Han-Na Chang en Nelson Goerner met Tsjaikovski en Sjostakovitsj

Noord Nederlands Orkest
Han-Na Chang dirigent
Nelson Goerner piano

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski
1840-1893

Eerste pianoconcert in bes kl.t., op. 23 (1874-75)
Allegro non troppo e molto maestoso
– Allegro con spirito
Andantino semplice – Prestissimo
– Tempo primo
Finale: Allegro con fuoco

pauze

Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975

Tiende symfonie in e kl.t., op. 93 (1953)
Moderato
Allegro
Allegretto
Andante-Allegro: L’istesso tempo

begin van de pauze ca. 20.55 uur
einde van het concert ca. 22.10 uur

Toelichting

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893

eerste pianoconcert

Door Onno Schoonderwoerd

Het was geen plezierige avond, die kerstavond van 1875, toen Pjotr Tsjaikovski zijn boreling aan zijn leermeester Nikolaj Rubinstein kwam laten zien. Drie jaar later durfde de componist er pas over te schrijven:

‘Ik speelde het eerste deel. En er kwam geen woord, geen enkel commentaar! Stel je eens voor hoe dwaas, hoe onverdraaglijk de positie van een man is, als hij zijn vriend een maaltijd, die hij heeft bereid, voorzet, en zijn vriend eet, maar zegt niets. (…) Rubinsteins veelzeggende zwijgen had een ontstellende betekenis. Het was alsof hij me zei: “Vriend, hoe kan ik het over details hebben als ik van de basis al walg?” Ik oefende mijn geduld en speelde tot het einde door. Weer stilte. Ik kwam overeind en vroeg: “En?” Op dat moment kwam een stroom van woorden over de lippen van Nikolaj (…) Mijn concert bleek waardeloos, het was onspeelbaar, sommige passages waren banaal, onbeholpen en zo lomp dat ze niet meer rechtgezet konden worden, het bleek dat het als compositie slecht en smakeloos was, dat ik dit hier en dat daar gejat had, dat ik misschien twee of drie pagina’s kon bewaren, maar dat de rest moest worden geschrapt of volledig herzien.’

Tsjaikovski hield de eer aan zichzelf en veranderde slechts hier en daar een kleinigheid. Maar helemaal onbegrijpelijk was de reactie van Rubinstein niet, als je zijn standplaats in de Russische muziek kent: hij was een pianovirtuoos pur sang, en als componist en directeur van het conservatorium in Moskou een hoeder van de West-Europese traditie.

Zo was de vorm van het stuk op zijn minst ongebruikelijk. Pas bij nadere beschouwing blijken de majestueuze openingsakkoorden iets te maken te hebben met de rest van de compositie. Ook het eerste (-) speelt op het eerste gehoor nauwelijks een rol van betekenis. Het tweede deel is een merkwaardige mengeling van een langzaam deel en een . En het laatste deel met zijn hoekige dansritmes lijkt meer een folkloristisch ballet dan een werk voor de concertzaal.

En ‘gestolen’ had Tsjaikovski ook. Van ‘het grauw’ nog wel; tenminste, zo moet Rubinstein het hebben ervaren. Het eerste thema uit het openingsdeel en het hoofdthema uit de finale zijn namelijk gebaseerd op volkswijsjes uit de Oekraïne.

In het Prestissimo uit het tweede deel klinkt bovendien een Frans je (Il faut s’amuser, danser et rire) dat in Moskou bijzonder populair was – het was een van de lievelingsliedjes van de gevierde Belgische sopraan Désirée Artôt. Tsjaikovski bracht daarmee een eerbetoon aan deze vrouw, die hij zozeer bewonderde dat hij zelfs even een huwelijksaanzoek had overwogen.

Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975

tiende symfonie

Na zijn officiële kapitteling in 1948 heeft het conservatorium van Moskou Dmitri Sjostakovitsj uit zijn functies ontheven. Geldzorgen dwingen hem zijn auto en zelfs zijn eigen muziekbibliotheek te verkopen. Zijn gezondheid laat te wensen over en ondertussen lijkt ook hij niet immuun voor Stalins staatsterreur.

Belangwekkende werken als het (eerste) Vioolconcert en Uit joodse volkspoëzie houdt de componist wijselijk voor de censors verborgen. Voor de buitenwereld beperkt Sjostakovitsj zich tot filmpartituren, enkele s en eren op teksten uit onverdachte hoek en de Preludes en ’s voor piano.

