Gustavo Gimeno en Yuja Wang bij het Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest
Gustavo Gimeno dirigent
Yuja Wang piano
Het concert van 29 oktober wordt opgenomen door avrotros voor
uitzending op zondag 1 november om 14.15 uur via NPO radio 4.
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)
Tweede pianoconcert in G gr.t, op. 44 (1879-1880)
Allegro brillante
Andante non troppo
Allegro con fuoco
viool solo: Liviu Prunaru
cello solo: Gregor Horsch
pauze
Nikolaj Rimski-Korsakov (1844-1908)
Sheherazade, op. 35 (1888)
symfonische suite naar ‘Duizend-en-één-nacht’
De zee en het schip van Sindbad
Het verhaal van prins Calender
De jonge prins en de jonge prinses
Feest in Bagdad, De zee, Schipbreuk, Besluit
viool solo: Liviu Prunaru
Toelichting
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)
Tweede pianoconcert in G gr.t, op. 44 (1879-80)
Hoewel Pjotr Iljitsj Tsjaikovski zelf heel tevreden was over zijn Tweede pianoconcert in G groot is het werk door de populariteit van zijn Eerste pianoconcert altijd wat in de
schaduw gebleven. Wat betreft bravoure en overrompelende lyriek doet het voor het Eerste niet onder. De eerste opzet maakte Tsjaikovski in oktober 1879 tijdens een verblijf bij zijn zus in Kamenka. Nog geen half jaar later was het concert klaar. In een brief aan zijn weldoenster Nadezhda von Meck schreef Tsjaikovski dat hij aan het Tweede pianoconcert begon ‘uit verveling’. Saai is het energieke en contrastrijke werk allesbehalve. Ronduit heldhaftig is het eerste , ingezet door het orkest en overgenomen door de solist. Daarop volgt een peinzend, zangerig tweede thema. Het wordt van alle kanten belicht en er ontstaan allerlei nieuwe motieven. Beide thema’s keren tot besluit van dit extreem lange openingsdeel terug. Maar eerst etaleert de pianist zijn virtuositeit in een duivelse passage.
Het non troppo doet denken aan een e hymne. Viool en treden naar voren met een innige solo. Als luisteraar frons je de wenkbrauwen: dit was toch een pianoconcert? Net zoals Mozart in het hart van zijn Haffnerserenade een ‘vioolconcert’ schreef, componeerde Tsjaikovski als middendeel van zijn Tweede pianoconcert een ‘tripelconcertje’ voor piano, viool en cello, compleet met en voor de drie solisten. Deze geniale vondst inspireerde Brahms vermoedelijk tot de obligate cellosolo in het langzame deel van diens Tweede pianoconcert. Vol aanstekelijke humor is het opzwepende slotdeel dat neigt naar salonmuziek. Het begint met een volksdans van de piano, door de contrabassen ondersteund met een doedelzakachtige .
Met zijn daverende en en razend virtuoze passagewerk is het Tweede pianoconcert een groot pianist op het lijf geschreven. Tsjaikovski droeg het op aan zijn vroegere leraar Nikolaj Rubinstein, die met het Eerste pianoconcert furore had gemaakt. Nog voor het concert helemaal speelklaar was, stierf Rubinstein in maart 1881. Het Tweede pianoconcert ging in november van dat jaar in première in New York met Madeline Schiller als soliste. De Russische première was in mei 1882 in Moskou. Anton Rubinstein, broer van Nikolaj, dirigeerde, solist was Tsjaikovski’s sterleerling Sergej Tanejev.
