Grote Pianisten: Nikolai Lugansky

Serge Rachmaninoff (1873-1943)

Dertien preludes, op. 32 (1910)
Prelude in C gr.t.: Allegro vivace
Prelude in bes kl.t.: Allegretto
Prelude in E gr.t.: Allegro vivace
Prelude in e kl.t.: Allegro con brio
Prelude in G gr.t.: Moderato
Prelude in f kl.t.: Allegro appassionato
Prelude in F gr.t.: Moderato
Prelude in a kl.t.: Vivo
Prelude in A gr.t.: Allegro moderato
Prelude in b kl.t.: Lento
Prelude in b kl.t.: Allegretto
Prelude in gis kl.t.: Allegro
Prelude in Des gr.t.: Grave

pauze ± 20.45 uur

Moments musicaux, op. 16 (1896)
Moment musical in bes kl.t.: Andantino
Moment musical in es kl.t.: Allegretto
Moment musical in b kl.t.: Andante cantabile
Moment musical in e kl.t.: Presto
Moment musical in Des gr.t.: Adagio sostenuto
Moment musical in C gr.t.: Maestoso

Sonate nr. 2 in bes kl.t., op. 36 (1913)
Allegro agitato
Non allegro – Lento
L’istesso tempo: Allegro molto

einde ± 22.10 uur

Toelichting

Serge Rachmaninoff 1873-1943

Moments musicaux

Door Michiel Cleij

Hoewel Rachmaninoff zeker in zijn latere werken volop voldoet aan wat je van Russische muziek verwacht – melancholie, folkloristische trekjes, echo’s van oude kerkmuziek – heeft hij zijn volksaard nooit willen benadrukken; hij volgde, naar eigen zeggen, enkel de stem van zijn hart. In een vroeg werk als Moments musicaux – vernoemd naar de beroemde pianocyclus uit 1823-28 van de door hem bewonderde Franz Schubert – kun je nauwelijks of geen ‘typisch Russische’ elementen herkennen. Dat is des te opmerkelijker, vindt Nikolai Lugansky, omdat Rachmaninoff tezelfdertijd zijn zeer Slavisch gekleurde Eerste symfonie componeerde; daarin refereert hij nadrukkelijk aan de Russisch-orthodoxe liturgie en zoekt hij aansluiting bij de dramatiek van Pjotr Tsjaikovski (1840-1893).

Dit zijn stemmingsstukjes die je, aldus ­Lugansky, ‘stadsromances’ zou kunnen noemen. De zes stukjes, gemodelleerd naar favoriete negentiende-eeuwse ­genres als , en , representeren niet de volksaard van de gemiddelde Rus, maar de fijne smaak van de Moskouse elite – geen wonder, gezien Rachmaninoffs adellijke afkomst. Hoe kleinschalig ze ook zijn, ze getuigen volop van een talent dat zijn vroegere pianodocent Nikolaj Zverev bijna had afgeknepen: met componeren zou Rachmaninoff zijn veelbelovende pianocarrière in gevaar brengen. ‘Maar zonder zijn pianospel was hij nooit tot zo’n groot componist uitgegroeid’, zegt Lugansky. ‘Geen componist kende de piano zo goed als hij.’

  • De terugkeer

Serge Rachmaninoff 1873-1943

Preludes

Door Michiel Cleij

Tot zijn vertrek uit Rusland in 1917 wijdde Rachmaninoff zich meer aan orkestdirectie en compositie dan aan pianospel. Toch bleef hij expressieve pianominiaturen schrijven, waarvan de Dertien preludes uit 1910 het hoogtepunt vormen. Qua stemming zijn ze enorm divers, van ingetogen en teder tot dreigend, grimmig of extatisch. In de voorafgaande jaren had Rachmaninoff zich verdiept in traditionele Russische volks- en kerkmuziek, wat sporen naliet in de Preludes nr. 4, 8, 9, 10 en 13. De bijna bezeten Prelude nr. 8 grijpt subtiel terug op het oude kerkgezang (‘Dag van toorn’), een verwijzing die hij tot een persoonlijk motto had gemaakt; de beginnoten ervan duiken steeds weer in zijn oeuvre op. Prelude nr. 10, Rachmaninoffs favoriet, heeft een epische kwaliteit die het miniatuur overstijgt.

Inspiratiebron was het   schilderij De thuiskomst van de Zwitserse symbolist Adolf Böcklin (die ook de inspiratie bood voor Rachmaninoffs orkestwerk Dodeneiland). Voor ­Lugansky evenwel vormt de laatste, dertiende Prelude nr. 13, het hoogtepunt, vanwege persoonlijke associaties met het kleurrijke Russische Paasfeest: ‘Na de plechtige introductie volgt een evocatie van nachtelijke stilte, doorbroken door het blijde nieuws van de Wederopstanding en aanzwellend tot een jubelzang, een overwinning van het leven over de dood.’

De gedrevenheid van al deze preludes doet vermoeden dat ze à l’improviste ontstonden. Maar die spontaniteit is schijn. ‘Mijn korte stukken zijn het resultaat van hard en secuur werken. Als ik een symfonie of concert schrijf kan ik vloeiend componeren. Maar hier ben ik overgeleverd aan ideeën die ik onomwonden moet weergeven. De grootste uitdaging voor een kunstenaar is zo kernachtig mogelijk te zeggen wat je te zeggen hebt.’

