe ’s, scherpe tekstarticulatie, , coloraturen.

Met name de felle en (soms zeer) korte ‘turbae’ springen in het oor. Het zijn er in totaal veertien, en vanuit een nog redelijk voorzichtig en vragend Bist du nicht seiner Jünger einer ontwikkelt zich gaandeweg een onhoudbare volkswoede, via het al vrij stellige Nicht diesen, sondern Barrabam tot de onvermijdelijke veroordeling van Jezus tot de kruisdood in Kreuzige, kreuzige.

In feite broeit de onrust die de hele Johannes-Passion onderhuids bestiert meteen al in de allereerste instrumentale maten van het openingskoor Herr, unser Herrscher: in de hamerende basnoot, de turbulente zestiendenbeweging in de strijkers en de e dialoog daarboven van hobo’s en fluiten (zie de autograaf hiernaast). Overigens fungeren de orkestpartijen op meer plekken in de Johannes-Passion als de voorspellers van het naderende onheil.

Zo wees Bachvorser en uitvoerder Hans Brandts Buys (1905-1959) in vijf turbae hetzelfde vinnige begeleidingsmelodietje aan. Hij noemt dat het ‘tumultmotief’: een hakkelig stijgend lijntje in zestienden waarop hij precies de woorden ‘Wir wollen Jesu Christi Tod’ laat passen – woorden die niet gezongen worden maar die zo meteen vanaf de eerste turba (Jesum, Jesum) impliciet de toon zetten in de toenemende hetze. De haatdragende en huichelachtige turbae staan overigens steeds in scherp contrast met de kalmte waarmee Jezus zijn lijden aanvaardt.

Tekstschildering

Bach voorzag zijn manuscripten trouw van het opschrift SDG, Soli Deo Gloria (‘alleen aan God de eer’). Zijn kerkmuziek stond ten dienste van de tekst; die moest zo beeldend mogelijk worden overgebracht. In de Johannes-Passion zijn de aanleidingen voor tekstschildering talloos. Dat kan vrij algemeen zijn, zoals een stijgende of juist dalende muzikale beweging als sprake is van omhoog of omlaag gaan, of van hemel of graf.

Maar op tientallen plekken bedenkt Bach ook juist heel specifieke manieren om het gezongen woord extra uit te lichten. Zo krullen de hobo’s ingenieus om elkaar heen in de alt- Von den Strikken meiner Sünden: lijnen raken verstrikt en schieten weer los. Een bekende tekstschildering is het ‘kraaien’ in de continuobegeleiding op het moment dat Petrus voor de derde keer Jezus verloochent en prompt daarop – zoals Jezus hem had voorspeld – de haan hoort kraaien.

Petrus komt tot besef en huilt, op een sliert van smartelijke overgebonden en (overigens greep Bach op dit emotionele moment in het verhaal even naar een tekstfragment uit het evangelie volgens Matteüs). Een veel voorkomende figuur in de muzikale retorica is de ‘diabolus in musica’, de overmatige kwart (of verminderde ); in dit ‘duivelsinterval’ laat Bach de van de evangelist uitlopen aan het eind van de zin ‘Barrabas aber war ein Mörder’.

Direct daarna volgt een huiveringwekkende op het woord ‘geisselte’. De kronkelende, vallende zestienden doen je de geselingen die Jezus te verduren krijgt meevoelen. Als in het sarcastische koor Sei gegrüsset, lieber Jüdenkönig vervolgens de aan het ‘giechelen’ slaan, is er geen uitweg meer en is Jezus’ lot beklonken.

Structuur

Hiermee komen we aan bij het centrum van de Johannes-­Passion: het Durch dein Gefängnis, Gottes Sohn. Net ervoor is de afloop van het verhaal onafwendbaar geworden: Pilatus levert Jezus uit aan de moordlustige menigte. In het evangelie van Johannes ligt daarin een hoger plan besloten: Jezus is een martelaar en zijn lijden zal zijn volgelingen vrijpleiten. Om dit zo belangrijke koraal heen heeft Bach een ingenieuze, symmetrische structuur gevouwen.

