Harding leidt Elgar en Dvořák bij het Concertgebouworkest

Concertgebouworkest
Daniel Harding dirigent
Frank Peter Zimmermann viool

Dit programma maakt deel uit van de serie B.

Het concert wordt opgenomen door AVROTROS voor radio-uitzending op zondag 12 mei om 14.00 uur via NPO Klassiek. 

Ook interessant:
-100 jaar Concertgebouworkest op de radio
- Violist Frank Peter ­Zimmermann: ‘Desnoods leef ik maar een paar jaar korter’

Edward Elgar (1857-1934)

Vioolconcert in b kl.t., op. 61 (1909-10)  
Allegro
Andante
Allegro molto

pauze ± 21.10 uur

Antonín Dvořák (1841-1904)

Symfonie nr. 7 in d kl.t., op. 70, B 141 (1884-85) 
Allegro maestoso
Poco adagio
Scherzo: Vivace - Poco meno mosso
Finale: Allegro

einde ± 22.20 uur

Toelichting

Edward Elgar (1857-1934)

Vioolconcert

Door Leo Samama

Hoevelen kennen niet de Pomp and Circumstance-en van Edward Elgar? Of zijn Variations on an Original Theme, beter bekend als de ‘Enigma-variaties’? Of het The Dream of Gerontius, waarmee Elgar nationaal en internatio­naal doorbrak? Het late concert (1918-19)? Daartegenover bleef het Vioolconcert altijd een beetje op de achtergrond staan, zeker buiten het Verenigd Koninkrijk.

In een verslag in The Musical Times van 1910 door de criticus Ernest ­Newman kunnen we lezen dat in die tijd het soloconcert enigszins aan glans moest inboeten, omdat de esthetische uitgangspunten van componisten als Richard Strauss (vooral symfonische gedichten) of Claude Debussy (vooral natuurindrukken) niet strookten met het fenomeen soloconcert. De generatie van Johannes Brahms was passé, een uitzondering op de regel was hooguit Jean Sibelius.

Hij zat ernaast, want ook Strauss en Debussy hebben werken voor solo-­instrument en orkest geschreven. Met zijn constatering wilde Newman het Vioolconcert van Elgar als een bijzonderheid kunnen aanprijzen. Het zou op 10 november 1910 voor het eerst worden uitgevoerd, door Fritz Kreisler – aan wie het ook is opgedragen – met het London Symphony Orchestra onder leiding van de componist. Kort daarna zou het zelfs opgenomen worden, maar de plannen met His Master’s Voice gingen niet door. Pas 22 jaar later werd het alsnog op de plaat vastgelegd, toen met de tiener ­Yehudi Menuhin en onder leiding van de inmiddels bejaarde Elgar. 

  • Yehudi Menuhin en Sir Edward Elgar

Newmans zeer uitgebreide en gedetailleerde analyse van het werk als voorbespreking voor de première eindigt met de veelzeggende woorden: ‘Tot zover wat we louter op basis van de noten van het concert kunnen maken. We kijken reikhalzend uit om het te kunnen horen, in al zijn rijkdom en met de schittering en hartstocht die de soloviool eraan zal verlenen.’ De verraadt de invloed van het Vioolconcert (1878) van Brahms, maar Elgars werk is nog grootser, omvangrijker en contrastrijker. De breed uitgesponnen ën en de uitwerking ervan zijn uiterst welluidend, nu eens hartstochtelijk (zij het met enige Britse flegmatiek), dan weer dichterlijk intiem en naar binnen gekeerd en soms ook pompeus en groots.

De muziek van Elgar (en van menige van zijn landgenoten) wordt in het algemeen vaak met het glooiende, groene Engelse landschap vergeleken. En niet minder met de ijdele trots van het Britse rijk, waar zeker tot in de Eerste Wereldoorlog de zon nimmer onderging. Het drie­delige vioolconcert past volledig in dit beeld. Op een conventioneel in ­vorm volgen een ontroerend mooi en een uitgebreide rapsodische finale (Allegro molto) waarin ’s uit de voorgaande delen met nieuw materiaal gemengd worden in een caleidoscopische aaneenschakeling van tempowisselingen.

Zoals ook in de ‘Enigma-variaties’ heeft Elgar in zijn Vioolconcert naar het lijkt een boodschap verborgen, vervat in de woorden ‘Aquí está encerrada el alma de .....’ (‘Hierin ligt de ziel van ..… opgesloten’) die hij boven de partituur schreef. Twee, mogelijk zelfs drie ­dames zouden voor de vijf puntjes in aanmerking komen, onder wie op de eerste plaats Alice Stuart-Wortley, die Elgar ook wel ‘windflower’ noemde (en aan wie hij over het vioolconcert schreef als ‘ons vioolconcert’), en wellicht ook Helen Weaver, een zeer vroege liefde van de componist.

Edward Elgar (1857-1934)

Zevende symfonie

Door Leo Samama

Antonín Dvořáks faam is grotendeels te danken aan een geslaagde synthese van Boheemse volksdansen en ­ën en westerse klassieke vormen en technieken. Daarbij klinkt zijn ­muziek zo vanzelfsprekend en naar het lijkt ook zo ongekunsteld als men in West-Europa toentertijd slechts van Franz Schubert kende. Juist op dat aspect van Dvořáks kunst was Johannes Brahms met recht jaloers. Andersom had Dvořák een grote bewondering voor zijn Duits-Weense collega, die hem zozeer geholpen had en zelfs de uitgave van zijn Slavische dansen had georganiseerd.