Pas als de bij leven onsterfelijke secretaris­generaal van de Communistische Partij zijn laatste adem heeft uitgeblazen, waagt Sjostakovitsj zich weer aan het ‘lastige’ genre van de symfonie – lastig, omdat aan puur instrumentale muziek een ‘inhoud’ nu eenmaal niet valt af te lezen, en iedere onverlaat er zijn eigen ‘bedoeling’ achter kan zoeken.

Ook zijn collega’s Aram Chatsjatoerjan, Joeri Sjaporin en Dmitri Kabalevski hebben zich in Stalins nadagen op de vlakte gehouden, hetgeen zelfs van officiële zijde wordt opgemerkt: de componisten ‘hebben in het recente verleden geen creatieve activiteit in het symfonische genre ontplooid, ofschoon zij weten dat de Sovjet-luisteraars monumentale, heroïsche symfonieën op boeiende eigentijdse ’s van hen verwachten’, schrijft het tijdschrift Sovjetskaja moezyka in april 1953 enigszins verbolgen.

Tegen de ‘eisen van de tijd’ in levert Sjostakovitsj met zijn Tiende symfonie eind 1953 echter een ogenschijnlijk abstracte symfonie. Tenminste – als men hem, zoals gebruikelijk onder sovjetcritici, vraagt welk programma aan het werk ten grondslag ligt, antwoordt Sjostakovitsj in de geest van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski en diens ‘Pathétique’: ‘Laat de mensen maar luisteren en het zelf uitvogelen.’

Hij had gewoon ‘menselijke emoties en passies’ willen weergeven, voegt hij er nog aan toe. Alleen is het enorme, trage openingsdeel – in zijn eentje al bijna even lang als de complete Negende symfonie (1945) – zó triest, dat velen er een weeklacht over het lijden onder de Stalinterreur in denken te horen. En het ultrakorte, woeste en opvallend abrupt eindigende : schilderde Sjostakovitsj daar een portret van de Georgische tiran als een weinig liefdevol in memoriam? Verklankte het slotdeel, na zijn desolate opening, de hoop op een betere toekomst? Bevestigd door zijn mferende muzikale handtekening DSCH, Duits voor de noten d-es-c-b? Wellicht.

Een opmerkelijk deel is het derde. Na enkele minuten klinkt een zachtaardig, licht mysterieus motief, dat twaalf keer zal klinken. De hoornpartij uit het openingsdeel van Gustav MahlerDas von der Erde (‘Das Trinklied vom Jammer der Erde’) lijkt verwant, moest ook Sjostakovitsj erkennen. Daar staat het symbool voor dood en verderf, wat sommigen ertoe bracht een verband te leggen met de Zwarte Kraaien: de angstaanjagende wagens waarmee Stalins politieapparaat in het holst van de nacht de staatsvijandige elementen uit de huizen ophaalde voor een diepgaand ‘gesprek’ over het bestaan in het arbeidersparadijs.

Uit een pas na zijn dood gepubliceerde briefwisseling uit de herfst van 1953 is echter duidelijk geworden dat Sjostakovitsj met het weids opgezette (ook?) een eerbetoon had gebracht aan de Azerbeidzjaanse pianiste en componiste Elmira Nazirova, een jonge, talentvolle collega en zijn oud-student, die hem in duistere tijden steeds was blijven steunen. De noten e-a-e-d-a vormen een muzikaal monogram, afgeleid uit haar voornaam: E – l(a) – mi – r(e) – a. In het slot van het deel vormen de open en van ‘haar’ hoornmelodie een scherp contrast met de onstuimige van Sjostakovitsj’ eigen ‘handtekening’ DSCH.

Of Nazirova een onbereikbare geliefde was of slechts een bewonderde muze, blijft een onbeantwoorde vraag. Hoeveel autobiografische details men echter ook achter de noten kan vermoeden, de symfonie laat zich nog altijd óók als beluisteren, waarin de opvallende hoornpartij vrijwel steeds op afstand blijft van het overigens krachtige muzikale drama vol smart en agressie, felheid en berusting.

Biografie

Han-Na Chang, dirigent

Han-Na Chang begon haar carrière als cellist. Al op elf­jarige leeftijd won ze de eerste prijs en de nieuwemuziekprijs van het Rostropovitsj Internationaal concours 1994. Ze maakte een serie bekroonde opnamen en soleerde bij onder meer de New York Philharmonic, de orkesten van Boston, Philadelphia en Chicago en de Berliner Philharmoniker.

