Grote Pianisten: Arcadi Volodos
Arcadi Volodos piano
In de serie Grote Pianisten vervangt Arcadi Volodos vanavond Maria João Pires, die vanwege persoonlijke omstandigheden af heeft moeten zeggen.
Franz Schubert 1797-1828
Sonate in a kl.t., D 845 (1825)
Moderato
Andante, poco mosso
Scherzo: Allegro vivace – Un poco più lento
Rondo: Allegro vivace
pauze ± 20.55 uur
Robert Schumann 1810-1856
Davidsbündlertänze, op. 6 (1837)
1. Lebhaft
2. Innig
3. Mit humor. Etwas hahnbuchen/Schneller
4. Ungeduldig
5. Einfach
6. Sehr rasch und in sich hinein
7. Nicht schnell, Mit äusserst starker Empfindung
8. Frisch
9. Lebhaft
10. Balladenmässig, Sehr rasch
11. Einfach
12. Mit Humor
13. Wild und lustig
14. Zart und singend
15. Frisch
16. Mit gutem Humor
17. Wie aus der Ferne
18. Nicht schnell
Franz Liszt 1811-1886
Hongaarse rapsodie nr. 13 in a kl.t. (1847; bewerking Arcadi Volodos)
einde ± 22.10 uur
Toelichting
Franz Schubert (1797-1828)
Schubert: Sonate D 845
Door Lonneke Tausch
Begin 1825 verbleef Franz Schubert een tijdlang in het ziekenhuis: symptomen van syfilis verzwakten hem, maar in het voorjaar voelde hij zich goed. Hij werkte aan de in a klein, D 845 waarover hij zelf sprak als zijn ‘Première Grande Sonata’. Dit zou de eerste zijn van drie pianosonates die nog in zijn levensdagen werd uitgegeven (samen met D 850 en D 894). Tot dan toe kenden zijn tijdgenoten de Weense componist vooral van zijn honderden eren, waar uitgevers al eerder brood in hadden gezien. Op het vlak van de pianosonate leek Schubert ook zelf lang huiverig om ermee voor het voetlicht te treden: toen hij in 1815 zijn eerste schreef (de Sonate in E groot, D 157) had Ludwig van Beethoven er al 27 op zijn naam staan! Er was lef voor nodig om in zijn spoor te volgen.
De vierdelige Sonate in a klein, nummer 16, heeft niets meer van doen met de bescheiden eerstelingen in het genre die Schubert rond zijn twintigste had genoteerd. In de tussentijd had hij grootse instrumentale werken afgeleverd als het Forellenkwintet, de ‘Onvoltooide’ symfonie en de ‘Wanderer’-fantasie. Die ervaring nam hij vanzelfsprekend ook mee in zijn rijpere pianosonates. Het wat duistere openingsdeel van de Sonate in a klein, Moderato, heeft een eerste in octaven, door bewonderende musicologen wel gekenschetst als ‘buitenaards’. Verderop valt een hamerend op, dat de rusteloosheid vergroot. Het langzame tweede deel is een technisch veeleisende reeks van vijf variaties op een thema, maar heeft desondanks de uitwerking van een rustpunt te midden van een storm. In het derde deel zorgen subito-effecten en onregelmatige zinslengtes voor de eigenzinnigheid die zo goed past in een ; de contrastwerking van het idyllische gedeelte wordt versterkt door een plotse pianissimopassage. De finale, een met een springerig refrein, loopt uit in een duizelingwekkende versnelling.
Frédéric Chopin 1810-1849
Schumann: Davidsbündlertänze
Door Lies Wiersema
Over de romantische beweging van zijn tijd had Robert Schumann zo zijn eigen opvattingen: ‘Ik ben het woord ‘’ meer dan zat’. Om verstarde ideeën te bestrijden en de poëzie in de kunst te herstellen richt hij eind 1833 een nieuw muziektijdschrift op: ‘Het poëtische is een strijdmiddel tegen alles wat star en reactionair is in muzikale kringen.’ En al snel daarna volgt de oprichting van een imaginair bondgenootschap, de ‘Davidsbündler’, een kring van alter ego’s die alleen in het hoofd van de componist bestond. De belangrijkste leden zijn de ernstige Eusebius, de onstuimige Florestan en de evenwichtige meester Raro – van Clara Robert (Clara is Clara Wieck, pianist en componist en Roberts echtgenote, red.). Zij moeten in het nieuwe muziektijdschrift de verschillende gezichtspunten in de muziek vertegenwoordigen en net als de bijbelse David de Filistijnen verslaan, ‘die vage, nihilistische wanorde waarachter dezelfde zoektocht naar Romantiek schuilgaat’.
Als een monument voor zijn geheime genootschap schrijft Schumann de Davidsbündlertänze, een van achttien pianominiaturen die is onderverdeeld in twee series van negen delen met een opschrift boven elk laatste deel. De verschillende dansen zijn verbonden met Eusebius en Florestan, telkens aangegeven door de toevoeging F (Florestan), E (Eusebius) of F en E (beiden).