Voor en na Durch dein Gefängnis heeft hij in twee turbae met dezelfde strekking (het grimmige Wir haben ein Gesetz en het even dogmatische Lässest du diesen los) dezelfde muziek gebruikt. Daar weer voor respectievelijk na bevinden zich de turbae Kreuzige, kreuzige en Weg, weg mit dem, die ook gelijke noten en inhoud delen. En Bachs gelijke opbouw aan weerskanten telt nog een derde trede: de turbae Sei gegrüsset en Wir haben keinen König maken beide hetzelfde punt, namelijk dat Jezus de koning der joden zou zijn.

De symmetrie die Bach in zijn Johannes-Passion aangebracht heeft, is zelfs nog veelomvattender: de scene waarin Pilatus Jezus loslaat, is de middelste van de vijf ‘bedrijven’ waaruit het passieverhaal is opgebouwd, te weten de aanhouding in de tuin, de hogepriesters, Pilatus, de iging en de graflegging. Bach maakte het middelste deel het langst en de twee buitenste het kortst en besluit ieder onderdeel met een koraal.

Bespiegeling en opstanding

Alle ’s en arioso’s in de Johannes-Passion reflecteren in vrije poëzie (geen bijbelteksten, maar regels uit een door vele componisten gebruikt libretto van de eerder genoemde Brockes) op de gevangenneming, de veroordeling en de kruisiging van Jezus, zoals ook het koor dat doet in de in totaal twaalf koralen. Het zijn vooral deze beschouwelijke passages waarin Bach de emotie de ruimte geeft.

Dit geldt nadrukkelijk ook voor het laatste grote koordeel, Ruht wohl. Dit galante slotkoor heeft het van een ; met het introduceren van deze toen ­modieu­ze dans haalde Bach aan het eind nog een ‘theatraal’, wereldlijk element zijn passie- in.

In Ruht wohl overheersen berusting en eerbied: de sfeer is eerder vredig en troostrijk dan verdrietig. Jezus rust (tijdelijk) in het graf, en met zijn marteldood heeft hij voor zijn volk de toegang tot de hemel zekergesteld (‘Das Grab macht mir den Himmel auf und schliesst die Hölle zu’). Het slotkoraal ademt nogmaals Bachs onverminderde godsvertrouwen: ‘Ich will dich preisen ewiglich!’

Biografie

William Christie, dirigent

William Christie werd geboren in Buffalo (New York) en studeerde zowel aan de Harvard als aan de Yale University, maar woont al sinds 1971 in Frankrijk en is Frans staatsburger.

De klavecinist, en musicoloog geldt als een pionier binnen de oude-muziekbeweging en introduceerde de afgelopen veertig jaar talloze zeventiende- en achttiende-eeuwse werken – met een speciale liefde voor Frans repertoire – bij een breed publiek.

In 1979 richtte William Christie het vocaal-instrumentale ensemble Les Arts Florissants op, waarmee hij nog altijd wereldwijd successen viert. Daarnaast is hij een veelgevraagd gastdirigent op bijvoorbeeld het Glyndebourne Festival en in -huizen als de Metropolitan Opera in New York, het Opernhaus Zürich en de Opéra de Lyon en stond hij regelmatig op de bok bij de Berliner Philharmoniker.

William Christie is ook een toegewijd docent. Van 1982 tot 1995 gaf hij les aan het Conservatoire de Paris, in 2002 startte hij Le Jardin des Voix, de tweejaarlijkse academie van Les Arts Florissants. Sinds 2007 is hij artist in residence aan de Juilliard School in New York. Ook geeft hij geregeld masterclasses.

William Christie maakt zijn langverwachte debuut bij het Koninklijk Concertgebouworkest.

Lees het interview 'Christus volgens Christie' uit Preludium april 2019.

Nederlands Kamerkoor, koor

Het Nederlands Kamerkoor voert repertoire uit van de vroege Middeleeuwen tot de muziek van morgen. Het werkt samen met acteurs, dansers, dj’s en vj’s, componisten, dichters en wetenschappers. Het koor won in 2017 De Ovatie van de VSCD voor het programma Via Crucis onder leiding van Reinbert de Leeuw, en in 2019 won het de Rotterdamse dagen Award.

