Grote Pianisten: superster Yuja Wang in gloednieuw recital

Yuja Wang piano

Dit concert maakt deel uit van de serie Grote Pianisten.

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Sonate nr. 18 in Es gr.t., op. 31 nr. 3 (1802) ‘Der Jagd’
Allegro
Scherzo: Allegretto vivace
Minuetto: Moderato e grazioso
Presto con fuoco

Arnold Schönberg (1874-1951)

Suite, op. 25 (1921-23)
Prelude
Gavotte
Musette
Intermezzo
Menuett: Moderato
Gigue: Rasch

György Ligeti (1923-2006)

Automne à Varsovie
uit ‘Etudes, premier livre’ (1985)

L’escalier du diable
uit ‘Etudes, deuxième livre’ (1988-94)

pauze ± 21.00 uur

Aleksandr Skrjabin (1871-1915)

Sonate nr. 3 in fis kl.t., op. 23 (1898)
Dramatico
Allegretto
Andante
Presto con fuoco

Isaac Albéniz (1860-1909)

Málaga
uit 'Iberia (boek IV)' (1907)

Lavapiés
uit ‘Iberia (boek III)’ (1907)

Nikolai Kapoestin (1937-2020)
Prelude nr. 11
Prelude nr. 10
uit ‘24 preludes in jazzstijl’, op. 53 (1989)

einde ± 22.20 uur

Toelichting

Isaac Albéniz (1860-1909)

Albéniz: Iberia

Door Axel Meijer

  • Isaac Albéniz

Isaac Albéniz componeert zijn Iberia tussen 1905 en 1909. De suite bestaat uit vier verzamelingen van steeds drie stukken, die bijna allemaal verwijzen naar een specifieke plaats in Albéniz’ geboorteland Spanje. Bij het deel Málaga, uit het laatste boek, is dat evident; de muziek is gebaseerd op de karakteristieke melancholieke dans malagueña. Lavapiés schildert een impressie van de gelijknamige, voormalig Joodse volkswijk in Madrid. De stuwende, virtuoze habanera die Albéniz als basis gebruikt, wordt hier en daar onderbroken door snerpende en: daar draait de man zijn ontstemde instrument. Het stuk is technisch zo ingewikkeld dat Albéniz het bijna uit zijn suite wilde schrappen – het zou onspeelbaar zijn. Vrienden wisten de componist om te praten.

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Beethoven: Sonate nr. 18

Door Axel Meijer

  • Ludwig van Beethoven

In 1802 vertelt Ludwig van Beethoven aan een goede vriend dat hij ontevreden is over wat hij tot dan toe heeft gecomponeerd: ‘Van nu af aan wil ik nieuwe wegen inslaan.’ Dat doet hij dan ook, en in Beethovens pianomuziek is de nr. 18 in Es groot, 31 nr. 3, daarvan een sprekend voorbeeld. De componist presenteert hier, voorlopig voor het laatst, een ‘grande sonate’ in vier delen. Maar hij pakt de zaak geheel nieuw aan. Het werk opent met een dalende figuur, op een ‘verkeerde’ grondtoon, die Beethoven herhaalt, alsof hij zich hardop afvraagt in welke het stuk nu eigenlijk staat. Pas na zestien maten komt er een duidelijk antwoord. Maar in plaats van ondraaglijke spanning te creëren, legt Beethoven hiermee de basis voor een van de zonnigste delen uit zijn gehele piano-oeuvre. En die stemming beklijft: opvallend genoeg heeft de hele sonate niet één echt langzaam deel. Met het tweede deel is ook al iets geks: het is een , maar dan in tweekwarts- in plaats van driekwartsmaat. Het daaropvolgende Minuetto, hoewel niet echt langzaam, compenseert het ontbreken van een conventioneel traag deel. De finale, con fuoco, is een vurige tarantella, een zorgeloze dans waar geen eind aan lijkt te komen.

Nikolai Kapoestin (1937-2020)

Kapoestin: Jazzpreludes

Door Axel Meijer

  • Nikolai Kapoestin

Nikolai Kapoestin wordt in 1937 geboren in de Oekraïense oblast Donetsk, dan nog in de Sovjet-Unie. Al jong leert hij door clandestiene radio-uitzendingen jazzmuziek kennen, onder Stalin streng verboden. De ontdekking heeft een vormende invloed op de componist, die lange tijd als jazzpianist zijn geld verdient. Toch beschouwt Kapoestin zichzelf nooit als een echte jazzmuzikant, want: ‘Wat is een jazzmuzikant zonder ? Al mijn improvisaties zijn uitgeschreven en ze werden daardoor veel beter.’ In zijn composities combineert Kapoestin de klassieke opleiding die hij kreeg aan het Moskouse conservatorium met jazzinvloeden. De 24 preludes in jazzstijl, 53, gepubliceerd in 1989, behoren tot Kapoestins meest gespeelde werken. Ze zijn beïnvloed door Chopin, die immers ook 24 preludes in alle en schreef, maar toch het duidelijkst door Kapoestins levenslange fascinatie voor jazz.