Tegenwoordig richt Han-Na Chang zich volledig op haar loopbaan als . Ze is artistiek leider en chef-dirigent van het ­ en het huis van Trondheim (sinds 2017) en eerste gastdirigent van de Symphoniker Hamburg (sinds 2022). Als gastdirigent stond ze bijvoorbeeld voor de Sächsische Staatskapelle Dresden, het WDR Sinfonieorchester, de Oslo Philharmonic, de Wiener Symphoniker en de symfonieorkesten van Vancouver, Toronto, Sydney en Melbourne.

Van 2009 tot 2014 was Han-Na Chang artistiek leider van het Absolute Music Festival in haar geboorteland Zuid-Korea, en sinds 2024 leidt ze er het DaejeonGrandFestival dat zich richt op een jong en divers publiek. Met de Kore­aanse zender MBC TV produceerde ze een televisieserie die de symfonieën van Beethoven voor een breed publiek inzichtelijk maakt.

In 2016 trad Han-Na Chang voor het eerst als dirigent op in Het Concertgebouw. Bij het Concertgebouworkest maakt ze nu haar langverwachte debuut, vijf jaar nadat het geplande debuut wegens de coronapandemie was uitgesteld.

Nelson Goerner, piano

Nelson Goerner studeerde in zijn geboorteland Argentinië bij Jorge Garrubba, Juan Carlos Arabian en Carmen Scalcione en won in 1986 de Franz Liszt Competition in Buenos es. Dit leidde tot een beurs voor lessen bij Maria Tipo aan het conservatorium van Genève, en in 1990 won de pianist het Concours van Genève.

Solorecitals geeft Nelson Goerner wereldwijd (in Het Concertgebouw voor het laatst op 26 november 2023) en op het kamermuziekpodium verscheen hij met collega’s als Martha Argerich, Valeriy Sokolov, Steven Isserlis en Gary Hoffman.

In het seizoen 2021/2022 was Nelson Goerner artist in residence van Flagey in Brussel. Eerder werkte hij met het London Philharmonic Orchestra, Philharmonia, Die Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, het Orchestre de Paris, de Los Angeles Philharmonic, het Mariinski Orkest en het NHK Symphony Orchestra, Tokyo.

Bij het Concertgebouworkest soleerde hij in maart 2022 in Luxemburg en Parijs in Rachmaninoffs Derde piano­concert onder leiding van Fabio Luisi. Nelson Goerner onderhoudt een hechte relatie met het Moz­arteum Argentino in Buenos A­ires en ook met het Cho­pin Instituut in Warschau: daar is hij lid van de artistieke commissie en bracht hij op het eigen label prijswinnende cd’s uit zoals in 2019 met werken van Godowski en Paderewski.

Diapasons d’Or won hij voor zijn Debussy- en Chopin-albums. De pianist kreeg in Polen de Gloria Artis Award en in Argentinië de Konex Platinum Prize, en is in zijn thuisland Zwitserland actief voor de humanitaire organisatie Ammala.

Noord Nederlands Orkest, orkest

De geschiedenis van het Noord Nederlands Orkest gaat terug tot 1862 en daarmee is het ­‘s lands langst actieve professionele . Het gezelschap telt zo’n 70 orkestleden van 14 nationaliteiten, en de afgelopen jaren zijn er veel jonge getalenteerde musici aangetrokken. Het orkest brengt symfonische muziek in de drie noordelijke provincies – met ruim honderd concerten per seizoen in concert­zalen, op buitenlocaties en op scholen.

Thuisbasis is De Ooster­poort in Groningen, de musici reizen geregeld af naar bijvoorbeeld TivoliVredenburg in Utrecht en Het Concertgebouw, en het seizoen 2025/2026 werd geopend op Lowlands. De programmering reikt van puur klassiek tot verrassende mixprogramma’s, en er is een nauwe samenwerking met andere kunst­instellingen en met de conservatoria van Groningen, Amsterdam en Den Haag. Chef- is Eivind Gullberg Jensen en vaste gastdirigenten zijn Hartmut Haenchen en Kerem Hasan; Antony Hermus is honorair dirigent en Michel Tabachnik dirigent emeritus.

Het Noord Nederlands Orkest werkte verder met dirigenten als Wayne Marshall, Susanna Mälkki en Han-Na Chang en solisten als Nemanja Radulović, Simone Lamsma, Guy Braunstein, Bertrand Chamayou, Alice Sara Ott, Martin Grubinger, Jeanine De Bique, Nelson Goerner en Leif Ove Andsnes. Het vorige optreden van het orkest in Het Concertgebouw was het project Blue Potential met producer/dj Jeff Mills tijdens de VriendenLoterij Zomer­Concerten 2025.