Grote Pianisten: Mitsuko Uchida
Mitsuko Uchida piano
Dit concert maakt deel uit van de serie Grote Pianisten.
Lees ook:
- Mitsuko Uchida, een trouwe vaste gast
- Mitsuko Uchida: ‘Hoe dieper ik in Mozart duik, hoe groter het mysterie wordt’
- Hoe komen Beethovens sonates aan hun bijnamen?
- Zo werd de piano een succesinstrument (achtergrond)
Ludwig van Beethoven (1770-1827)
Sonate nr. 30 in E gr.t., op. 109 (1820)
Vivace, ma non troppo – Adagio espressivo – Tempo I
Prestissimo
Thema: Andante molto cantabile e espressivo – Variazioni 1-6
Sonate nr. 31 in As gr.t., op. 110 (1821-22)
Moderato cantabile molto espressivo
Allegro molto
Adagio, ma non troppo – Fuga: Allegro, ma non troppo
pauze ± 21.00 uur
Sonate nr. 32 in c kl.t., op. 111 (1821-22)
Maestoso – Allegro, con brio e appassionato
Arietta: Adagio molto semplice e cantabile – Variazioni
einde ± 22.00 uur
Toelichting
Ludwig van Beethoven 1770-1827
De laatste pianosonates
Door Aad van der Ven
Aanvankelijk duidelijk geworteld in de kunst van Haydn en Mozart, begeeft de zich bij Ludwig van Beethoven steeds verder op steile, kronkelige paden, gaandeweg de conventies van zich afwerpend. Paden waarheen? Het beeld van deze componist als ‘brug tussen Klassiek en ’, dat herhaaldelijk opduikt, maakt de muziekgeschiedenis wel mooi overzichtelijk, maar is misleidend. Want weinig in zijn late werken vertoont overeenkomst met de muziek van begin-negentiende-eeuwse Duitse romantici als Carl Maria von Weber en Louis Spohr.
Beethovens late sonates en strijkkwartetten lijken, historisch gezien, in de ijle lucht te zijn verdwenen. Er waren geen leerlingen om zijn stijl voort te zetten. Het is alsof muziek zoals die van 111 iedereen zo confuus heeft achtergelaten dat er minstens een halve eeuw voor nodig was voordat zij haar invloed op anderen toonde: op Brahms en Reger bijvoorbeeld en veel later, in een ingrijpend getransformeerde gedaante, op onder anderen Janáček met zijn grillige vormen en verbeten en en Bartók met zijn kristalheldere .
Wordt over de ‘late pianosonates’ van Beethoven gesproken, dan doelt men op het vijftal met nummers boven de honderd, met opus 109, 110 en 111 als afsluitend triptiek. Ze bevatten voor de klassieke wonderlijk buitensporige elementen zoals simpele achtige passages tegenover gecompliceerde ’s. Naast een fragmentatie van de vorm en een toenemende complexiteit van de is ook sprake van een onthechting van de klank. Soms, in opus 111, met ‘kale’ passages waarin een grote afstand gaapt tussen ijle bovenstem en duistere basnoten en met extreme, soms abrupte dynamische contrasten. Het is een vergeestelijkte klank, die zich lijkt te hebben losgemaakt van het klavierinstrument, waarvan de componist eens zei dat het ‘onbevredigend is en altijd zal blijven’.
Het grote verschil tussen de vroege en de late pianosonates van Beethoven kan niet los worden gezien van de ontwikkeling die het instrument zelf in die tijd heeft doorgemaakt en meer in het bijzonder van de diverse klavierinstrumenten die hij zelf bezat en waarvoor hij schreef. De lichte Weense Hammerflügel – licht in zowel klank als aanslag – die aanvankelijk de toon aangaf, kreeg gaandeweg meer concurrentie van de Engelse en Franse vleugels, met hun diepere sonoriteit en grotere dynamische mogelijkheden. Beethoven maakte daarvan dankbaar gebruik, al kunnen we ons afvragen in hoeverre hij de werkelijke kwaliteiten van die instrumenten kon waarnemen, gezien zijn voortschrijdende doofheid.
De ‘late pianosonates’ bevatten voor de klassieke sonate wonderlijk buitensporige elementen
Vergeleken met de titaanse sonate opus 106 (‘für das Hammerklavier’, 1817-18) zijn opus 109, 110 en 111 althans qua omvang vrij bescheiden. Beethoven had niet de behoefte de Mount Everest nogmaals te bedwingen. Deze laatste drie sonates vormen elk een eenheid op zichzelf, maar moeten volgens velen toch als een samenhangend drieluik worden gezien. Wilfred Mellers beklemtoont dat aspect in zijn boek Beethoven and the Voice of God. De Amerikaanse musicoloog ziet het drietal als een ‘voorspel’ tot de Missa solemnis, die in dezelfde periode ontstond. Daarbij wijst hij niet alleen op het feit dat ontwerpen voor deze sonates zijn teruggevonden tussen de schetsen voor dit grote werk, ook ziet hij tische verbindingen tussen die composities. Daarmee onderstreept hij dat Beethoven bij uitstek een componist is wiens werken naar elkaar verwijzen en schakels vormen van een lang en vaak moeizaam creatief proces.
Sonate in E groot
Beethoven heeft hier de traditionele vierdelige vorm die de Hammerklavier-Sonate, opus 106 nog bezat achter zich gelaten.
