Het Concertgebouworkest speelt Schumann en Brahms
Koninklijk Concertgebouworkest
Sir John Eliot Gardiner dirigent
Alina Ibragimova viool
Dit concert maakt deel uit van de serie E.
Het concert van vrijdag 29 maart wordt opgenomen door AVROTROS voor uitzending op zondag 21 april om 14.00 uur via NPO Radio 4.
Lees ook: Notenbeeld - is Schumanns Vioolconcert het werk van een psychiatrisch patiënt?
Hector Berlioz (1803-1869)
Le roi Lear, op. 4 (1831)
grande ouverture
Robert Schumann (1810-1856)
Vioolconcert in d kl.t., WoO1 (1853)
In kräftigem, nicht zu schnellem Tempo
Langsam
Lebhaft, doch nicht zu schnell
pauze ± 21.00 uur
Johannes Brahms (1833-1897)
Derde symfonie in F gr.t., op. 90 (1883)
Allegro con brio
Andante
Poco allegretto
Allegro
einde ± 22.15 uur
Toelichting
Hector Berlioz 1803-1869
Le roi Lear
Door Martijn Voorvelt
De muziekhistorische inzichten van John Eliot Gardiner leiden vaak tot opvallend vitale uitvoeringen, of het nu gaat om muziek uit de , de achttiende eeuw of de . De Britse maestro gidst het Koninklijk Concertgebouworkest door drie werken uit de negentiende eeuw, met Robert Schumann als verbindende schakel.
Hij was het die de hemelbestormende muziek van Hector Berlioz in Duitsland op de kaart zette. Schumann was ook degene die – samen met zijn vrouw Clara – de jonge Johannes Brahms op weg hielp. De vermaarde violist Joseph Joachim verbindt Schumanns Vioolconcert – dat hij hard veroordeelde – met de Derde symfonie van zijn vriend Brahms.
Berlioz: Le roi Lear
Hector Berlioz’ concertouverture Le roi Lear was het eerste van een reeks werken waarin de Franse romanticus zich liet inspireren door Shakespeare. De ouverture ontstond tijdens een opmerkelijke episode in het leven van de nog jonge componist. Als kersverse winnaar van de Prix de Rome naar de Italiaanse hoofdstad afgereisd, keerde hij halsoverkop terug naar Parijs om zijn verloofde en haar moeder (die de verloving had opgeschort) te vermoorden.
Toen hij Nice had bereikt, kwam hij bij zinnen. Hij bleef er een maand en componeerde Le roi Lear, geïnspireerd door Shakespeare’s King Lear, dat hij juist had gelezen. Uit brieven kunnen we afleiden dat Berlioz het verhaal vrij letterlijk volgt. In het openingsthema, dat aan de basis staat van het hele werk, herkennen we Koning Lear.
Bij de herhaling vertellen de slagen ons dat er iets belangrijks plaatsvindt: de koning gaat zijn rijk onder zijn drie dochters verdelen. Zijn favoriete dochter Cordelia wordt voorgesteld door twee bevallige hobomelodieën.
Nadat Robert Schumann in 1835 zes uitgebreide artikelen aan de Symphonie fantastique wijdde, groeide Berlioz’ populariteit in het Duitse taalgebied. Koning Wilhelm IV van Hannover zou later aan de componist opbiechten dat hij Le roi Lear als zijn lievelingscompositie beschouwde; hij was met name verrukt door de Cordelia-ën.
Ook bij het Concertgebouworkest was Le roi Lear jarenlang in trek: na de eerste uitvoering in 1891 onder leiding van Willem Kes klonk het werk vrijwel jaarlijks… tot 1930. Voor het eerst in bijna negentig jaar staat het nu weer op de lessenaars.
Robert Schumann 1810-1856
Schumann: Vioolconcert
De Duits-Hongaarse violist Joseph Joachim inspireerde diverse componisten tot nieuwe werken die tot op de dag van vandaag worden gespeeld. Maar behalve een aanjager van nieuw repertoire was hij óók degene die het Vioolconcert van Schumann zó nadrukkelijk onder het tapijt veegde dat tot ver in de twintigste eeuw maar een handvol mensen wisten dat het überhaupt bestond. Zijn reden daartoe: het stuk was niet goed genoeg.
