hartmut haenchen & nederlands kamerkoor: bach en brahms

Nederlands Kamerkoor
Hartmut Haenchen dirigent
Wyneke Jordans piano
Leo van Doeselaar piano

basso continuo:
Leo van Doeselaar orgel
Stéphan Schulz cello

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Motet ‘Lobet den Herrn alle Heiden’, BWV 230 (ca. 1720)
voor koor en basso continuo
Lobet den Herrn, alle Heiden­­
Denn seine Gnade und Wahrheit waltet über uns
Alleluja

Motet ‘Jesu, meine Freude’, BWV 227 (1723)
voor koor en basso continuo
Jesu, meine Freude
Es ist nun nichts
Unter deinem Schirmen
Denn das Gesetz des Geistes
Trotz dem alten Drachen
Ihr aber seid nicht fleischlich
Weg mit allen Schätzen
So aber Christus in euch ist
Gute Nacht, o Wesen
So nun der Geist
Weicht, ihr Trauergeister

Pauze

Zoltán Kodály 1882-1967

Mátrai képek (‘Beelden uit de Mátra’) (1931)
voor koor a cappella

Johannes Brahms 1833-1897

Liebeslieder Walzer, op. 52 (1869)
voor koor en vierhandig piano
Rede, Mädchen, allzu liebes
Am Gesteine rauscht die Flut
O die Frauen
Wie des Abends schöne Röte
Die grüne Hopfenranke
Ein kleiner, hübscher Vogel
Wohl schön bewandt
Wenn so lind dein Auge mir
Am Donaustrande
O wie sanft die Quelle sich
Nein, es ist nicht auszukommen
Schlösser auf
Vögelein durchrauscht die Luft
Sieh, wie ist die Welle klar
Nachtigall, sie singt so schön
Ein dunkeler Schacht ist Liebe
Nicht wandle, mein Licht
Es bebet das Gesträuche

teksten gratis verkrijgbaar aan de zaal

voorprogramma

Vanaf 19.45 uur verzorgt Toonkunstkoor Amsterdam een voorprogramma in de Grote Zaal.

Toelichting

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Motetten ‘Lobet den Herrn alle Heiden’ en 'Jesu, meine Freude’

Er zijn van Johann Sebastian Bach zes motetten overgeleverd. Traditioneel is een motet – het genre ontstond in de late Middeleeuwen – een religieus, polyfoon, -koorstuk in het Latijn. In de loop der eeuwen kwamen er soms instrumenten bij en werden ze (vooral in lutherse landen) ook in de landstaal uitgevoerd. Bachs motetteksten kwamen uit de Bijbel en/of van een erkende dichter van religieuze gezangen en koralen. In het vierstemmige motet Lobet den Herrn gebruikt Bach alleen een bijbeltekst, namelijk die van de ultrakorte Psalm 117. Op de beknopte tekst (twintig woorden en een ‘Alleluja’) schreef Bach een bruisende, feestelijke lofzang. Door het veelvuldige gebruik van snel na elkaar inzettende tekstherhalingen ontstaat een jubelend gewemel van stemmen. Het is een prachtige illustratie van de stemmen van ‘Alle Völker’ die worden opgeroepen God te prijzen. De enige rustpunten zijn de lange lijnen op het woord ‘Ewigkeit’. Er is lang getwijfeld, maar intussen zijn de meeste geleerden het er over eens dat het motet echt van Bach is. Wanneer en bij welke gelegenheid hij het schreef is echter tot nu toe niet achterhaald. Motetten werden in de lutherse kerk vaak uitgevoerd tijdens uitvaartdiensten. Bachs vijfstemmige Jesu, meine Freude werd geschreven voor een begrafenisdienst. Vergeleken bij Lobet den Herrn is dit motet een totaal andere wereld. De omvang alleen al: Jesu, meine Freude duurt drie keer zo lang en is opgebouwd uit elf delen. Bach verwerkte om beurten een tekst van de dichter-schrijver Johann Franck, en een bijbelcitaat (uit Romeinen). Hierdoor ontstond een afwisseling van e, relatief eenvoudige, zangerigheid en ische beweeglijke vertelling. In de tekst gaat het om de tegenstellingen tussen geloofsvreugde en -vertrouwen versus de aardse zonde en ellende. Dat contrast is in de muziek duidelijk hoorbaar. In het openingskoraal wordt Jezus aanbeden. Bach creëert hier muziek waar een serene blijdschap van uitstraalt. Maar in het vijfde deel, ‘Trotz den alten Drachen’, verklankt hij dramatisch de angst voor de ‘oude draken’ (dood en verdoemenis). Voor tekstuitdrukkingen in dit motet putte hij uit zijn hele voorraad aan compositorische middelen, maar bij Bach gaat expressie nooit ten koste van de vorm. Tegelijkertijd gaf hij dit werk een perfect symmetrische structuur. Begin- en slotdeel zijn verwant, maar ook het tweede en een na laatste, het derde en twee na laatste, enzovoorts. Helemaal aan het eind laat hij de eerste regels van het motet terugkomen. Het middendeel, ‘Ihr aber seid nicht fleischlich’, is qua inhoud en vorm de kern van het motet, wat Bach duidelijk maakt door er een machtige van te maken.