Vanuit zijn thuisbasis in Utrecht zet het Nederlands Kamerkoor zich in voor een bloeiende koorwereld met onder meer het traineeship NKK NXT voor jonge professionals en de Zing­dagen voor amateurkoren. Oprichter Felix de Nobel was chef- van 1937 tot 1972; hij gaf opdrachten aan componisten als Francis Poulenc en Frank Martin.

Opvolgers waren Hans van de Hombergh (1972-1976), Kerry Woodward (1977-1980), Uwe Gronostay (1988-1997), Tõnu Kaljuste (1998-2000), Stephen Layton (2002-2005) en Risto Joost (2011-2015). Sinds 2015 is Peter Dijkstra chef-­dirigent. De laatste decennia werden compositieopdrachten verleend aan onder anderen David Lang, Michel van der Aa, Sofia Goebaidoelina, James MacMillan en Caroline Shaw. De vorige samenwerking met het Concertgebouworkest betrof Bachs Matthäus-Passion onder Riccardo Minasi in april 2025.

Reinoud Van Mechelen, tenor

Reinoud Van Mechelen behaalde in 2012 zijn master bij Dina Gross­berger aan het Koninklijk Conservatorium Brussel en kreeg in 2017 de Belgische Caecilia Prijs.

Al in 2007 had hij deelgenomen aan de Académie Baroque Européenne d’Ambronay onder leiding van Hervé Niquet, en in 2011 aan Le Jardin des Voix van William Christie en Les Arts Florissants.

Met hen trad hij op op de festivals van Aix-en-Provence en Edinburgh. ensembles als Collegium Vocale Gent, Le Concert d’Astrée, Pygmalion en Hespèrion XXI nodigen de Vlaamse tenor geregeld uit, en in 2016 richtte hij ook zijn eigen ensemble op: a nocte temporis.

Op het ­toneel vertolkte de zanger de titelrollen van Rameaus Dardanus, Pygmalion en Hippolyte et Aricie. Ook werk van Charpentier, Gluck, Mozart, Delibes en Bizet heeft hij op zijn repertoire, en hij werd geëngageerd door de operahuizen van Bordeaux, Dijon, Lille, Versailles, Antwerpen en Madrid, de Opéra Comique en de Opéra National in Parijs, De Munt in Brussel en de Berliner Staatsoper.

Reinoud Van Mechelen debuteerde in 2019 bij het Concertgebouworkest als evangelist in Bachs Johannes-­Passion.

Alex Rosen, bas

Alex Rosen werd geboren in La Cañada (Californië) en begon zijn muziekopleiding aan het Peabody Conservatory in Baltimore en de Rice University in Houston. Hij vervolgde zijn studie aan The Juilliard School in New York bij onder anderen James Levine, Alan Gilbert, James Conlon en William Christie.

De Ameri­kaanse bas maakte zijn internationale debuut in 2018 bij Les Arts Florissants onder leiding van William ­Christie in tournees met Haydns Die Schöpfung en Händels Acis and Galatea. Sindsdien treedt hij wereldwijd op met oudemuziekensembles als Pygmalion, il Pomo d’Oro, het Jupiter Ensemble en Les Arts Florissants, en is hij een veelgevraagd solist bij bekende en en ­huizen.

Als lie­dzanger werkt hij nauw samen met pianist Michał Biel, met wie hij de tweede prijs won tijdens de International Hugo Wolf Academy Competition 2019. Alex Rosen zong slechts één keer eerder in Het Concertgebouw: in 2019 als Christus in Bachs Johannes-Passion met het Concertgebouworkest onder leiding van William Christie.

Emöke Baráth, sopraan

Emöke Baráth speelde aanvankelijk piano en harp, maar koos op haar achttiende voor zang. Ze studeerde bij Júlia Pászthy aan de Franz Liszt Muziek-academie in Boedapest en volgde masterclasses bij Barbara Bonney, Kiri Te Kanawa en Masaaki Suzuki.

In 2011 won de Hongaarse sopraan de eerste prijs en de publieksprijs tijdens de Internationale Gesangswettbewerb für Barockoper Pietro Antonio Cesti in Innsbruck. Als soliste vertolkte zij Zerlina in Mozarts Don Giovanni, Alceste in in Creta van Händel (onder meer in het Theater an der Wien) en Sesto in Händels Giulio Cesare in de cd-opname met Il Complesso Barocco onder leiding van Alan Curtis.

