Grote Solisten: Igor Levit in Brahms, Gergiev leidt Bruckner

Münchner Philharmoniker
Valery Gergiev dirigent
Igor Levit piano



Johannes Brahms (1833-1897)

Pianoconcert nr. 1 in d kl.t., op. 15 (1859)
Maestoso
Adagio
Rondo: Allegro non troppo

Anton Bruckner (1824-1896)

Symfonie nr. 6 in A gr.t. (1879-81)
Maestoso
Adagio: Sehr feierlich
Scherzo: Nicht schnell – Trio: Langsam
Finale: Bewegt, doch nicht zu schnell

er is geen pauze
einde ca. 22.10 uur

Toelichting

Johannes Brahms 1833-1897

Brahms: Eerste pianoconcert

Door Marco Nakken

In het najaar van 1853 werd de toen nog vrijwel onbekende Johannes Brahms door zijn vriend Joseph Joachim, een beroemde violist, aan Robert en Clara Schumann voorgesteld. Zijn composities maakten diepe indruk op het echtpaar en Robert schreef een artikel, ‘Neue Bahnen’, voor Die neue Zeitschrift für Musik, waarin hij Brahms de hemel in prijst als ‘een volledig geharnast uit het hoofd van Zeus voortgekomen’ jongeling, die ‘de geest van zijn tijd op de meeste verheven en ideale wijze’ tot uitdrukking zal brengen.

Schumann had in zijn artikel ook nog opgemerkt dat s van Brahms op hem overkwamen als ‘versluierde symfonieën’. De ontstaansgeschiedenis van het Eerste pianoconcert bevestigt die observatie. Brahms begon in maart 1854 aan het werk als een sonate voor twee piano’s, maar hij vormde het in de loop van het jaar om tot een schets (voor twee ­piano’s) voor drie delen van een symfonie. De beslissing om de symfonie tot een pianoconcert om te werken viel een jaar later. ‘Stelt u zich eens voor wat ik vannacht heb gedroomd: Ik had van mijn gemankeerde symfonie een pianoconcert gemaakt en speelde dat’, schreef Brahms in 1855 aan Clara Schumann.

  • Robert en Clara Schumann

Het eerste deel van de symfonie werd met de nodige aanpassingen gehandhaafd, maar het tweede en derde deel werden terzijde gelegd. Uiteindelijk werd het Eerste pianoconcert in 1858 voltooid. Het monumentale eerste deel heeft een onmiskenbaar symfonisch karakter, maar houdt tegelijkertijd vast aan de door Mozart ontwikkelde van het klassieke pianoconcert, waarin een expositie voor het orkest wordt gevolgd door een expositie voor de solist. Beslist niet klassiek is daarentegen de wijze waarop Brahms in de expositie voor het orkest de komst van de hoofdtoonsoort uitstelt. Deze treedt pas ondubbelzinnig op bij de eerste inzet van de solist.

Het hoofdthema van het eerste deel drukt met zijn krampachtige s, sidderende trillers en dreigende punt wanhoop en woede uit en geeft volgens Joachim weer hoe het Brahms te moede was toen hij hoorde dat Schumann op 27 februari 1854 een zelfmoordpoging had ondernomen. ‘Ik schrijf de laatste dagen het eerste deel van het concert in het net uit. Verder schilder ik aan een teder portret van jou, dat zal het worden’, schreef Brahms op 30 december 1856 aan Clara Schumann.

In de schets voor het Adagio heeft Brahms boven de in de eerste maten de woorden ‘Benedictus qui venit in nomine Domine’ genoteerd, wat eerder naar Robert dan naar Clara lijkt te verwijzen. Schumann was op 29 juli 1856 in de inrichting in Endenich overleden.

Het in een vorm (ABA) geschreven Adagio is een overwegend ingetogen hymne. In de B-sectie, een dialoog voor de blazers en de piano, waart even de geest van Mozart rond en in de reprise van de A-sectie slaat de ingetogenheid om in extase, na een solo van de piano tegenover een lang orgelpunt in de ’s, s en bassen.

De finale is een . Het ‘alla zingarese’ refrein wordt afgewisseld met drie episoden: een robuuste melodie voor de piano met -begeleiding van de cello’s, een voor de violen en een .

Anton Bruckner 1824-1896

Bruckner: Zesde symfonie

Door Dirk Luijmes

Nadat de première van zijn Derde symfonie, eind 1877, een grote flop was geworden, had Anton Bruckner aanvankelijk niet veel nieuws op papier gezet. Een jaar lang hield hij zich vooral bezig met revisies van eerdere werken, totdat in 1879 het bloed in zijn compositorische aderen weer volop begon te stromen. Halverwege dat jaar voltooide hij een strijkkwintet en op 24 september startte hij met zijn Zesde symfonie in A groot. Tot en met september 1880 was hij met het eerste deel bezig, de overige delen kostten hem nog een jaar. 

Vergeleken met de Vijfde en andere symfonieën is de Zesde minder monumentaal. Het werk, dat Bruckner zelf ‘die Keckste’ noemde, is helderder en van een zonnigere, lichtere toon dan zijn andere stukken in dit genre. Bovendien is het de eerste symfonie die hij niet meer zou herschrijven.

Dat laatste wil overigens niet zeggen dat er maar één versie de ronde deed. Nadat in 1883 alleen het en tot klinken kwamen, voerde Gustav Mahler in 1899 (meer dan twee jaar na Bruckners dood) de hele symfonie uit, waarbij hij het werk drastisch aanpaste aan zijn eigen smaak. De uitgave van 1899 bevatte allerlei (vermoedelijk niet door Bruckner geautoriseerde) revisies en pas in 1935 (Haas) en 1952 (Nowak) volgden uitgaven gebaseerd op het origineel.

Net voor Bruckner zich aan de symfonie zette, was hij te gast in Sankt Florian. Het verhaal gaat dat hij bij het bezoek van een aantal topmilitairen moest improviseren op het . Een van zijn leerlingen zou hem toen het militaire ‘retraite’-signaal hebben voorgedaan. Dit signaal zou tevens de basis vormen voor het markante hoofdthema van het openingsdeel van de symfonie.

Kenmerkend in het eerste deel is de combinatie van twee- en driedelige s, ook in het zangerige tweede . In de doorwerking treffen we het hoofdthema in de omkering aan. Het gewijde en diepzinnige bevat naast het eerste thema in de violen en het tweede in de ’s een dodenmars.

Opvallend is het : in plaats van de drukke, Ländler-achtige en folkloristische delen die we van Bruckner gewend zijn, schrijft de componist hier een wat spook- of elfachtig, bijna impressionistisch scherzo. Over het schreef de gezaghebbende musicoloog Donald Francis Tovey: ‘Vreemde en en ritmes introduceren de drie s van Beethovens ‘Eroïca’-symfonie in het Urwald van Wagner. De violen brengen een plechtige zegening in hun en.’ Hier duikt opeens ook een thema uit Bruckners Vijfde symfonie op.

De Zesde symfonie mag korter zijn dan haar grotere zussen, Bruckner wist in het werk wel een grote concentratie te bereiken, bijvoorbeeld in het isch spel met motieven en thema’s. Dat is ook het geval in de finale, waarin de componist vooral teruggrijpt op elementen uit het eerste deel. Aan het eind wordt het hoofdthema van het Maestoso nog één keer in alle glorie aangeheven. 

Op 3 september 1881 zette Bruckner een punt achter zijn Zesde symfonie. Twintig dagen later begon hij aan de Zevende symfonie, waarmee zijn doorbraak als een van de grootste negentiende-eeuwse ‘Sinfoniker’ een feit werd.