Liesbeth Houtman
Nikolaj Rimski-Korsakov (1844-1908)
Sheherazade, op. 35 (1888)
‘Van alle “jonge” Russische componisten hebben er maar twee écht talent: Tsjaikovski en Rimski-Korsakov’, schreef Ivan Toergenjev in 1872 in een brief aan de Russische kunstcriticus, recensent en journalist Vladimir Stasov. ‘De rest – niet als personen, natuurlijk, want het zijn fantastische mensen – zou als kunstenaars allemaal in een zak moeten worden gestopt, en in zee geworpen!’ Nikolaj Rimski-Korsakovs ’s Pskovitjanka en Sjnegoerotsjka, De legende van de onzichtbare stad Kitezj en Het meisje Fevronia of De gouden haan waren toen nog niet geschreven, en de nu bekende orkestwerken Sheherazade en de Ouverture Russisch paasfeest evenmin, maar wat de schrijver zozeer in beide componisten waardeerde, was dat zij bereid waren het handwerk te leren, dat zij het vak op een professionele wijze benaderden: Tsjaikovski sinds 1866 als docent aan het conservatorium van Moskou en de vier jaar jongere Rimski-Korsakov sinds 1871 aan het conservatorium van Sint-Petersburg. De laatste moest daarvoor nogal wat schroom overwinnen. Hij studeerde zich een ongeluk, las het werk van Johann Sebastian Bach, Georg Friedrich Händel en Giovanni Pierluigi da Palestrina, oefende zichzelf uitentreuren door s en ’s te schrijven en noemde zich ‘een van de beste studenten’ van zijn eigen conservatorium. Zijn keuze voor de academische wereld werd hem door zijn collega’s – Mili Balakirev en Modest Moesorgski voorop – niet in dank afgenomen: die zagen zich liever niet gelieerd aan een op Duitse leest geschoeid conservatorium. Alleen Aleksandr Borodin begreep dat deze carrière Rimski-Korsakov meer paste dan zijn vorige: ‘Nu heeft hij een post die hem financiële zekerheid biedt, en meer dan eender welke andere positie aansluit op wat hij geestelijk en muzikaal nodig heeft... Dat geluk treft niet iedereen!’ Borodin had gelijk.
Als marineofficier – zijn tweeëntwintig jaar oudere broer Voin zat ook op zee – had Rimski-Korsakov partituren van Ludwig van Beethoven, Robert Schumann en Felix Mendelssohn bij zich en bestudeerde hij Hector Berlioz’ boek over orkestratie, liever dan zich in te laten met zijn medezeelieden. Maar de weerzin van zijn meest directe muzikale collega’s zorgde ervoor dat er een té eenzijdig beeld kon ontstaan van een toegewijd docent en onvermoeibaar ‘verbeteraar’ (of verprutser) van het oeuvre van de niet vakmatig geschoolde Moesorgski en Borodin. Zozeer, dat het vaak niet meevalt onderscheid te maken tussen zijn personages – dikwijls onwerkelijk, onwerelds, op zijn minst afstandelijk – en de componist zelf, die zich in zijn autobiografie ook nog eens een doorgaans weinig emotioneel beschouwer toont. Alleen al de stoere openingsmaten van Sheherazade, zijn meest vermaarde werk op de westerse podia, bewijzen dat Rimski-Korsakov geen koele kikker was. Hij schreef zijn symfonische in 1888 voor de concertserie ‘Russische Symfonische Concerten’, die mecenas Mitrofan Beljajev drie jaar eerder in het leven had geroepen om Russische componisten onder de aandacht te brengen van een publiek dat elders in Rusland vooral West-Europese muziek kreeg voorgeschoteld. Sinds het overlijden van zijn vriend Borodin in 1887 had Rimski-Korsakov zich beijverd diens opera Vorst Igor te voltooien. De vreemde, exotische wereld van verleidelijke haremdames en schrikbarende khans (heersers) moet hem zo hebben bekoord, dat hij zelf ook begon aan een oriëntaalse fantasie. Onderwerp: de sprookjes van 1001 nacht. In de genoemde openingsmaten is de hardvochtige sultan te herkennen, in de steeds terugkerende vloeiende van de vioolsolist uit het orkest de stem van de betoverende Sheherazade, die haar zekere dood afwendde door de sultan iedere avond te behagen met een nieuw verhaal. Al zou menigeen graag precies weten welke sprookjes de componist inspireerden, hij hield het bij meer algemene titels, en zelfs die schrapte hij uiteindelijk. Ze waren hooguit bedoeld om ‘de verbeelding van de luisteraar een beetje bij te sturen op het pad dat mijn eigen verbeelding had afgelegd, en de meer specifieke en persoonlijke interpretaties over te laten aan de wensen en de stemming van een ieder’. Sheherazade – de viool – krijgt het laatste woord, alsof aan het sprookjes vertellen nooit een einde zal komen.