Schumann componeerde het toen hij op het randje balanceerde van de zenuwinzinking die hem definitief zou vellen. Om de componist niet te kwetsen stelde Joachim de verhoopte première herhaaldelijk uit, met overtuigende smoezen, en Schumann stierf zonder ooit een degelijke uitvoering van het concert te hebben gehoord. Triest is de anekdote dat Schumann in het krankzinnigengesticht een ‘openbaring’ had van een die hem ‘door engelen voorgezongen’ was; toen hij het noteerde zagen anderen dat het een uit dat recent voltooide Vioolconcert was.
Naderhand kwamen Joachim, Schumanns vrouw Clara en de jonge Johannes Brahms (bevriend met beiden) tot de conclusie dat Schumanns reputatie niet gebaat was bij een uitgave van het werk, of zelfs een enkele uitvoering. Het manuscript belandde in de Pruisische Staatsbibliotheek en verstofte daar – totdat decennia later de violiste Jelly d’Aranyi (Joachims achternicht) zich erover ontfermde, naar verluidt omdat ze in een spiritistische seance daartoe was aangespoord door Schumann zelf. En wederom werd de première uitgesteld: haar joodse afkomst maakte optredens in nazi-Duitsland onmogelijk. Uiteindelijk hield Yehudi Menuhin het werk in 1937 ten doop, in New York.
Wordt Schumanns Vioolconcert mooier van dit schatgraversverhaal? Nee en ja, in die volgorde. Een paar minuten googelen leert al hoe verdeeld de meningen daarover zijn. Schumann schreef betere stukken, zeggen velen. Het stuk is traditioneel van vorm (snel-langzaam-snel) en bevat niets wat je niet elders in Schumanns oeuvre kunt vinden. Maar tegelijkertijd heeft die vormvastheid iets gekwelds. Vooral de partij van de vioolsolist is eerder bezwerend dan ambachtelijk. Schumann schreef in zijn nadagen strenge ’s om dreigende psychoses in te tomen; hetzelfde mechanisme lijkt bij vlagen het Vioolconcert geïnspireerd te hebben. In dat geval is het misschien geen meesterwerk, maar wel een document humain dat je niet onberoerd laat.
Johannes Brahms 1833-1897
Derde symfonie
Door Marco Nakken
Johannes Brahms voltooide de Derde symfonie in F groot in de zomer van 1883 in Wiesbaden. Het eerste deel opent met een motto van drie noten, f – as – f, in de fluiten, dat meteen daarna als tegenstem voor het eigenlijke eerste dienst blijft doen. Volgens de biograaf Max Kalbeck behelst het een muzikale uitwerking van Brahms’ lijfspreuk ‘Frei aber froh’. Het zou zijn antwoord zijn geweest op het ‘Frei aber einsam’ van de violist Joseph Joachim, dat in 1853 is verwerkt in de aan hem opgedragen, door Brahms, Schumann en Dietrich gezamenlijk gecomponeerde FAE- voor viool en piano.
Kalbecks conclusie dat de Derde symfonie een zelfportret van Brahms is lijkt overdreven en zegt verder niet zo veel. Brahms zelf heeft zich nooit over een lijfspreuk uitgelaten. Een feit is wel dat de betreffende melodische wending (terts – sext, tezamen een ) zeer karakteristiek is voor Brahms en veelvuldig in zijn oeuvre optreedt. De tweede frase van het eerste neventhema (fis – a – fis: toeval?) in het eerste deel van het Eerste pianoconcert is een goed voorbeeld.
De /-dubbelzinnigheid van het motto blijft gehandhaafd in het eerste thema, dat met zijn melodische contouren en dwarse ritmiek (drie tegen twee) opvallend veel overeenkomst vertoont met de opening van Schumanns Derde symfonie, (‘Rheinische’). Het motto markeert ook de overgang naar het tweede thema, een volksdansje met jodelende klarinetten en fluiten, en naar de slotgroep van de expositie. In de doorwerking verschijnt het als solo.
De twee middendelen zouden met hun kleine bezetting en pastorale karakter in een niet misstaan. Het eerste van het , een soort volkslied, heeft de klassieke opbouw in perioden van vier maten, maar deze regelmaat wordt verstoord door de strijkers die de afsluiting van iedere frase herhalen.
Het door de klarinet en geïntroduceerde tweede thema in is niet veel meer dan een met enkele kleine len omspeelde liggende noot en roept associaties met het op. In de door trombones begeleide geheimzinnige overgang naar de reprise van het eerste thema wordt de serenadesfeer doorbroken. Het derde deel, Poco allegretto, heeft een vorm. De lange van de solocello wordt in verschillende s twee keer herhaald en in de reprise aan de solohoorn toevertrouwd.
