Grote Pianisten: Ivo Pogorelich speelt Chopin
Ivo Pogorelich piano
Dit concert maakt deel uit van de serie Grote Pianisten.
Ook interessant:
- Interview met Ivo Pogorelich
FRÉDÉRIC CHOPIN (1810-1849)
Polonaise-fantaisie in As gr.t., op. 61 (1846)
Sonate nr. 3 in b kl.t., op. 58 (1844)
Allegro maestoso
Scherzo, molto vivace
Largo
Finale: Presto non tanto
pauze ± 21.00 uur
Fantaisie in f kl.t./As gr.t., op. 49 (1841)
Berceuse in Des gr.t., op. 57 (1844)
Barcarolle in Fis gr.t., op. 60 (1845-46)
einde ± 22.00 uur
Toelichting
Toelichting
Door Mienke Knipscheer
Er was in de eerste helft van de negentiende eeuw geen componist die zo tot de verbeelding sprak als de Pool Frédéric Chopin. Zijn leven als balling in het verre Parijs; zijn verhouding met de omstreden, veelal in mannenkleding gehulde en immer sigaren rokende schrijfster George Sand; het desastreus verlopen verblijf op het eiland Mallorca waar de kiem werd gelegd voor de longaandoening die zijn leven zou overschaduwen en hem uiteindelijk naar zijn vroege dood zou leiden; zijn schitterende oeuvre; zijn betoverende pianospel; zijn ongelooflijke charisma – dit alles maakte hem tot een levende legende.
Frédéric Chopin (1810-1849)
Polonaise-fantaisie
Door Mienke Knipscheer
Chopin zat lang te dubben over een geschikte titel voor zijn laatste grootschalige werk: de Polonaise-fantaisie in As groot, 61. Eind 1845 schreef hij aan zijn familie in Warschau dat hij nog niet wist hoe hij het stuk noemen zou, maar dat de compositie het karakter van een ballade, fantasie of rapsodie diende te hebben plus een polonaisethema, dus ‘qua gedachten en gevoelens met Polen verbonden moest zijn.’
Het begin van 61 stamt uit de balladetraditie: de bard gaat zitten, presenteert in een notendop de essentie van zijn verhaal en stemt zijn harp; er weerklinkt een fragment. De eigenlijke polonaise-ritmiek sluipt pas in maat 22 de muziek binnen – onnadrukkelijk, als een herinnering uit een ver verleden. Ook de thematiek van de drie volgende in intensiteit toenemende polonaisecantilenes lijkt van verre te komen. Die cantilenes willen nog wel eens overlopen in uiterst briljante passages; er weerklinkt zelfs een pianoconcertcadens, vol trillers die als cascades op de luisteraar neerdalen. Waarna de verteller gewoon de draad weer oppakt. Er verschijnt ook een totaal verstilde passage. Tegen het einde verliest de bard de grip op zijn verhaal: de polonaiseritmiek slaat op hol, met als resultaat een paar haast onspeelbare pagina’s die gewijd zijn aan een niet aflatende polonaise-galop.
Frédéric Chopin (1810-1849)
Sonate
Door Mienke Knipscheer
Anderhalf jaar daarvoor, in de zomer van 1844, had Chopin zijn nr. 3 in b klein, 58 gecomponeerd. Het was een gelukkige periode: Chopins zuster Ludwika was met haar man uit Polen overgekomen en de familie bracht die zomer door op Nohant, het landgoed van Chopins geliefde, de schrijfster George Sand. Nohant bleek de ideale omgeving om te componeren. In het winterse Parijs gaf Chopin pianoles aan de Franse fine fleur en zette hij zijn composities in de grondverf; op Nohant smeedde hij zijn dromen om tot werkelijkheid.
In zijn derde sonate probeert Chopin aan te knopen bij de West-Europese traditie zonder zijn roots te verloochenen. Daarbij legt hij een traject af van overvloed (eerste deel) naar ascese (vierde deel). Hij probeert ook nieuwe vormen te creëren: binnen het tweede en derde deel vlecht hij substantiële contrastrijke episodes; eilanden van rust. Want er is sprake van veel turbulentie: in het openingsdeel passeren in een enorme vaart talrijke ideeën de revue die steeds anders van toonaard en stemming zijn, voordat dat alles tenslotte uitmondt in een weids dat de kalmte en schoonheid van een Chopin- ademt. En in het (dat Chopin hier vóór het langzame deel plaatst) wordt het stilstaande middensegment geflankeerd door muziek vol vederlichte pijlsnelle figuraties die thuis horen in de style brillant, de stijl waarin Chopin was opgeleid. Ook de keuze voor de thematiek van het Largo valt te herleiden tot Chopins jonge jaren, toen hij in vuur en vlam stond voor het Italiaanse . Wat het woeste en sombere finalethema betreft, dat is duidelijk van Slavische origine. Keer op keer richt het zich op, daarbij geholpen door galopperende triolen, als van paarden op de weidse Oost-Europese steppen. Ongelooflijk briljante coupletten onderbreken, als plotselinge lichtflitsen, de gedreven steppenthematiek.
