Herreweghe met Beethoven en Schumann bij het Concertgebouworkest

Koninklijk Concertgebouworkest
Philippe Herreweghe dirigent
Isabelle Faust viool

Dit concert maakt deel uit van de serie B.

Het concert van 22 november wordt opgenomen door AVRO­TROS voor uitzending op zondag 25 november om 14.15 uur via NPO Radio 4.

Franz Schubert (1797-1828) / Anton Webern (1883-1945)

Deutsche Tänze, D 820 (1824, orkestratie 1931)
eerste uitvoering door het Koninklijk Concertgebouworkest

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Vioolconcert in D gr.t., op. 61 (1806)
Allegro ma non troppo
Larghetto
Rondo: Allegro
cadensen: Beethoven/Faust

pauze (± 21.10 uur)

Robert Schumann (1810-1856)

Tweede symfonie in C gr.t., op. 61 (1845-46)
Sostenuto assai – Un poco più vivace – Allegro, ma non troppo
Scherzo: Allegro vivace – Trio I, II
Adagio espressivo
Allegro molto vivace

einde (± 22.20 uur)

Toelichting

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Beethoven: Vioolconcert

Door Lies Wiersema

Soms liet Ludwig van Beethoven zich inspireren door de specialiteiten van bepaalde spelers. Zo iemand was de briljante, jonge Weense violist, componist en concertmeester Franz Clement. Hij werd in de pers geroemd als een van de meest volmaakte violisten en zijn stijl werd getypeerd als ‘van een onbeschrijfelijke sierlijkheid, smaak en elegantie; een uiterst lieflijke tederheid en zuiverheid in zijn spel’. Hij stond bekend om zijn fabel­achtige geheugen en techniek.

Voor hem schreef Beethoven in 1806 zijn enige voltooide vioolconcert met op het titelblad: ‘Concerto par Clemenza pour Clement…’. In december 1806 was het in haast gecomponeerde werk klaar, vlak voor de première op 23 december met Clement als solist. Het concert is een zeker voor die tijd lang en expansief werk met een groot aandeel voor het orkest en met symfonische proporties. Het is rijk aan contrasten. Aan het begin van een lange inleiding klinken vier zachte slagen, vier herhalingen van dezelfde noot, waarna het orkest het openingsthema inzet dat al snel een fortissimo bereikt.

Het door de pauken gespeelde openingsmotief ontwikkelt zich, zoals vaker bij Beethoven, tot een substantieel onderdeel van het hoofdthema en volgende tische ideeën. De samenhang die hierdoor ontstaat geeft het werk een symfonisch karakter. In het tweede deel beginnen gedempte strijkers een mysterieus thema in een landelijke en serene sfeer.

De twee s die met hetzelfde de solist inleiden illustreren nog eens het pastorale karakter. Dit openingsmotief, telkens gespeeld door weer andere instrumenten, beheerst het hele langzame deel, soms in dialoog met de solist. Zijn spel stijgt naar steeds hogere regionen, meditatief en introspectief om ten slotte na een korte zonder onderbreking over te gaan in het laatste deel dat met zijn aards, volksdansachtig een perfect tegenwicht vormt tegen de emotionele impact van de eerste twee delen.

De première werd met groot applaus ontvangen dankzij ‘de oorspronkelijkheid en overmaat aan mooie passages’. Vooral Clements uitvoering lokte vele bravo’s uit, hoewel zijn vertoonde kunstjes in het vervolg van het programma, zoals het spelen op een omgekeerde viool, niet door iedereen gewaardeerd werden.

Het Vioolconcert beleefde nog enkele uitvoeringen, maar werd toch niet populair, mede vanwege de voor die tijd ongewone lengte. Pas toen Joseph Joachim het in 1844 – op zijn dertiende – uitvoerde onder leiding van Felix Mendelssohn werd het echt gewaardeerd en ging het tot het standaardrepertoire van violisten behoren. De eerste publicatie dateert van 1808 met een opdracht voor Beethovens vriend Stephan von Breuning.

Robert Schumann 1810-1856

Schumann: Tweede symfonie

Door Michiel Cleij

In de tijd van Joseph Haydn en Wolfgang Amadeus Mozart was een symfonie nog amusementsmuziek, zij het van de hoogstaande soort. Ludwig van Beethoven maakte de symfonie tot een spiegel van de ziel en de maatschappij: muziek die conflict, strijd en mf kan uitdrukken.

Latere componisten worstelden met die erfenis, want wat kon je er nog aan toevoegen? Robert Schumann wist dat hij geen symfonicus pur sang was, maar kon de verleiding niet weerstaan het te proberen – mede omdat zijn echtgenote – de pianovirtuoze Clara Wieck – al vroeg inzag dat zijn pianocomposities symfonisch potentieel hadden.

De symfonie die als nr. 2 werd uitgegeven (maar de derde is die hij voltooide) ontstond, aldus Schumann, in ‘een donkere tijd (…) Volgens mij kun je horen dat ik nog half ziek was. Pas in het slotdeel was ik weer mezelf.’ Het is dus autobiografisch gekleurde muziek; meer nog dan in de Eerste symfonie (‘Frühling’) en de Derde symfonie (‘Rheinische’) is de sfeer hoorbaar beïnvloed door levensomstandigheden en concrete indrukken.

Een jaar eerder had Schumann een psychische inzinking gehad toen hij Clara vergezelde op haar concerttournee door Rusland; naast een gevoel van minderwaardigheid schaarden zich waanvoorstellingen en onophoudelijke oorsuizingen. In een brief aan Felix Mendelssohn suggereerde Schumann dat de nieuwe symfonie groeide uit nadrukkelijke ‘roffels en ten (in C)’ die hij in zijn hoofd hoorde.

De gedempte fanfare waarmee het werk begint – teder en tegelijkertijd enigszins dreigend – is een motto dat elders in de symfonie terugkeert, het duidelijkst in de finale. Hiermee lijkt Schumann een saluut te brengen aan Haydn, wiens laatste symfonie met hetzelfde blazersmotief begint.

Eigenlijk is de hele symfonie een dialoog met illustere voorbeelden: de invloed van Beethoven blijkt uit de dramatische contrasten in het begindeel en de mfantelijke finale; het hyperbeweeglijke doet sterk denken aan de elfachtige vioolpartijen van Mendelssohn; en de geest van Johann Sebastian Bach verschijnt in het , zowel in de lang uitgesponnen hoofdmelodie als in de die zich halverwege plotseling aftekent.

Schumann: 'Pas in het slotdeel was ik weer mezelf'

Schumann maakte nooit een geheim van zijn inspiratiebronnen; ze ueren zijn persoonlijke stijl. In de uitbundige k van dit werk (en zijn volgende symfonie) was Schumann uniek, evenals in het scheppen van samenhang tussen de afzonderlijke delen. Volgens Leonard Bernstein had geen eerdere componist de symfonie als een organisch geheel beschouwd.

Inderdaad verwijzen de delen van Schumanns symfonieën voortdurend naar elkaar; hier, bijvoorbeeld, sluipt het hoofdthema van het Adagio als het ware via de achterdeur het slotdeel binnen. De sensatie dat hij zijn draai in het ontzagwekkende symfonische genre begon te vinden beurde Schumann op. Zijn volgende symfonie zou de vrucht zijn van een voorspoedige fase in zijn leven – de laatste.

Biografie

Philippe Herreweghe, dirigent

Philippe Herreweghe combineerde in zijn geboorteplaats Gent zijn universitaire studie (geneeskunde en psychiatrie) met een conservatorium­opleiding piano. Al in die jaren begon hij met dirigeren en in 1970 richtte hij Collegium Vocale Gent op. Nikolaus Harnoncourt en Gustav Leonhardt merkten zijn uitzonderlijke benaderingswijze op en nodigden hem uit om mee te werken aan hun opnames van de verzamelde Bachs.

Philippe Herreweghe groeide uit tot een van de bekendste oudemuziek­en, en zou zijn repertoire gestaag uitbreiden naar de symfonische . Hij was oprichter van La Chapelle Royale (1977, Franse muziek uit de zeventiende eeuw), het Orchestre des Champs-Elysées (1991, romantisch en preromantisch repertoire op originele instrumenten) en zijn eigen Italiaanse festival Collegium Vocale Crete Senesi (2001). Met een discografie van meer dan 120 titels begon de dirigent in 2010 zijn eigen label (PHI).

Sinds 1997 is Philippe Herreweghe bovendien eredirigent van het Antwerp Symphony Orchestra. Als gastdirigent stond hij voor het Concertgebouworkest, het Gewandhausorchester Leipzig, het Mahler Chamber Orchestra, het Scottisch Chamber Orchestra, het Tonhalle-Orchester Zürich en verschillende Amerikaanse gezelschappen. Het vorige optreden van Philippe Herreweghe in de Eigen Programmering van Het Concertgebouw was op 21 november 2023 met Mozarts ‘Haffner’-symfonie en Requiem door zijn eigen gezelschappen Collegium Vocale Gent en Orchestre des Champs-­Élysées.

Isabelle Faust, viool

Isabelle Faust won op jonge leeftijd het Leopold Mozart Concours in Augsburg en het Italiaanse Paganini ­Concours en werd al snel uitgenodigd door belangrijke gezelschappen wereldwijd waaronder de Berliner Philharmoniker, het Boston Symphony Orchestra, het NHK Symphony Orchestra, Tokyo, het Chamber Orchestra of Europe en het Freiburger Barockorchester.

Bij het ­Concertgebouworkest debuteerde ze in 2015, en bij Concertgebouworkest Young 2022 soleerde ze in Beethovens Viool­concert onder leiding van ­Gustavo Gimeno.

De Duitse violiste beheerst een repertoire dat reikt van de tot wereldpremières, en is zich daarbij altijd bewust van de tijdeigen context en speelwijze. Onder leiding van wijlen Claudio Abbado maakte Isabelle Faust prijswinnende opnames van de viool­concerten van Berg en Beethoven, en ze was een aantal jaar vaste partner van het door hem opgerichte Mahler Chamber Orchestra.

In het seizoen 2023/2024 was ze artist in residence bij het SWR Symphonie­orchester, in 2024 bij het Beethovenfest Bonn, en in datzelfde jaar won ze twee Gramophone Awards: voor een Schumann-album en voor Brittens Vioolconcert met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks onder leiding van Jakub Hrůša. Kamermuziek speelt Isabelle Faust met onder anderen haar vaste pianist Alexander Melnikov, cellist Jean-Guihen Queyras, klavecinist/pianist Kristian Bezuidenhout, ­altviolist Antoine Tamestit en zangeres Anna Prohaska.

In seizoen 2019/2020 had ze een Spotlight-serie in de . Op dat podium was ze voor het laatst te beluisteren op 17 maart 2023, in Brahms en Ligeti met ist Teunis van der Zwart en pianist Alexander Melnikov.