Samen openen Florestan en Eusebius de eerste . In de hiernavolgende delen komen alle uiteenlopende hartstochten van de componist voorbij. De impulsieve Florestan neemt in de eerste serie deel 3, 4, 6, 8 en 9 voor zijn rekening en de gevoelige Eusebius deel 2, 5 en 7. Boven de laatste duizelingwekkende dans (9) van de eerste serie schrijft Schumann: ‘Hierop stopte Florestan en zijn lip trilde droevig.’ Vervolgens opent zijn bewogen in deel 10 de tweede serie. Nog even heeft hij het podium alleen in deel 12. Eusebius klinkt vooral in de delen 11, 14 en 18. In deel 13, 15 en 17 treden ze samen op. Boven deel 18, de laatste langzame, delicate, wat melancholieke wals, schrijft Schumann in zijn eerste uitgave: ‘Geheel ten overvloede beweerde Eusebius ook nog het volgende; daarbij straalden zijn ogen van gelukzaligheid.’ Eusebius heeft nu het laatste woord.
Op de achtergrond speelde ook een liefdesgeschiedenis: Schumanns voorgenomen huwelijk met Clara. Later noemde hij de Davidsbündlertänze een ‘vooravond van de bruiloft’. Boven de eerste maten schreef hij ‘Motto von C.W.’ (Clara Wieck). Clara antwoordde dat ze haar geliefde in de stukken herkende: ‘... ik zie jou als Eusebius en voel een tedere handdruk! Ik zie je als Florestan, boos op de nukken van een vader en ondertussen toch weer geruststellend.’ In een tweede uitgave werd het werk ontdaan van al deze bijschriften.
Franz Liszt (1811-1886)
Liszt/Volodos: Hongaarse rapsodie
Door Lonneke Tausch
Wie erbij was, weet het misschien nog (en het is ook terug te zien op YouTube): op het Prinsengrachtconcert van 2001 zorgde Arcadi Volodos voor vuurwerk met onder meer zijn eigen bewerking van de Hongaarse rapsodie nr. 13 in A groot van Franz Liszt. Er zijn Hongaarse rapsodieën van Liszt die bekender zijn dan deze, maar een van de hoofdthema’s kreeg wel ook een nieuw leven in de Zigeunerweisen, 20 (1878) van vioolvirtuoos/componist Pablo de Sarasate. Liszt verwerkte in zijn pianorapsodie twee verschillende Hongaarse volksmelodieën: hij gaat van start met Ketten mentünk, hárman jöttünk (‘Twee van ons gingen, drie van ons kwamen’) en komt verderop met Akkor szép az erdö, mikor zöld – een over hoe mooi groen een bos kan zijn dat in 1909 door componist en etnomusicoloog Zoltán Kodály zou worden vastgelegd in zijn volksmuziekstudie. Allengs voert Liszt het tempo op en nemen de volkse kleuren toe. De die het internationaal zegevierende klaviermirakel Liszt neerschreef is al flink , maar in de versie van Volodos waaiert het vrije en vingervlugge stuk nóg verder uit over de 88 toetsen van de vleugel.
Biografie
Arcadi Volodos, Piano
Arcadi Volodos begon zijn muzikale opleiding – in eerste instantie als zanger en – in zijn geboorteplaats Sint-Petersburg en in Moskou, waarna hij zijn studie voortzette in Parijs en Madrid. Sinds zijn debuut in New York in 1996 heeft de pianist overal ter wereld opgetreden. Zo soleerde hij bij de Berliner Philharmoniker, de Münchner Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, het Gewandhausorchester Leipzig, Philharmonia, het Orchestre de Paris, het Israël Filharmonisch Orkest en de orkesten van Chicago, Boston en New York.
Bij het Concertgebouworkest debuteerde hij in 1997 in het Tweede pianoconcert van Prokofjev en keerde hij terug in 1998, 2007 en 2013.
Solorecitals hebben altijd een centrale rol gespeeld in het artistieke leven van Arcadi Volodos. De belangrijke werken van componisten als Schubert, Schumann, Brahms, Beethoven, Liszt, Rachmaninoff, Skrjabin, Prokofjev en Ravel programmeert hij graag samen met minder vaak uitgevoerde muziek van bijvoorbeeld Mompou, Lecuona en Falla.
Hij is te gast op alle bekende kamermuziekpodia en festivals en heeft een reeks veelgeprezen albums opgenomen. Zo won Volodos Plays Liszt (2007) talloze prijzen, kreeg Volodos Plays Mompou (2013) zowel een Gramophone Award als een Echo Preis, werd Volodos Plays Brahms (2017) bekroond met een Edison, een Diapason d’Or en een Gramophone Award, en ontving Volodos Plays Schubert in 2020 een Edison.
Het solodebuut van Arcadi Volodos in Het Concertgebouw – destijds in de serie Meesterpianisten – vond plaats in april 1998. In zijn vorige in de , op 18 juni 2023, speelde hij werken van Mompou en Skrjabin.