György Ligeti

Ligeti: Twee etudes

Door Axel Meijer

  • György Ligeti

György Ligeti schrijft tussen 1985 en 2001 drie verzamelingen van in totaal achttien s voor piano. De Amerikaanse pianist Jeremy Denk ziet ze als de kroon op Ligeti’s werk: ‘Hoewel ze nog nieuw zijn, zijn het nu al klassiekers.’ Ligeti, geïnspireerd door traditionele Afrikaanse muziek, maakt in zijn etudes veelvuldig gebruik van , zoals goed is te horen in Automne à Varsovie. De titel verwijst naar de Warschauer Herfst, een eigentijdse-muziekfestival in de Poolse hoofdstad. Net als in L’escalier du diable lopen de s de ene keer uit elkaar, om dan vervolgens weer samen te vallen. Daardoor ontstaat een derde luisterdimensie, een ‘soort optische illusie’, maar dan in muziek, zoals Ligeti’s uitgever Schott het noemt.

Arnold Schönberg (1874-1951)

Schönberg: Suite

Door Axel Meijer

Na de première van zijn melodrama Pierrot Lunaire in 1912 voltooit Arnold Schönberg negen jaar lang vrijwel niets. Dat heeft te maken met de Eerste Wereldoorlog, waarin de componist onder de wapenen wordt geroepen, maar vooral met Schönbergs zoektocht naar een nieuw en omvattend componeersysteem. Hij vindt het uiteindelijk in de twaalftoonstechniek, of , waarbinnen de twaalf tonen van de gebruikelijke toonladder zich, in Schönbergs woorden, ‘alleen tot elkaar verhouden’. De tonen zijn niet langer gebonden aan ‘klassieke’ normen van of samenklank. In series van twaalf komt elke noot steeds eenmaal voor – een vorm van muzikale democratie. Daarna kan de reeks op verschillende manieren worden omgedraaid, herhaald en gecombineerd.

In de , 25, geschreven tussen 1921 en 1923, voert Schönberg dit principe voor het eerst heel systematisch door. Als om aan te tonen dat zijn moderne techniek toch slechts een logische voortzetting van de traditie is, giet Schönberg zijn zes stukken voor piano solo in een welbekende vorm, namelijk die van de suite – toonbeeld van gestileerde (dans)conventies. Alleen in het Intermezzo, dat de gebruikelijke sarabande vervangt, wijkt Schönberg daarvan af, en legt hij een verband met muziek uit juist de negentiende eeuw.

Aleksandr Skrjabin (1871-1915)

Skrjabin: Sonate nr. 3

Door Axel Meijer

  • Aleksandr Skrjabin en zijn tweede vrouw Tatjana Schlözer

Aleksandr Skrjabin voltooit zijn Derde pianosonate in fis klein vlak na de geboorte van zijn eerste kind, een dochtertje, in de zomer van 1898. Het is voor de componist een periode van volwassen worden, ook in muzikaal opzicht: met deze maakt Skrjabin zich verder los van de invloed van Chopin. Zijn stijl is krachtiger en zelfverzekerder dan in eerdere werken, maar nog zonder de harmonische experimenten van de latere sonates. Skrjabin geeft zijn Derde sonate de ondertitel ‘États d’âme’ (gemoedstoestanden, zielenroerselen). De componist geeft een programmatische beschrijving van de vier delen, een wonderlijke mix van Madame Blavatsky’s theosofische mystiek en theorieën van Friedrich Nietzsche. In het eerste deel, Dramatico, ‘werpt de Ziel zich hartstochtelijk in een afgrond van lijden en strijd’. In het tweede deel, Allegretto, vindt de Ziel ‘tijdelijk verlossing in gezang en bloemen, tot het besef doordringt dat alles slechts schijn is’. In het drijft de Ziel ‘op een melancholieke zee van gevoel’. De kalme hoofdmelodie van dit deel dient verrassend genoeg als basis voor de daverende hymne uit het laatste deel, con fuoco, waarin ‘de stem van de Mens-God oprijst vanuit de diepten van de Ziel’. Met deze aanpak, waarbij Skrjabin teruggrijpt op materiaal uit een eerder deel, dat transformeert en hergebruikt, wijst hij vooruit naar de cyclische vorm van zijn latere sonates.

Biografie

Yuja Wang, piano

Yuja Wang studeerde aan het conservatorium in haar geboortestad Peking en in Canada en voltooide haar opleiding bij Gary Graffman aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia. Haar definitieve doorbraak volgde toen ze in 2007 met Tsjaikovski’s Eerste ­pianoconcert inviel voor Martha ­Argerich bij het Boston Symphony Orchestra.

Sindsdien wordt de pianiste uitgenodigd door grote orkesten als die van Philadelphia, Washington en New York, de Sächsische Staatskapelle Dresden, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia, het City of Birmingham Symphony Orchestra en de Wiener, de Münchner en de Berliner Philharmoniker.

In 2017 riep muziekblad Musical ­America Yuja Wang uit tot Artist of the Year, in 2021 kreeg ze een Echo Klassik voor haar première-opname van Must the Devil Have all the Good Tunes? van John Adams met de Los Angeles Philharmonic, en in 2024 won ze haar eerste Grammy Award. In San Francisco verzorgde ze in 2022 de wereldpremière van het Derde pianoconcert van Magnus Lindberg, met vervolguitvoeringen in Noord-Amerika en Europa.

Bij het ­Concertgebouworkest debuteerde Yuja Wang in 2010 met Prokofjevs Derde pianoconcert en ze keerde meermaals terug, de laatste keer afgelopen december met Prokofjevs Tweede pianoconcert onder leiding van Thomas Adès. Kamermuziek speelt de pianiste met onder anderen cellist Gautier Capuçon, klarinettist Andreas Ottensamer en violist Leonidas Kavakos, en solorecitals geeft ze wereldwijd – in de voor het laatst in mei 2022.