Zoltán Kodály 1882-1967

Mátrai képek

‘Ik had een natuurlijke aanleg voor het schrijven voor stemmen en voor koor’, zei de Hongaarse componist Zoltán Kodály eens over zichzelf. De eerste stukken die hij componeerde waren vocale werken en de compositie waarmee hij naam maakte was ook een koorstuk: het grootschalige Psalmus Hungaricus voor koor, solisten en orkest uit 1926. Vijf jaar daarna ontstond het koorwerk Mátrai kepék, gebaseerd op volksmuziek uit het Matra-gebergte ten noorden van Hongarije. Net als zijn collega en landgenoot Béla Bartók verzamelde en bestudeerde Kodály de traditionele muziek van zijn land. In Mátrai képek klinken de s en ën van de volksliederen van de bewoners van de bergachtige streek, maar ook de en en klemtonen van hun taal. De muziek begint als een vertellende volksballade maar tegen het eind ontwikkelt het stuk zich tot een opzwepende dans.

Johannes Brahms 1833-1897

liebeslieder walzer

In 1869 componeerde Johannes Brahms achttien meerstemmige eren met vierhandige pianobegeleiding. Hij gaf ze de uitgebreide titel mee van Liebeslieder, Walzer für das Pianoforte zu Vier Händen (und Gesang ad lib.), die al gauw werd afgekort tot Liebeslieder Walzer. Alle liederen van de cyclus gaan over de liefde: de blijdschap om een beantwoorde liefde, het missen van een afwezige geliefde, de raadselachtigheid van vrouwen, verdriet om een verloren of onmogelijke liefde, en verliefdheid (en het probleem: hoe de aanbedene te veroveren). De teksten vond Brahms in een bundel met in het Duits vertaalde Russische, Hongaarse en Poolse volkspoëzie. Liebeslieder Walzer ontstond na een benefietconcert dat Brahms in 1868 gaf voor de getalenteerde, maar armlastige jonge sopraan Rosa Girzick. Tijdens dat concert speelde hij enkele en. Rosa vond de muziek zo goed dat zij Brahms vroeg om er liederen van te maken. Brahms deed het en – dat was iets heel bijzonders voor de eeuwig aan zichzelf twijfelende componist – was uitermate verguld met het resultaat. ‘Ik moet toegeven dat ik voor het eerst in mijn leven geglimlacht heb bij een in druk verschenen werk…van mezelf! Ze mogen me een ezel noemen als onze Liebeslieder niet een paar mensen blij zouden maken’, schreef Brahms tevreden aan zijn uitgever.

Hij had gelijk. De rijkdom aan sprankelende ën, de opgewekte zorgeloosheid ende humor van de Liebeslieder Walzer maakten de cyclus, meteen al na de eerste uitvoering in december 1869 in Wenen, erg populair. De bezetting was dan ook niet mis: met een vocaal kwartet (onder wie Rosa Girzick zelf en drie andere uitstekende zangsolisten) en met Brahms en Clara Schumann samen aan de piano. De eren kunnen zowel worden uitgevoerd door alleen piano vierhandig, als door een vocaal kwartet of koor met vierhandige pianobegeleiding. Hoewel Brahms op het titelblad ‘Gesang ad lib.’ had geschreven, prefereerde hij een uitvoering met piano en stemmen. Op die manier, vond hij, komen de dialogen tussen de verschillende stemgroepen, de tekst, en de humor het beste tot hun recht.

Agnes van der Horst

Biografie

Nederlands Kamerkoor, koor

Het Nederlands Kamerkoor voert repertoire uit van de vroege Middeleeuwen tot de muziek van morgen. Het werkt samen met acteurs, dansers, dj’s en vj’s, componisten, dichters en wetenschappers. Het koor won in 2017 De Ovatie van de VSCD voor het programma Via Crucis onder leiding van Reinbert de Leeuw, en in 2019 won het de Rotterdamse dagen Award.