De finale opent met een unisono-thema in mineur, dat na twee signalen van de s en trombones onderbroken wordt door een op het gregoriaanse thema uit het tweede deel gebaseerd voor de en strijkers. Het eigenlijke tweede thema is een door bassen begeleide, zwierige melodie voor de hoorns en de ’s. De doorwerking wordt aangekondigd door een unisono-signaal in het orkest en is grotendeels gebaseerd op het gregoriaanse thema.
Een climax voert naar , maar dit slaat onmiddellijk om in mineur. Het verlossende majeur wordt uitgesteld tot de . Het gregoriaanse koraal en een variant van het eerste thema verschijnen in een waas van lieflijke ’s en trillers in de strijkers. In de verstilde slotmaten klinkt in de fluiten het motto en in de eerste violen het eerste thema uit het eerste deel.
Biografie
John Eliot Gardiner, dirigent
John Eliot Gardiner wordt beschouwd als een sleutelfiguur in de ontwikkeling van de historische uitvoeringspraktijk. Zijn repertoire beslaat de vroege tot en met de twintigste eeuw.
De afgelopen decennia bleef hij zijn visie vernieuwen en verbreden.
Hij is oprichter en artistiek leider van zowel de English Baroque Soloists als het Monteverdi Choir. In 1989 riep hij bovendien het Orchestre Révolutionnaire et Romantique in het leven. John Eliot Gardiner is chef- geweest van het Dallas Symphony Orchestra, het CBC Vancouver Orchestra en de Opéra National de Lyon. Als gastdirigent leidde hij onder meer het London Philharmonic Orchestra, het London Symphony Orchestra, de Berliner en de Wiener Philharmoniker, het Mahler Chamber Orchestra, het Orcheste National de France en het Leipziger Gewandhausorchester.
Hij maakte ruim 250 plaat- en cd-opnamen en ontving meer Gramophone Awards dan welke andere levende klassieke artiest ook. Voor de live-opnames van Bachs complete geestelijke s kreeg hij de Gramophone Special Achievement Award. John Eliot Gardiner heeft verschillende eredoctoraten en een ‘honorary fellowship’ aan King’s College in Cambridge en is voorzitter van het Bach Archiv in Leipzig. In 2013 verscheen zijn Bach-biografie Music in the Castle of Heaven.
Hij is Commandeur dans l’Ordre des Arts et des Lettres en Chevalier de la Légion d’Honneur. In 1998 werd hij geridderd in de Queen’s Birthday Honours List en in 2005 kreeg hij het Verdienstkreuz in Duitsland. In januari 2016 kreeg hij de Concertgebouw Prijs toegekend. Het Concertgebouworkest leidde hij vele malen sinds 1994.
Tussen 2021 en 2023 leidde hij bij het orkest een Brahms-cyclus; opnamen van de vier symfonieën werden uitgebracht op Deutsche Grammophon.
Alina Ibragimova, viool
Alina Ibragimova begon haar opleiding aan de Gnessin Muziekschool in Moskou. Nadat haar familie in 1995 naar Engeland was verhuisd, vervolgde ze haar studie daar aan de Yehudi Menuhin School en het Royal College of Music in Londen. Met repertoire van tot hedendaags, gespeeld op zowel moderne als historische instrumenten, bouwde de violiste een grote reputatie op.
Tijdens de BBC Proms in 2015 trad ze als solist op met zowel een als een ensemble én voerde ze in twee s alle solopartita’s en -s van Bach uit. Alina Ibragimova werd geëngageerd door onder meer het Boston Symphony Orchestra, de Wiener Symphoniker, het London Symphony Orchestra, het Chamber Orchestra of Europe, het Mahler Chamber Orchestra en Camerata Salzburg.
Bij het Concertgebouworkest debuteerde ze in maart 2019 met het Vioolconcert van Schumann onder leiding van John Eliot Gardiner. Hoogtepunten in het huidige seizoen zijn optredens met het Budapest Festival Orchestra, de Dresdner Philharmonie, het Scottish Chamber Orchestra en Camerata Bern.
Alina Ibragimova speelt ook graag kamermuziek: ze is de primarius van het Chiaroscuro Quartet, waarmee ze voor het laatst in mei 2025 in de optrad, en vormt al jaren een vast duo met de Franse pianist Cédric Tiberghien. De violiste bespeelt een instrument van Anselmo Bellosio uit circa 1775.
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest


