Henk Neven bezingt Spanje

Vocaal 1 20.15 uur

Henk Neven bariton
Hans Eijsackers piano

 


Jacques Ibert 1890-1962

Chansons de Don Quichotte (1932)
Chanson du départ. Allegretto
Chanson à Dulcinée. Allegro assai
Chanson du Duc. Allegro energico
Chanson de la mort de Don Quichotte. Andante 
molto

Enrique Granados 1867-1916

Orientale. Andante
uit ‘12 danzas españolas’, op. 37 (1888-90)
voor piano solo

Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975

Zes Spaanse liederen, op. 100 (1956)
Vaarwel, Granada
Twee kleine sterren
Eerste ontmoeting
Ronda
Zwarte ogen
Droom

pauze

Alonso Mudarra ca. 1510-1580
Arne Dørumsgaard 1921-2006

Triste estaba el rey David (Droevig was koning David)

Juan de Anchietta 1462-1523
Arne Dørumsgaard

Con amores, la mi madre (Met liefde, mijn moeder)

Antonio de Ribera 1480-1522
Arne Dørumsgaard

Por unos puertos arriba (Over hoge bergpassen)

Gabriel Mena 1470-1528
Arne Dørumsgaard

A la caza, sus, a caza (Op jacht, ksjtt, op jacht)

Francisco de la Torre 1483-1504
Arne Dørumsgaard

Pámpano verde (Groene wijnrank)

Cristóbal de Morales ca. 1500-1553
Arne Dørumsgaard

De Antequera sale el moro (De Moor vertrekt uit Antequera)

Pablo Esteve 1734-1794
Arne Dørumsgaard

Alma, sintamos (Ziel, laat ons treuren)

Isaac Albéniz 1860-1909

El puerto
uit ‘Iberia (boek I)’ (1907)
voor piano solo

Maurice Ravel 1875-1937

Don Quichotte à Dulcinée (1932-33)
Chanson Romanesque
Chanson épique
Chanson à boire

Jules Massenet 1842-1912

Ecoute, mon ami
uit ‘Don Quichotte’ (1910)

begin van de pauze ca. 20.50 uur
einde van het concert ca. 21.55 uur

teksten gratis verkrijgbaar aan de zaal

Toelichting

introductie

Dromen van spanje

Tekst: Michiel Cleij

Spanje is altijd een inspiratiebron geweest voor componisten – vaak zonder dat ze er ooit waren geweest. Ze baseerden zich op romantische verhalen, of op de riedels van een rondreizende Spaanse muzikant. Of (zoals Debussy) op een sprookjesachtige ansichtkaart; zelfs voor het buurland Frankrijk was Spanje exotisch en onbekend.

Opmerkelijk genoeg liet Spanje zelf pas laat van zich horen: toen nationale componisten als Albéniz en Granados opstonden was er al heel wat Spaanse (of Spaansachtige) muziek geschreven door Fransen, Russen en Engelsen. Die componisten fantaseerden en idealiseerden; ze schiepen een droomland.

‘En juist dat dromen’, zegt bariton Henk Neven, ‘is geleidelijk uit de muziek verdwenen. Tegenwoordig is alles te bereizen, te plannen en te googelen. De componisten op dit programma maakten zich een subjectieve voorstelling van een onbekend land. Tegenwoordig is iets dat van ver komt al gauw verdacht. Maar rond 1900 was er een enorme nieuwsgierigheid die prachtige muziek opleverde.’

Jacques Ibert 1890-1962

quatre chansons de don quichotte

Rond 1920 woei een nieuwe wind door het Franse muziekleven. Jonge componisten schreven frisse, van amusementsmuziek doordrenkte concertjes en kamermuziekjes: het Parijse antwoord op een eeuw zware Duitse en vier jaren nog zwaarder Duits oorlogsgeweld.

Van hen werd Jacques Ibert minder beroemd dan zijn generatiegenoten Francis Poulenc en Arthur Honeg­ger, maar hij had wel een kameleontisch vermogen om zich aan te passen binnen diverse stijlen en genres. Impressionistische sfeerstukken, neoklassieke soloconcerten, atjes en jazz- en volksmuziekpastiches componeerde hij met evenveel plezier.