Serge Rachmaninoff 1873-1943

Tweede sonate

Door Michiel Cleij

De Tweede pianosonate uit 1913 ontstond grotendeels tijdens een verblijf in Rome, maar ook dit werk is sterk Russisch gekleurd. Steeds weer imiteert Rachmaninoff met galmende en en octaven het gebeier van Russische kerkklokken, wat soms feestelijk en vaak omineus klinkt. De directe aanleiding daartoe was het gedicht The Bells (1849) van Edgar Allan Poe, dat hij tezelfdertijd als basis voor een symfonie gebruikte. Daarnaast was er natuurlijk het uitbundige klokgelui van de talloze kerken in Rome om hem bij de les te houden.

Ook de beginnoten van het verschijnen weer; de algehele indruk is dat het werk een ongespecificeerd drama uitdrukt. Er bestaan twee versies van; weinig pianisten waagden zich aan de helsmoeilijke oerversie, zodat Rachmaninoff in de jaren dertig een verkorte en lichtelijk vereenvoudigde editie maakte. Die tweede versie werd het bekendst, maar Lugansky verkiest het origineel: ‘Dat bevat zoveel prachtige passages waar Rachmaninoff later het mes in zette, vooral in het derde deel.’

Bovendien wil Lugansky een lans breken voor Rachmaninoffs melodisch talent. ‘De aandacht gaat altijd weer uit naar Rachmaninoffs grote handen en dito akkoorden, maar wat wij pianisten vooral moeten honoreren is de ongelofelijke meerstemmigheid van zijn pianowerk. Je hoort altijd verschillende stemmen tegelijkertijd, en elke lijn moet gezongen worden als een zelfstandige stem.’

Het honderdvijftigste geboortejaar van Serge Rachmaninoff wordt wereldwijd gevierd – Preludium maakte afgelopen maart een nummer – en dat lijkt logischer dan het is. Ten tijde van zijn honderdste verjaardag in 1973 waren de sentimenten rond deze componist anders. Als er al taart was, werd die in Rachmaninoffs richting geslingerd, in elk geval door de muzikale smaakpolitie van dat moment. Muziek moest progressief zijn, zo oordeelde een internationaal leger van componisten en gezaghebbende recensenten, en Rachmaninoff zondigde dubbel: de Russische componist/pianist was al verdacht ouderwets toen hij begon en bleef romantisch doorgaan toen hij naar Amerika was geëmigreerd en modernisme de nieuwe norm werd.

Een gênant staaltje Rachmaninoff-bashing kwam in 1954 van musicoloog Eric Blom, die uitgerekend in de gezaghebbende muziekencyclopedie The New Grove schreef: ‘Zijn muziek is goed gemaakt en effectief, maar de textuur is monotoon en bestaat voornamelijk uit gutsende, kunstmatige deuntjes. De enorme populariteit die sommige van zijn stukken bij zijn leven hadden zal vermoedelijk niet blijvend zijn, en bij musici is zijn werk nooit echt favoriet geweest.’

Er zijn nog steeds scherpslijpers die Rachmaninoff als een kitschcomponist beschouwen, maar ondertussen is zijn aanhang eerder gegroeid dan geslonken en kan zijn werk wel degelijk rekenen op de toewijding van topmusici als Nikolai Lugansky.

Biografie

Nikolai Lugansky, piano

Nikolai Lugansky studeerde in zijn geboortestad Moskou bij Tatjana Kestner, Tatjana Nikolajeva en Sergei Dorensky en won in 1994 het Tsjaikovski Concours. In Nederland maakte hij in 1990, op zijn zeventiende, een opvallend debuut in Vredenburg in Utrecht als invaller voor Maria João Pires.

Datzelfde jaar debuteerde hij met een in de van Het Concertgebouw, waar hij meermaals zou terugkeren in de serie ­Meesterpianisten.

Hij soleerde met vele Nederlandse orkesten, bijvoorbeeld afgelopen juni bij het Nederlands Philharmonisch Orkest in het Eerste pianoconcert van Rachmaninoff, en hij verzorgde afgelopen september een pianokwartetprogramma in de met Nikita Boriso-Glebsky, Maxim Rysanov en Narek Hakhnazaryan. Onder zijn kamermuziekpartners zijn ook Vadim Repin, Leonidas Kavakos en Mischa Maisky; met cellist Gautier Capuçon tourde hij in januari door Italië.

Nikolai Lugansky onderhoudt langdurige relaties met en als Kent ­Nagano, Yuri Temirkanov, Manfred Honeck, Gianandrea Noseda, Vasily ­Petrenko en Lahav Shani en soleerde onder meer bij de Berliner Philharmoniker, het ­Deutsch­es Symphonie-Orchester Berlin, het London Symphony Orchestra, het Filharmonisch Orkest van Sint-Petersburg, het Orchestre Philharmonique de Radio France en een aantal orkesten in Scandinavië. Naast zijn carrière als uitvoerend musicus geeft de pianist al sinds 1998 les aan het Tsjaikovski Conservatorium in Moskou, is hij artistiek directeur van het Tambov Rachmaninoff Festival en zet hij zich in voor het Rachmaninoff Museum in Ivanovka. Dit jaar voert hij Rachmaninoffs belangrijke solowerken uit in Parijs, Londen, Wenen, Brussel, Berlijn en Praag. Afgelopen februari verscheen bovendien een cd met Rachmaninoffs s tableaux.