Biografie

Münchner Philharmoniker, orkest

De Münchner Philharmoniker bestaat sinds 1893 en werd opgericht door Franz Kaim, zoon van een pianobouwer. Sinds die tijd is het gezelschap toonaangevend in het muziekleven van zijn thuisstad. Beroemde componisten hoorden hun werk bij het orkest in première gaan; zo dirigeerde Gustav Mahler er ­eerste uitvoeringen van zijn Vierde (1901) en Achtste symfonie (1910). In 1911 verzorgde het orkest onder leiding van Bruno Walter de wereldpremière van Mahlers Das von der Erde.

In de loop der jaren stond de Münchner Philharmoniker onder leiding van een reeks chef-en van naam, onder wie Felix Weingärtner, Ferdinand Löwe (een leerling van Bruckner die de rijke ­Brucknertraditie van het orkest in 1898 inzette), Hans Rosbaud, Sergiu Celibidache, James Levine, Lorin Maazel, Christian Thielemann en Valery Gergiev (2015-2022).

Ere­dirigent is sinds 2004 Zubin Mehta, en de nieuwe chef-­dirigent per seizoen 2026/2027 is Lahav Shani. Naast de vele reguliere concerten presenteert de Münchner Philharmoniker onder de noemer ‘Spielfeld Klassik’ een uitgebreid educatief programma, en sinds 1997 runt het orkest zijn eigen orkestacademie. In oktober 2021 werd de nieuwe thuiszaal, de Isarphilharmonie, feestelijk geopend.

Het vorige optreden van de Münchner Philharmoniker in Het Concertgebouw was op 28 februari 2023 met Mahlers Zesde symfonie gedirigeerd door Lorenzo Viotti. De huidige tournee voert langs Toulouse, Amsterdam, Antwerpen en Dortmund.

Igor Levit, piano

Igor Levit, geboren in Nizjni Novgorod en vanaf zijn achtste woonachtig in Duitsland, won in 2005 als jongste deelnemer vier prijzen op het Internationaal Arthur Rubinstein Concours in Tel Aviv. In 2009 studeerde hij af aan de Musikhochschule van Hannover, waar hij sinds voorjaar 2019 zelf les geeft.

In 2018 ontving de pianist de Gilmore Artist Award, en een jaar later kreeg hij voor zijn complete Beethovensonates een Klassik en riep Gramophone hem uit tot ‘artist of the year’.

Bij Musical America werd Igor Levit ‘recording artist of the year 2020’, van BBC Music Magazine kreeg hij in 2022 twee awards voor On DSCH en eind 2023 verscheen het solo-album Fantasia. In 2021 bracht de musicus zijn eerste boek uit, House Concert. De titel refereert aan de 53-delige reeks Twitter-concerten die hem tijdens de covid-lockdown wereldwijd bekend maakten. In 2022 verscheen bovendien de documentaire Igor Levit – No Fear.

Voor zijn politieke commitment werd de musicus gelauwerd met de International Beethoven Prize (2019) en de ‘Statue B’ van het Internationaal Auschwitz Comité (2020), en in 2020 kreeg hij de Orde van Verdienste van de Bundes­republik Deutschland.

Onder de muzikale hoogte­punten van het vorige concert­seizoen waren solorecitals in Wenen, Berlijn, Milaan, Londen, Seoul, Tokio, Montréal, Toronto en New York, kamermuziek op de Schubertiade Schwarzenberg, een Bartókcyclus met het NDR Elbphilharmonieorchester, een Brahmscyclus met de Wiener Philharmoniker en optredens met de Berliner Barock Solisten, de Staatskapelle Berlin, de Sächsische Staatskapelle Dresden, de Los Angeles Philharmonic, The Cleveland Orchestra en de New York Philharmonic.

In mei 2024 cureerde Igor Levit de tweede editie van het Piano Fest in samenwerking met het Lucerne Festival, en met ingang van 2022/2023 is hij co-artistiek leider van de Heidelberger Frühling. In januari 2013 debuteerde Igor Levit als Rising Star in de , in april 2018 en maart 2021 soleerde hij bij het Concertgebouworkest en in november 2021 gaf hij zijn eerste solorecital in de .