Frédéric Chopin (1810-1849)
Fantaisie
Door Mienke Knipscheer
Chopin bleef altijd verbonden met zijn vaderland. En hij richtte zich met zijn muziek vaak rechtstreeks tot de van opstand naar opstand voortijlende Polen. Dat geldt ook voor zijn uit 1841 stammende Fantaisie in f klein, 49. Want Chopin begint dit werk met een treurmars die teruggaat op het revolutielied Die Litauerin, een schepping van zijn landgenoot Karol Kurpiński, die dat in 1831 componeerde op het moment dat de Poolse opstand naar Litouwen oversloeg. De Poolse troepen zetten tijdens hun reis naar het buurland hun strijdlust kracht bij met het luidkeels zingen van Kurpiński’s lied.
Een fantasie op een strijdlied dus, maar Chopin kijkt daarbij ook naar het verleden: de opstijgende, naar een neigende drieklankfiguren die volgen op de treurmars verwijzen naar een fantasievorm uit de . Ze vertegenwoordigen het ongebonden element binnen Chopins Fantaisie waarin het -idee tot structuur lijkt te zijn verheven. De eigenlijke mars klinkt slechts eenmaal (aan het begin), evenals het in het hart van de compositie. Maar alle andere episodes keren terug; in dezelfde volgorde en in strakke symmetrische blokken – ook al variëren deze sterk qua stemming: van opstandigheid en hoop tot triomf.
Frédéric Chopin (1810-1849)
Berceuse
Door Mienke Knipscheer
In de tijd dat Chopin aan zijn in b klein werkte, componeerde hij ook de Berceuse in D groot, 57, een wiegelied dat gebaseerd is op een premisse die volgens de muziekwetten dodelijk zou moeten zijn. De wiegende linkerhand volgt namelijk het hele stuk lang hetzelfde ritmische en harmonische patroon en ondersteunt variaties die ook gebaseerd zijn op slechts één gegeven. Maar ze klinken steeds anders, omdat Chopin zijn style brillant hier tot pure klank verheft en via een asymmetrische opbouw ieder idee van monotonie weet te vermijden.
Frédéric Chopin (1810-1849)
Barcarolle
Door Mienke Knipscheer
Chopin was een notoire zonaanbidder. ‘Soms zou ik voor een paar uren zon meerdere jaren van mijn leven willen geven’, schreef hij eens aan zijn familie. En er bestond ook lang het plan om vanuit Parijs naar Italië af te reizen. Maar de spanningen tussen George Sand, haar kinderen en Chopin, die zouden bijdragen aan een breuk tussen de twee geliefden, zetten alles op losse schroeven. De geplande reis werd gesublimeerd tot een glorieus visioen: de in Fis groot, 60, Chopins grandioze gondellied. Chopin liet zijn leerlingen vaak Mendelssohns barcarolles studeren, dus hij was goed bekend met het genre. Maar in zijn eigen Barcarolle laat hij iedere gedachte aan een salonstuk ver achter zich: stralend en us ontvouwt zich een smeltend liefdesduet boven twee verschillende patronen die de schommeling van een gondel in Venetiaanse wateren nabootsen – in een continue wiegende 12/8-maat. Er is geen sprake van sterke contrasten; Chopins Barcarolle blijft, ondanks een geheimzinnig middendeel, homogeen qua karakter en klankbeeld. Trillers en ’s suggereren opspattend water en begeleiden de gondel die ten slotte op open zee lijkt af te koersen.
Biografie
Ivo Pogorelich, piano
In het voorjaar van 2022 bracht Ivo Pogorelich zijn eerste Chopin-album in meer dan twintig jaar uit, en met ditzelfde repertoire – de late meesterwerken – keerde hij op 22 september 2024 na bijna dertig jaar terug in Het Concertgebouw.
Geboren in Belgrado kreeg hij zijn eerste pianolessen op zijn zevende, en zijn conservatoriumopleiding volgde hij in Moskou, waarna hij zich vanaf 1976 verder ontwikkelde bij de Georgische pianiste Aliza Kezeradze. In 1980 kwam de jonge pianist in het nieuws toen hij op het Chopin-concours in Warschau werd uitgesloten van de finale en enkele juryleden uit protest opstapten.
Een jaar later debuteerde Ivo Pogorelich in Carnegie Hall in New York en al gauw gaf hij wereldwijd s en soleerde hij bij gezelschappen als de Wiener en de Berliner Philharmoniker en de orkesten van Londen, New York, Los Angeles, Boston en Chicago.
Van 1981 tot 1998 verschenen veertien cd’s, en de heruitgave in een verzamelbox kreeg in 2015 een Diapason d’Or. Vanaf 2019 breidde Ivo Pogorelich zijn discografie uit met opnames van Beethoven en Rachmaninoff. In datzelfde seizoen vierde de pianist zijn zestigste verjaardag en zijn veertigjarige podiumcarrière met een documentaire van de Japanse zender NHK vanuit de historische stad Nara, die destijds twintig jaar op de World Heritage List van de UNESCO stond – de organisatie die Ivo Pogorelich in 1988 als eerste klassieke musicus had benoemd tot Goodwill Ambassador.
Om jonge musici te ondersteunen richtte de pianist een fonds op in Zagreb (1986) en initieerde hij het Ivo Pogorelich International Music Festival in Bad Wörishofen (1989) en de Ivo Pogorelich International Solo Piano Competition in Pasadena (1993). De Manhattan International Music Competition die sinds 2016 plaatsvindt in Carnegie Hall maakte Ivo Pogorelich erevoorzitter en gaf de hoofdprijs zijn naam.