Onno Schoonderwoerd
Biografie
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Gustavo Gimeno, dirigent
Gustavo Gimeno is chef- van het Toronto Symphony Orchestra (sinds 2020) en het Teatro Real in Madrid (sinds oktober 2025), en van 2015 tot 2025 was hij chef-dirigent van het Orchestre Philharmonique du Luxembourg. Tussen 2001 en 2013 was Gustavo Gimeno soloer van het Concertgebouworkest. Orkestdirectie studeerde hij aan het Conservatorium van Amsterdam, waar hij lessen en masterclasses volgde bij Ed Spanjaard, Hans Vonk en Iván Fischer.
Hij assisteerde Claudio Abbado bij het Orchestra Mozart, het Lucerne Festival Orchestra en het Mahler Chamber Orchestra, Bernard Haitink bij het Orchestra Mozart en Mariss Jansons bij het Concertgebouworkest. Toen hij in februari 2014 lastminute voor Mariss Jansons inviel, leidde dat tot een stroomversnelling in zijn encarrière: in mei viel hij in voor Lorin Maazel bij de Münchner Philharmoniker en vervolgens leidde hij onder meer het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Gewandhausorchester Leipzig, het London Philharmonic Orchestra, de Los Angeles Philharmonic, The Cleveland Orchestra en de en van Boston en Chicago.
Als dirigent behaalde hij successen met Verdi’s Aida in Barcelona, Verdi’s Rigoletto in Zürich en Bellini’s Norma in zijn geboorteplaats Valencia. In 2025 ontving hij de Spaanse onderscheiding Commandeur in de Orde van Burgerlijke Verdienste. Bij het Concertgebouworkest wordt Gustavo Gimeno sinds zijn debuut op de bok regelmatig teruggevraagd, meest recent met onder meer Stravinsky’s Le Sacre du printemps en Murphy’s Curiosity, Genius, and the Search for Petula Clark in maart 2024.
Yuja Wang, piano
Yuja Wang studeerde aan het conservatorium in haar geboortestad Peking en in Canada en voltooide haar opleiding bij Gary Graffman aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia. Haar definitieve doorbraak volgde toen ze in 2007 met Tsjaikovski’s Eerste pianoconcert inviel voor Martha Argerich bij het Boston Symphony Orchestra.
Sindsdien wordt de pianiste uitgenodigd door grote orkesten als die van Philadelphia, Washington en New York, de Sächsische Staatskapelle Dresden, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia, het City of Birmingham Symphony Orchestra en de Wiener, de Münchner en de Berliner Philharmoniker.
In 2017 riep muziekblad Musical America Yuja Wang uit tot Artist of the Year, in 2021 kreeg ze een Echo Klassik voor haar première-opname van Must the Devil Have all the Good Tunes? van John Adams met de Los Angeles Philharmonic, en in 2024 won ze haar eerste Grammy Award. In San Francisco verzorgde ze in 2022 de wereldpremière van het Derde pianoconcert van Magnus Lindberg, met vervolguitvoeringen in Noord-Amerika en Europa.
Bij het Concertgebouworkest debuteerde Yuja Wang in 2010 met Prokofjevs Derde pianoconcert en ze keerde meermaals terug, de laatste keer afgelopen december met Prokofjevs Tweede pianoconcert onder leiding van Thomas Adès. Kamermuziek speelt de pianiste met onder anderen cellist Gautier Capuçon, klarinettist Andreas Ottensamer en violist Leonidas Kavakos, en solorecitals geeft ze wereldwijd – in de voor het laatst in mei 2022.