In de Zevende symfonie citeert hij een melodie uit het Tweede pianoconcert van Brahms. Vormtechnisch hoort de muziek van Dvořák voor honderd procent in de Westerse traditie thuis: wat dat betreft is er naar hem een rechte lijn te trekken vanaf Wolfgang Amadeus Mozart, via Schubert en Brahms. Daarbij gold Schubert als de belangrijkste componist van eren en volksliedachtige melodieën, en was Brahms de grote bouwmeester, de directe erfgenaam van Ludwig van Beethoven. Maar Dvořák had als geen ander het vermogen volkomen natuurlijke melodieën te schrijven die een ieder ten dans vragen en tegelijkertijd tot geweldige ische constructies kunnen leiden.

Met zijn Zevende symfonie wilde Dvořák zijn eigen reputatie bevestigen en tegelijkertijd zijn vaderland een nieuwe compositie leveren waar het trots op zou kunnen zijn. Daartoe bood de eervolle opdracht van de London Philharmonic Society alle gelegenheid. Kort tevoren, in 1883, was Brahms’ Derde symfonie voor de eerste maal uitgevoerd. En Dvořák wilde niet met een mindere symfonie aankomen.

Medio december 1884 begon hij aan de nieuwe symfonie. Anders dan de symfonieën van Brahms moest zijn Zevende symfonie een waar patriottisch werk worden, waarin ook de strijd voor een zelfstandige Tsjechische staat te horen was. In Dvořáks tijd was het Duits immers nog steeds de voertaal in het door de Habsburgers geregeerde land. Binnen vijf dagen was het eerste deel gereed en tien dagen later ook het langzame deel. Gaandeweg werd het Dvořák ook duidelijker dat zijn leuze ‘Liefde, God en mijn Vaderland’ in alle delen van de symfonie tot klinken moest komen. 

De Zevende wordt weliswaar minder regelmatig uitgevoerd dan de Achtste en Negende symfonie, maar is minstens zo indrukwekkend. Tegenover de ontspannen zangerigheid van de Achtste en de Boheems-nationale Negende (hoewel in Amerika geschreven) staat de gespannen, dramatische Zevende met z’n briljante orkestratie en opzwepende Finale. In deze symfonie is goed te horen dat Dvořák niet vóór het orkest schreef, maar vanuit het orkest (hij was zelf jarenlang altviolist in het orkest van het Interimtheater in Praag). De muzikale expansie, de ideeën, de dansen, de grote dramatische gebaren, alles bloeit van binnenuit uit het orkest op.  

Biografie

Daniel Harding, dirigent

Nog maar achttien was Daniel Harding toen hij in 1994 zijn loopbaan begon als assistent van Simon Rattle bij het City of Birmingham Symphony Orchestra. Het seizoen erop assisteerde hij Claudio Abbado bij de Berliner Philharmoniker.

Momenteel is hij chef- van het Swedish Radio Symphony Orchestra (sinds 2007) en eredirigent van het Mahler Chamber Orchestra, waarmee hij al meer dan twintig jaar werkt. Komende herfst volgt hij Antonio Pappano op als chef-dirigent van het orkest en koor van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome en gaat hij Youth Music Culture The Greater Bay Area leiden in China. 

Van 2007 tot 2017 was Daniel Harding eerste gastdirigent van het London Symphony Orchestra en van 2016 tot 2019 artistiek leider van het Orchestre de Paris. Als gastdirigent wordt hij uitgenodigd door de ­Wiener en de Berliner Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, de Filarmonica della Scala en de grote Amerikaanse orkesten. Bij het Concertgebouworkest debuteerde hij in 2004.

producties leidde de in Milaan, Aix-en-Provence, Londen, Wenen, Salzburg en München. Daniel Harding werd geboren in Oxford, studeerde aan Chetham’s School of Music in Manchester en speelde op zijn dertiende in het National Youth Orchestra of Great Britain. De musicus is tevens gekwalificeerd lijnvluchtpiloot. Zijn vorige optreden in Het Concertgebouw was op 26 mei 2023 in Mahlers Zevende symfonie met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks.

Frank Peter Zimmermann, viool

De in Duisburg geboren Frank Peter Zimmermann kreeg vanaf zijn vijfde muziekles van zijn moeder, gaf zijn eerste openbare concert op zijn tiende en won een jaar later het concours ‘Jugend musiziert’. Later studeerde hij bij Valery Gradov, Saschko Gawriloff en Herman Krebbers.

Een belangrijk moment in zijn vroege carrière was zijn debuut bij de Berliner Philharmoniker in 1981 met Mozarts Derde vioolconcert, KV 216. Sindsdien treedt de violist wereldwijd op.

Ook bij het Concertgebouworkest was hij, sinds zijn debuut in 1990, vele malen te gast, voor het laatst in maart 2024 met het Vioolconcert van Elgar onder leiding van Daniel Harding. Naast werk uit het verleden speelt Frank Peter Zimmermann ook graag nieuwe muziek; zo bracht hij met het London Philharmonic Orchestra en Jaap van Zweden het Tweede vioolconcert van Magnus Lindberg in première en schreven componisten als Brett Dean, Peter Eötvös, Matthias Pintscher en Augusta Read Thomas nieuw werk voor hem. ­

s gaf Frank Peter Zimmermann met partners als Christian Zacharias, Enrico Pace en Emanuel Ax. Onder zijn recente cd-opnames zijn werken van Stravinsky, Martinů en Bartók met de ­Bamberger Symphoniker en Jakub Hrůša, de Son­ates en parti­ta’s voor viool solo van Bach en de complete Beethovenso­nates met pianist Martin Helmchen. Frank Peter Zimmermann bespeelt de Stradivarius ‘Lady Inchiquin’ uit 1711.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest