Het Concertgebouworkest speelt Bach en Brahms

Koninklijk Concertgebouworkest
Nederlands Kamerkoor (instudering Peter Dijkstra)
Daniel Harding dirigent
Judith van Wanroij sopraan 

solisten uit het Nederlands Kamerkoor:
Karin van der Poel alt
William Knight tenor
Kees Jan de Koning bas

Johann Sebastian Bach (1685-1750)

Cantate ‘Nach dir, Herr, verlanget mich’, BWV 150 (jaartal onbekend)
Sinfonia
Koor: ‘Nach dir, Herr, verlanget mich’
Aria: ‘Doch bin und bleibe ich vergnügt’ (sopraan)
Tutti: ‘Leite mich in deiner Wahrheit’
Terzet: ‘Zedern müssen von den Winden oft viel Ungemach empfinden’ (alt, tenor, bas)
Koor: ‘Meine Augen sehen stets zu dem Herrn’
Tutti: Ciacona ‘Meine Tage in dem Leide’ 

Motet ‘Jesu meine Freude’, BWV 227 (1723)
voor koor a cappella

pauze

Johannes Brahms (1833-1897)

Vierde symfonie in e kl.t., op. 98 (1884-85)
Allegro non troppo
Andante moderato
Allegro giocoso
Allegro energico e passionato

Toelichting

Johann Sebastian Bach (1685-1750)

Cantate ‘Nach dir, Herr, verlanget mich’, BWV 150 (jaartal onbekend)

Nach dir, Herr, verlanget mich, BWV 150 van Johann Sebastian Bach is een bijzondere . Het heeft geen recitatieven en geen koralen. Het instrumentarium bevat maar één houtblazer (een ) en er is ook maar één echte vocale solist: alleen de sopraan heeft een eigen . BWV 150 moet haast wel een vroege cantate van Bach zijn en ontstaan in een periode waarin hij nog niet zulke goede musici tot zijn beschikking had als later in Leipzig. Zeker weten doen we het niet, want het manuscript van het werk is verdwenen. Toch kan het bijna niet anders dan dat BWV 150 van Bach is, al was het alleen al vanwege de combinatie van vernuftige compositietechniek en overtuigende tekstexpressie.
Zo zorgen de en de tische passages in de instrumentale inleiding en het openingskoor voor schurende en en daarmee een stemming van rusteloosheid. Ze ueren de bijna angstige smeekbede van de tekst. In de erop volgende korte sopraanaria is de stemming totaal anders. Het huppelende illustreert het kinderlijke godsvertrouwen waarover wordt gezongen. In het daaropvolgende ‘Leite mich in deiner Wahrheit’ knipte Bach de zinnen in stukken en voorzag ze van steeds een ander ritme en tempo, waardoor de inhoud van de tekst duidelijk naar voren komt. Zo heeft ieder deel zijn eigen karakter.
Het grootste kunststuk is het slotkoor. Bach, die toen hij deze cantate schreef kennelijk geen topsolisten tot zijn beschikking had (op de sopraan na), maakte van de nood een deugd. Hij schreef korte, niet al te ingewikkelde vocale solo’s en wisselde ze af met beweeglijke en imiterende koorpassages. Onder dat complexe muzikale weefsel legde hij een prachtig fundament: een voortdurend herhaald basthema (chaconne) dat zorgt voor diepte, eenheid en grandeur.
De cantate dateert waarschijnlijk uit de tijd dat Bach organist was aan de Neukirche in Arnstadt – een van zijn eerste banen. Dat vermoeden wordt versterkt door een bekende anekdote uit Bachs Arnstadt-tijd, waarin hij de kerkmuziek van zichzelf en anderen moest uitvoeren met niet al te beste muziekleerlingen. Dat frustreerde hem af en toe geweldig. Toen hij in de zomer van 1705 een cantate instudeerde en de fagottist voor de zoveelste keer zijn solo’s verpestte, sprong Bach uit zijn vel en schold hem uit voor ‘Zippel Fagottist’. De dodelijk beledigde muzikant (het scheldwoord is behoorlijk plat) viel hem ’s avonds op straat aan, waarop Bach zijn degen trok. Een ordinaire vechtpartij volgde. Deze cantate heeft veeleisende fagotpassages (de snelle loopjes in het terzet ‘Zedern müssen von den Winden’, bijvoorbeeld) die een beginnend fagottist flink wat problemen kunnen bezorgen.