Vanuit zijn thuisbasis in Utrecht zet het Nederlands Kamerkoor zich in voor een bloeiende koorwereld met onder meer het traineeship NKK NXT voor jonge professionals en de Zing­dagen voor amateurkoren. Oprichter Felix de Nobel was chef- van 1937 tot 1972; hij gaf opdrachten aan componisten als Francis Poulenc en Frank Martin.

Opvolgers waren Hans van de Hombergh (1972-1976), Kerry Woodward (1977-1980), Uwe Gronostay (1988-1997), Tõnu Kaljuste (1998-2000), Stephen Layton (2002-2005) en Risto Joost (2011-2015). Sinds 2015 is Peter Dijkstra chef-­dirigent. De laatste decennia werden compositieopdrachten verleend aan onder anderen David Lang, Michel van der Aa, Sofia Goebaidoelina, James MacMillan en Caroline Shaw. De vorige samenwerking met het Concertgebouworkest betrof Bachs Matthäus-Passion onder Riccardo Minasi in april 2025.

Hartmut Haenchen, Dirigent

Hartmut Haenchen werd geboren in Dresden, zong in zijn kinderjaren in het Dresdner Kreuzchor en groeide op in de DDR. Wegens zijn grote muzikale talent stond de communistische regering hem toe ook te musiceren met belangrijke westerse orkesten, waaronder de Berliner Philharmoniker en het Koninklijk Concertgebouworkest.

In 1986 emigreerde hij naar Nederland, waar hij chef- werd van zowel het Nederlands Philharmonisch Orkest (tot 2002) als De Nederlandse (tot 1999). Met name zijn in meerdere seizoenen herhaalde Ring-cyclus van Wagner in de regie van Pierre Audi is veelgeprezen.

Als gastdirigent werkt Hartmut Haenchen aan befaamde huizen als de Royal Opera Covent Garden in Londen, de Opéra National de Paris, het Teatro Real in Madrid, de Deutsche Oper in Berlijn en de Scala in Milaan. Ook wordt hij uitgenodigd door onder meer de orkesten van Helsinki, Stockholm, Oslo en Kopenhagen, het Orchestre National de France, de New Japan Philharmonic, het Orkest van de RAI in Turijn, het orkest van De Munt in Brussel, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia en het Orchestre de Paris.

In Het Concertgebouw stond de vele keren op de bok, meestal met het Nederlands Philharmonisch Orkest. Zijn vorige optreden in de was in Het Zondagochtend Concert van 9 december 2012 met de Radio Kamer Filharmonie. Hartmut Haenchen is sinds 1996 Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en kreeg in 2008 het Verdienstkreuz van de Bondsrepubliek Duitsland.

In 2015 werd Der Himmel über Dresden, een documentaire over zijn leven, bekroond met een Gouden Palm.

Leo van Doeselaar en Wyneke Jordans, pianoduo

Allebei afgestudeerd bij Jan Wijn aan het Conservatorium van Amsterdam ontwikkelden Leo van Doeselaar en Wyneke Jordans zich tot een hechte muzikale eenheid. Ze traden veelvuldig op als quatre-mainsduo, vaak in samenwerking met gezelschappen als Anima Eterna, het Nederlands Kamerkoor, Slagwerk Den Haag en het Philharmonischer Chor Berlin.

Concertreizen voerden het tweetal naar talrijke podia in Europa, de Verenigde Staten en Azië. Het duo realiseerde vele plaat- en cd-opnamen, met daarop bijvoorbeeld vertolkingen van werken van Schubert, Satie, Dvořák en Ravel. Ook nam het een verzameling muziek van Nederlandse bodem op. Leo van Doeselaar en Wyneke Jordans specialiseerden zich tevens in het bespelen van de fortepiano en richtten zich aldus op repertoire van onder anderen Mozart, Haydn en Beethoven.

De twee musici vervulden gastdocentschappen aan diverse Nederlandse conservatoria. Leo van Doeselaar is bovendien titulair organist van het Maarschalkerweerdorgel van Het Concertgebouw en als docent verbonden aan de Universität der Künste in Berlijn.

Het vorige optreden van het duo Van Doeselaar en Jordans in Het Concertgebouw was een Boheems in de , in de serie Het Zondagochtend Concert, op 5 mei 2013.