Opus 109 heeft drie delen, waarvan de eerste twee zo kort zijn dat ze lijken te zijn geschreven om het laatste, geschreven in , te rechtvaardigen. Het eerste deel staat in het teken van een tegenstelling van enerzijds een beweeglijk spel van zestienden in gebroken figuren als sierlijke arabesken en anderzijds een al na acht maten intredende, gedragen -episode. In de vloeit de spanning van de opponerende krachten langzaam weg, waarna de componist, zonder onderbreking, in het tweede deel duikt. Dat is een stevig (‘ben marcato’) prestissimo, hier en daar polyfoon uitgewerkt, zeer compact, zonder contrasterende episode zoals in het met dat traditioneel op deze plaats kwam. Als uitgangspunt voor de variaties van het laatste deel gebruikte Beethoven een intieme, achtige , waarbij hij de woorden ‘gesangvoll, mit innigster Empfindung’ schreef.
Sonate in As groot
Con amabilità’ oftewel ‘met lieflijkheid’, staat boven de openingsmaten van het eerste deel. De melodie, met haar gewichtloze cantabile, krijgt een voortzetting in ranke, harpachtige figuren, die naarmate het deel vordert in betekenis toenemen. Het tweede deel is een achtig scherzo – in tegenstelling tot opus 109 wél met een contrasterend trio – met volksachtige melodietjes en onverwachte en, waaruit een enigszins stuurse humor spreekt.
Het slotdeel – qua vorm het meest ongewone onderdeel van de drie sonates – begint, net als de finale van de Negende symfonie, met recitatiefachtige passages. Daaruit komt in dit geval, net als in de traditionele , een voort in de vorm van een verheven ‘arioso dolente’. De daaropvolgende fuga geldt als een van de polyfone hoogtepunten in het oeuvre van Beethoven. Op een plotselinge afbreking volgt een herneming van het arioso plus een tiental vrijwel identieke, in sterkte toenemende en, waarna de fuga terugkeert, nu in omkering (opwaartse len gaan nu neerwaarts en omgekeerd).
Sonate in c klein
Anton Schindler, vriend en biograaf van Beethoven, ontlokte de componist, pratend over zijn laatste pianosonate, de uitspraak dat hij onvoldoende tijd had gehad om een finale te schrijven en daarom het tweede deel maar wat had uitgebreid. Sardonische humor is dat, van iemand die in deze periode met grote nauwgezetheid aan zijn meest diepgaande werken componeerde. De twee delen van deze sonate contrasteren met elkaar en vullen elkaar aan in een opeenvolging van strijd en oplossing, conflict en verzoening. Bij Beethoven betekent c meestal drama en strijd (Vijfde symfonie, Sonate ‘pathétique’).
Hier heerst in het eerste deel echter een sfeer van bovenmenselijke kracht en ongenaakbaarheid. Op een Maestoso vol samengebalde kracht, afdwalend naar diverse en, volgt een stormachtig , dat echter langzaam in intensiteit afneemt en zo het pad effent voor het tweede deel, Arietta, bestaande uit een thema, vijf variaties en een coda. In die variaties treedt geleidelijk een verstarring van en harmonie op, waarbij de muziek om haar as lijkt te draaien, vooral waar flarden van het thema als gemompel uit de diepte komen, terwijl in de hoogte lange trillers klinken. De nadruk op het ijle, hoge register draagt bij aan een onwerkelijke, mysterieuze sfeer. Het geheel mondt uit in verstilde extase.
Biografie
Mitsuko Uchida, piano
Mitsuko Uchida wordt geroemd om haar interpretaties van Mozart, Schubert, Schumann en Beethoven. Daarnaast wist ze nieuwe luisteraars te winnen voor de muziek van Berg, Schönberg, Webern en Kurtág. Musical America riep haar in 2022 uit tot Artist of the Year, ze is artistiek leider van het Ojai Music Festival 2024 (Californië) en is bij Carnegie Hall in New York voor drie seizoenen ‘perspectives artist’.
Haar recente opname van Beethovens Diabelli-variaties (die ze overigens ook speelde op haar laatste Amsterdamse solorecital, in april 2016) werd genomineerd voor een Grammy en won de Gramophone Piano Award 2022.
De pianiste geeft wereldwijd s en werkt samen met de meest gerespecteerde orkesten; zo vierde ze recentelijk haar honderdste concert met The Cleveland Orchestra. Mitsuko Uchida soleerde onder en als Simon Rattle, Riccardo Muti, Esa-Pekka Salonen, Vladimir Jurowski, Andris Nelsons, Gustavo Dudamel en Mariss Jansons. Bij het Concertgebouworkest was ze sinds 1994 meermaals te gast, voor het laatst in december 2018 onder leiding van Bernard Haitink in Mozarts Pianoconcert nr. 23.
De vorige keer dat Mitsuko Uchida optrad in Het Concertgebouw was op 27 januari 2023 in Mozarts Pianoconcerten nr. 25 en nr. 27 met het Mahler Chamber Orchestra, waarvan ze sinds 2016 artistiek partner is. Haar betrokkenheid bij de ontwikkeling van jonge musici blijkt uit haar grote rol bij het Marlboro Music Festival en de Borletti-Buitoni Trust. Onder haar vele onderscheidingen zijn de Royal Philharmonic Society Gold Medal (2012), de Japanse Praemium Imperiale (2015) en eredoctoraten in Oxford en Cambridge. Sinds 2009 is Mitsuko Uchida Dame Commander of the Order of the British Empire.