Zangtekst

Koor
Nach dir, Herr, verlanget mich.
Mein Gott, ich hoffe auf dich.
Lass mich nicht zuschanden werden,
dass sich meine Feinde nicht freuen über mich.

(sopraan)
Doch bin und bleibe ich vergnügt,
Obgleich hier zeitlich toben
Kreuz, Sturm und andre Proben,
Tod, Höll und was sich fügt.
Ob Unfall schlägt den treuen Knecht,
Recht ist und bleibet ewig Recht.

Tutti
Leite mich in deiner Wahrheit
und lehre mich;
denn du bist der Gott, der mir hilft,
täglich harre ich dein.

Terzet (alt, tenor, bas)
Zedern müssen von den Winden
Oft viel Ungemach empfinden,
Niemals werden sie verkehrt.
Rat und Tat auf Gott gestellet,
Achtet nicht, was widerbellet,
Denn sein Wort ganz anders lehrt.

Tutti
Meine Augen sehen stets zu dem Herrn;
denn er wird meinen Fuss aus dem Netze ziehen.

Koor
Meine Tage in dem Leide
Endet Gott dennoch zur Freude;
Christen auf den Dornenwegen
Kühren Himmels Kraft und Segen.
Bleibet Gott mein treuer Schutz,
Achte ich nicht Menschentrutz,
Christus, der uns steht zur Seiten,
Hilft mir täglich sieghaft streiten.

Johann Sebastian Bach (1685-1750)

Motet ‘Jesu meine Freude’, BWV 227 (1723)

Het motet Jesu meine Freude is opgebouwd uit teksten van de zeventiende-eeuwse dichter Johann Franck en letterlijke Bijbel­citaten uit de brief van Paulus aan de Romeinen. De verschillende tekstsoorten wisselen elkaar steeds af (zoals te zien in de zangtekst verderop in dit programma), hetgeen zorgt voor een mooie diversiteit in e zangerigheid en beweeglijke vertelling.
Voor Bach was de structuur van een compositie een van de belangrijkste uitgangspunten. In zijn vocale muziek komt daar dan nog de tekstexpressie bij. Bach combineert die twee elementen moeiteloos (zo lijkt het althans). Dat blijkt ook uit dit motet.
Zo creëert hij in het openingskoraal een serene blijdschap om Jezus. Maar in ‘Trotz den alten Drachen’ verklankt hij dramatisch de angst voor de ‘oude draken’ (dood en verdoemenis). Voor de tekstuitdrukking in dit motet putte hij uit zijn hele voorraad aan compositorisch gereedschap en tegelijkertijd gaf hij het werk een perfect symmetrische structuur. Het begin- en slotdeel zijn verwant, maar ook het tweede en het een-na-laatste deel, en zo verder. Helemaal aan het eind laat hij de eerste regels van het motet terugkomen, en is de cirkel rond. Het middendeel ‘Ihr aber seid nicht fleisslich’ is qua tekstinhoud en vorm de kern van het motet. Dat maakt Bach duidelijk door er een machtige van te maken.
Motetten werden uitgevoerd tijdens begrafenisdiensten van de Lutherse kerken. Dit vijfstemmige motet Jesu meine Freude werd geschreven voor een begrafenisdienst in 1723, toen Bach net was aangesteld als Thomascantor in Leipzig. Hij moet een heleboel motetten gecomponeerd hebben, maar helaas, daarvan is maar een ruime handvol bewaard gebleven.

Zangtekst

Jesu, meine Freude,
meines Herzens Weide,
Jesu, meine Zier.
Ach, wie lang, ach lange
ist dem Herzen bange,
und verlangt nach dir!
Gottes Lamm, mein Bräutigam, ausser dir soll mir auf Erden
nichts sonst Liebers werden.

Es ist nun nichts Verdammliches an denen,
die in Christo Jesu sind,
die nicht nach dem Fleische wandeln,
sondern nach dem Geist.