De romanfiguur Don Quichot, een ridder met waanvoorstellingen, duikt in zijn oeuvre herhaaldelijk op (‘Ik zocht hém niet, hij achtervolgde míj’, aldus Ibert) en bij elke gelegenheid toonde Ibert zijn gevoel voor Spaans coloriet. In 1932 maakte regisseur Georg Pabst een film over Don Quichot, met de legendarische bariton Fjodor Sjaljapin in de hoofdrol. Het was Ibert die daarbij effectieve filmmuziek én eren afleverde – al klinken die meer Frans dan Spaans.

1860-1909 en 1867-1916

albéniz en granados

De componerende pianisten Isaac Albéniz en Enrique Granados werden geboren in een Spanje dat rijk was aan volksmuziek, maar dat de concertzaal weinig oorspronkelijks te bieden had. Beiden componeerden aanvankelijk bescheiden pianowerkjes zonder duidelijke Spaanse tongval; ze cultiveerden hun nationale identiteit pas toen buitenlandse ogen zich op hen richtten.

Albéniz, die als kind al s gaf, had behalve uitzonderlijk talent ook een enorme reislust, aangewakkerd door de avonturenverhalen van Jules Verne. Op zijn dertiende kon hij reeds terugzien op een concerttournee door Zuid-Amerika, mede dankzij zakenconnecties van zijn vader in overzeese gebieden.

Gefrustreerd door het lauwe muziekklimaat in Spanje verlegde hij uiteindelijk zijn werkterrein naar Londen en Parijs. En dáár componeerde hij zijn meesterlijke pianocyclus Iberia, twaalf nostalgische impressies van zijn vaderland. Het sterk door flamencodans gekleurde deeltje El puerto schildert de havencafés van Cádiz – de stad waar hij als kind uitvoer naar Latijns-­Amerika.

Granados’ vroegste composities neigden sterk naar Chopin en Schumann. Later gaf hij zijn romantische pianistiek een sterk Spaans profiel: hij liet zich inspireren door schilderijen van Goya en door volksdansen uit diverse Spaanse regio’s – en, zoals in Oriental, door het Moorse verleden van Spanje.

Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975

Zes Spaanse Liederen

Naast Franse waren vooral Russische componisten er vroeg bij om Spanje muzikaal te portretteren. De Zes Spaanse eren van Dmitri Sjostakovitsj vervolgen in die zin een traditie die teruggaat op Glinka, Rimski-­Korsakov en Tsjaikovski.

Het kille Sovjet-Rusland lijkt qua sfeer lichtjaren verwijderd van Spanje, maar de Sovjet-Unie ontfermde zich in de jaren veertig over Spaanse strijders die na de Burgeroorlog Franco’s fascisme ontvlucht waren. Via hen sijpelden Spaanse volksliedjes door in de Russische maatschappij. Sjostakovitsj leerde een aantal daarvan kennen via de bevriende sopraan Zara Dolu­khanova; ze had geluidsopnames gemaakt van liederen gezongen door een Spaanse straatmuzikant en vroeg of Sjostakovitsj ze voor haar wilde bewerken.

Een herschepping in typisch Sjostakovitsj-idioom werd het niet, tot haar teleurstelling. De componist vond dat hij aan de ën weinig toe te voegen had en volstond met sobere harmoniseringen. Maar juist door die kaalheid, gecombineerd met de beladen expressie van de vaak afscheidszwangere teksten, sluiten ze naadloos aan bij de sfeer van Sjostakovitsj’ late werken.

Arne Dørumsgaard 1921-2006

Canzone scordate

Vreemd genoeg wordt de Noorse muziekverzamelaar/componist/vertaler Arne Dørumsgaard in de Grove muziekencyclopedie genegeerd, ondanks zijn bijzondere muzikale verdiensten. De belangrijkste daarvan is zijn collectie van ‘vergeten eren’ uit Spanje, Italië en Engeland.

De meeste van deze Canzone scordate stammen uit de Renaissance. Dørumsgaard voorzag ze van nieuwe harmoniseringen (met duidelijk romantische kleuringen), maar liet de lijnen intact.