Op het concertpodium soleerde zij bijvoorbeeld in BachMis in b klein met Marc Minkowski en Les Musiciens du Louvre, en in werken van Händel en Bach met Le Concert d’Astrée onder leiding van Emmanuelle Haïm.

Emöke Baráth debuteert bij het Koninklijk Concertgebouworkest.

Iestyn Davies, countertenor

Iestyn Davies zong in het koor van St. John’s College, Cambridge. Nadat hij daar was afgestudeerd als archeoloog en antropoloog begon hij alsnog een zangstudie aan de Royal Academy of Music in Londen, waar hij inmiddels fellow is.

In 2010 won hij de Young Artist Prize van de Royal Philharmonic Society, zijn opnames kregen twee Gramo­phone Awards en een Grammy, en zijn vertolking van Farinelli in Farinelli & the King op West End – waarmee de zanger ook naar Broadway zal gaan – is genomineerd voor een Olivier Award.

De werd voor ’s van de tot nu uitgenodigd door het Glyndebourne Festival en de opera­huizen van Londen, Milaan, Parijs, Bordeaux, Zürich, Houston, Chicago en New York. In George Benjamins Written on Skin stond Iestyn Davies in de Opéra Comique in Parijs en op de festivals van München en Wenen. ­s gaf hij recentelijk in Carnegie Hall in New York, op het Edinburgh Festival en in Wigmore Hall in Londen.

Bij het Concertgebouworkest zong hij in 2016 in Bachs Magnificat met Iván Fischer en in 2019 in de Johannes-­Passion met William Christie, en in de was hij eerder ook te horen met Britten Sin­fonia (2011, 2014, 2018) en The English Concert (2016).

Anthony Gregory, tenor

Anthony Gregory specialiseerde zich na zijn studie aan het Royal College of Music in Londen aan de National Studio. Ook maakte hij deel uit van de Harewood Artists, een opleidingstraject van English National Opera.

In 2010 maakte de Engelse tenor zijn debuut bij de Glyndebourne Festival Opera en twee jaar later sprong hij in het oog met zijn optreden in Martinů’s Julietta door English Natio-nal Opera. Daarna brachten Monteverdi’s L’Orfeo, Mozarts Così fan tutte en Händels Alcina hem naar onder meer het Royal Opera House Covent Garden in Londen, Glyndebourne on Tour en het festival van Aix-en-Provence.

Tot zijn recente successen behoren Oronte in Händels Alcina, Florizel in de wereldpremière van Ryan WigglesworthThe Winter’s Tale en Don Ottavio in MozartDon Giovanni. Hij soleerde ook in bijvoorbeeld Monteverdi’s Vespers, BachJohannes-Passion, Händels Messiah, Mozarts Requiem en Brittens Saint Nicolas.

Anthony Gregory debuteert bij het Koninklijk Concertgebouworkest.

Renato Dolcini, bas (aria's en Pilatus)

Renato Dolcini genoot zijn zangopleiding bij Vincenzo Manno aan de Accademia del Teatro alla Scala en de Civica Scuola di Musica Claudio Abbado in zijn geboortestad Milaan. Tegelijkertijd studeerde hij musicologie aan de Universiteit van Pavia.

De Italiaanse bas werd tweemaal toegelaten tot de Gstaad Vocal Academy, waar hij werd gecoacht door Cecilia Bartoli. Sinds 2010 werkt hij met sopraan Roberta Invernizzi aan repertoire. In 2015 maakte hij deel uit van Le Jardin des Voix, de academie voor jonge zangtalenten van Les Arts Florissants.

Tijdens een internationale tournee met dit gezelschap ontving Renato Dolcini lovende kritieken. Recente hoogtepunten in zijn carrière waren de vertolkingen van onder meer Peneo/Giove in Caldara’s Dafne, Satiro in Rossi’s Orfeo en Danao in Cavalli’s Ipermestra onder leiding van William Christie op het Glyndebourne Festival.

Renato Dolcini soleert voor het eerst bij het Koninklijk Concertgebouworkest.