Unter deinem Schirmen
bin ich vor den Stürmen
aller Feinde frei.
Lass den Satan wittern,
lass den Feind erbittern,
mir steht Jesus bei!
Ob es itzt gleich kracht und blitzt,
ob gleich Sünd und Hölle schrecken;
Jesus will mich decken.

Denn das Gesetz des Geistes,
der da lebendig machet in Christo Jesu,
hat mich frei gemacht
von dem Gesetz der Sünde und des Todes.

Trotz dem alten Drachen,
trotz des Todes Rachen,
trotz der Furcht darzu!
Tobe, Welt, und springe;
ich steh hier und singe
in gar sichrer Ruh!
Gottes Macht hält mich in acht;
Erd und Macht muss verstummen,
ob sie noch so brummen.

Ihr aber seid nicht fleischlich, sondern geistlich,
so anders Gottes Geist in euch wohnet.
Wer aber Christi Geist nicht hat,
der ist nicht sein.

Weg mit allen Schätzen,
du bist mein Ergötzen,
Jesu, meine Lust!
Weg, ihr eitlen Ehren,
ich mag euch nicht hören,
bleibt mir unbewusst!
Elend, Not, Kreuz, Schmach und Tod
soll mich, ob ich viel muss leiden,
nicht von Jesu scheiden.

So aber Christus in euch ist,
so ist der Leib zwar tot um der Sünde willen;
der Geist aber ist das Leben
um der Gerechtigkeit willen.

Gute Nacht, o Wesen,
das die Welt erlesen,
mir gefällst du nicht!
Gute Nacht, ihr Sünden,
bleibet weit dahinten,
kommt nicht mehr ans Licht!
Gute Nacht, du Stolz und Pracht!
Dir sei ganz, du Lasterleben,
gute Nacht gegeben.

So nun der Geist des, der Jesum
von den Toten auferwecket hat,
in euch wohnet, so wird auch derselbige,
der Christum von den Toten auferwecket hat,
eure sterblichen Leiber lebendig machen,
um des willen, dass sein Geist in euch wohnet.

Weicht, ihr Trauergeister,
denn mein Freudenmeister,
Jesus, tritt herein.
Denen, die Gott lieben
muss auch ihr Betrüben
lauter Sonne sein.
Duld ich schon hier Spott und Hohn,
dennoch bleibst du auch im Leide,
Jesu meine Freude.

Johannes Brahms (1833-1897)

Vierde symfonie in e kl.t., op. 98 (1884-85)

Toen Johannes Brahms in de nazomer van 1885, nog nagenietend van zijn avondwandeling in de heuvels van Styria, zijn vakantieverblijf naderde, zag hij tot zijn schrik dat er rookwolken opstegen uit het dak van het huis. In paniek rende hij er naar toe. Zijn gastvrouw kwam hem al tegemoet met in haar handen een slordig pak papier: ze had zojuist zijn Vierde (en laatste) symfonie uit de vlammen gered.
Brahms’ laatste symfonie wordt beheerst door een stemming van bezonkenheid en kalmte. Misschien was het een weerspiegeling van de landelijke rust van de zomers van 1884 en 1885 in Murzuschlag (Styria) waar het werk ontstond. Net als in Brahms’ eerste symfonische werk (Variaties op een van Haydn uit 1873), speelt ook in zijn laatste compositie in dit genre de variatietechniek een belangrijke, structurerende rol.
Het eerste deel ( non troppo) opent met het beroemd geworden brede, vredige eerste thema, dat meteen wordt gevarieerd. Een kort fanfare-achtig , dat het eerste thema van het tweede scheidt, blijft ondanks de aanwezigheid van een derde thema in het hele deel een belangrijke rol spelen. Het tweede deel heeft twee thema’s, waarvan het eerste, de markante waarmee de s openen, eveneens voortdurend terugkomt.