Die bewerkingen maakte hij voor eigen gebruik – hij was een geschoold zanger met een enorm stembereik – maar ze kregen internationale bekendheid door vertolkingen van vedettes als Teresa Berganza en Gérard Souzay. Niet alleen in muzikaal opzicht keek Dørumsgaard over de grens; hij hekelde de politieke bemoeienis van de Noorse staat met cultuurkwesties en vestigde zich in Italië, waar hij op 84-jarige leeftijd overleed.

Maurice Ravel

don quichotte à dulcinée

Over het ontstaan van Don Quichotte à DulcinéeMaurice Ravels laatste voltooide compositie – verschillen de meningen. Eén luidt dat cineast Georg Pabst voor zijn Don Quichot-film muziek had besteld bij vijf verschillende componisten en uiteindelijk Ibert honoreerde, tot woede van Ravel die zich niet van zijn mededingers bewust was.

Een simpeler gang van zaken spreekt uit Iberts correspondentie: Pabst had de filmmuziek besteld bij Ibert en een aantal afzonderlijke eren bij Ravel – maar die was reeds te verzwakt om ze op tijd af te krijgen en gaf de opdracht door aan Ibert, die hij hogelijk waardeerde.
De liederen die Ravel uiteindelijk componeerde hebben geen film nodig.

Ravel portretteert hier Don Quichot achtereenvolgens als minnaar, als strijder en als drinkebroer en gebruikt daarbij een keur aan Spaanse dansritmes. Het schrijven van quasi-Spaanse muziek ging ook Ravel makkelijk af. Zelf verklaarde hij dat vanuit zijn Baskische afkomst – en daarvan getuigt de 5/4- in Chanson épique, gebaseerd op de Baskische zortzico.

Biografie

Hans Eijsackers, piano

Hans Eijsackers studeerde bij onder anderen Gérard van Blerk, Jan Wijn en György Sebök. In 1992 studeerde hij met onderscheiding af aan het Conservatorium van Amsterdam en hij vervolgde zijn opleiding aan de European Mozart Academy in Krakau.

De pianist won diverse eerste prijzen, bijvoorbeeld van het Prinses Christina Concours en het Europees Pianoconcours in Luxemburg. Ook kreeg hij tweemaal een Vriendenkrans van de Vereniging Vrienden van het Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest.

De pianist musiceerde met en als Otto Tausk, Neeme Järvi en Yannick Nézet-Seguin. Sinds een gezamenlijke tournee in het Rising Starsprogramma in 2001 vormt hij een duo met klarinettist Lars Wouters van den Oudenweijer.

Ook is hij een veelgevraagd begeleider; samen met bariton Henk Neven won hij in 2008 de MeesPierson Award. Dit duo treedt veelvuldig op – in de van Het Concertgebouw voor het laatst in mei 2014 –, is regelmatig te gast in Wigmore Hall in Londen en maakte een aantal succesvolle cd’s.

Hans Eijsackers is naast zijn podiumcarrière ook docent aan de Robert Schumann Hochschule in Düsseldorf en het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

Henk Neven, bas

Henk Neven kreeg een Borletti-Buitoni Trust Fellowship en ontving in 2011 de Nederlandse Muziekprijs. Hij vertolkt hoofdrollen in ’s van Monteverdi tot en met Messiaen bij De Nationale Opera, het Theater an der Wien en in de grote theaters van Berlijn, Parijs, Brussel en Londen.

Bij het Orkest van de Achttiende Eeuw was hij eerder Almaviva in Mozarts Le nozze di Figaro (2015), Publio in La clemenza di Tito (2017), Leporello in Don Giovanni (2019) en Papageno en Puf in de pastiche Der Schauspieldirektor/Die Zauberflöte (2021), maar ook Christus in Bachs Johannes-Passion (2019).

recitals gaf de zanger op de BBC Proms en in Wigmore Hall in Londen, in Het Concertgebouw en op de festivals van Oxford en Leeds.

Hij soleerde bij het Concertgebouworkest, het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het Nederlands Kamerorkest, de Nederlandse Bachvereniging, het Orchestra of the Age of Enlightenment, Les Talens Lyriques, het Orchestre National de France en de Staatskapelle Berlin.