Het giocoso is een uitbundig, ritmisch , dat te omschrijven is als een met variaties. Het eerste , waarmee de meteen en fors met de deur in huis vallen, keert in allerlei gedaanten telkens weer terug. In dit deel, dat af en toe doet denken aan een wervelende Balkan-dans, heeft de ist het – zeker voor een Brahms-symfonie – ongewoon druk.
De finale is geheel gebaseerd op het basmotief onder het slotkoor van Bachs Nach dir, Herr, verlanget mich (BWV 150). De blazers zetten – Allegro energico e passionato – het thema in, dat voortdurend gevarieerd terugkeert. In totaal gebeurt dat zo’n 30 keer – net zo vaak als Bach het thema van zijn Goldbergvariaties varieerde. Zo creëerde Brahms een monumentaal, buitengewoon knap in elkaar stekend muzikaal bouwwerk.
Brahms noemde zijn Vierde symfonie ‘mijn beste werk’. Maar daar was lang niet iedereen het over eens. Tijdens een voorpremière bij het Gewandhausorchester van Leipzig was de zaal al leeggelopen nog vóór het orkest aan de finale was toegekomen.
Het moet Brahms pijn gedaan hebben. Leipzig was de stad van Bach, de componist die hij het meest bewonderde. Hij bestudeerde Bachs en had zelfs een portret van hem boven zijn bed hangen. In verschillende van zijn composities verwijst hij naar Bachs muziek, zo ook in deze Vierde symfonie, en juist in dat deel dat ze in Leipzig niet meer wilden horen! Gelukkig was de eerste echte uitvoering, in Meiningen op 17 oktober, een groot succes. Vooral het scherzo sloeg zo aan dat het publiek al applaudisserend riep om een encore.

Agnes van der Horst

Biografie

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Daniel Harding, dirigent

Nog maar achttien was Daniel Harding toen hij in 1994 zijn loopbaan begon als assistent van Simon Rattle bij het City of Birmingham Symphony Orchestra. Het seizoen erop assisteerde hij Claudio Abbado bij de Berliner Philharmoniker.

Momenteel is hij chef- van het Swedish Radio Symphony Orchestra (sinds 2007) en eredirigent van het Mahler Chamber Orchestra, waarmee hij al meer dan twintig jaar werkt. Komende herfst volgt hij Antonio Pappano op als chef-dirigent van het orkest en koor van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome en gaat hij Youth Music Culture The Greater Bay Area leiden in China. 

Van 2007 tot 2017 was Daniel Harding eerste gastdirigent van het London Symphony Orchestra en van 2016 tot 2019 artistiek leider van het Orchestre de Paris. Als gastdirigent wordt hij uitgenodigd door de ­Wiener en de Berliner Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, de Filarmonica della Scala en de grote Amerikaanse orkesten. Bij het Concertgebouworkest debuteerde hij in 2004.

producties leidde de in Milaan, Aix-en-Provence, Londen, Wenen, Salzburg en München. Daniel Harding werd geboren in Oxford, studeerde aan Chetham’s School of Music in Manchester en speelde op zijn dertiende in het National Youth Orchestra of Great Britain. De musicus is tevens gekwalificeerd lijnvluchtpiloot. Zijn vorige optreden in Het Concertgebouw was op 26 mei 2023 in Mahlers Zevende symfonie met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks.

Judith van Wanroij, sopraan

Judith van Wanroij wordt internationaal geprezen om haar intense optredens in herontdekte en minder bekende ’s. Sinds haar debuut als La Virtù en Drusilla in Monteverdi’s L’Incoronazione di Poppea bij de Opéra de Lyon vertolkte de sopraan talloze rollen in bijvoorbeeld het Teatro Real in Madrid, De Nationale Opera, De Munt in Brussel, Lincoln Center in New York, het Gran Teatre del Liceu in Barcelona, Het Concertgebouw, het Théâtre des Champs Elysées en het Festival Aix-en-Provence.

Judith van Wanroij studeerde bij Margreet Honig aan het Conservatorium van Amsterdam en De Nederlandse Academie. In 2003 won ze de eerste prijs op het Erna Spoorenberg Vocalistenconcours en in 2005 nam de Nederlandse zangeres deel aan de Jardin des Voix, de academie van William Christie’s Les Arts ­Florissants. Ze maakte indruk in onder meer Mozart-rollen als La Contessa in Le nozze di Figaro, Donna Elvira in Don Giovanni en Ilia in Idomeneo, en in de titelrollen van Rossi’s Orfeo and Lemoynes Phèdre.

Bij het Concertgebouworkest debuteerde Judith van Wanroij in december 2016 in Bachs Weihnachtsoratorium onder leiding van Jan Willem de Vriend.