Grote Pianisten: alleskunner Fazil Say

Fazıl Say piano

Dit concert maakt deel uit van de serie Grote Pianisten.

Ook interessant:
- Interview met Fazil Say

Johann Sebastian Bach (1685-1750) / Ferruccio Busoni (1866-1924)

Chaconne in d kl.t., BWV 1004 (1720/1897)

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Sonate nr. 17 in d kl.t., op. 31 nr. 2 (1802) ‘Der Sturm’
Largo – Allegro
Adagio
Allegretto

pauze ± 20.55 uur

Joseph Haydn (1732-1809)

Sonate in C gr.t., Hob. XVI: 35 (1780)
Allegro con brio
Adagio
Finale: Allegro

Fazıl Say (1970)

eigen werk, wordt door Fazıl Say vanaf het podium toegelicht

einde ± 22.10 uur

Met dank aan de begunstigers van Concertgebouw Connects.

Toelichting

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Bach/Busoni: Chaconne in d klein

Door Lies Wiersema

Met zijn s van grote meesterwerken was ­Ferruccio Busoni een kind van zijn tijd. De was een bloeiperiode voor bewerkingen en de tijd van de internationale virtuozen. Busoni werd bewonderd om zijn virtuoze pianospel en zijn al even virtuoze Bach-­transcripties, die op de grens lagen van bewerking en nieuwe compositie. Een van de bekendste is zijn transcriptie van de chaconne die de monumentale afsluiting vormt van Bachs Tweede vioolpartita.

Bachs Chaconne in d klein is een huzarenstuk van ongekende omvang. Binnen de beperkingen van één enkel instrument en van een omschreven vorm weet de oude meester een illusie te scheppen van meerdere stemmen en van vrijheid en virtuoze .

De chaconne is een van oorsprong Latijns-Amerikaanse dans. Kenmerkend is het sarabande-, de driedelige en de . Boven een telkens herhaald basmotief klinkt een lange reeks van variaties. In Bachs chaconne bestaat dit basthema uit een viertal dalende tonen waarmee tamelijk vrij wordt omgesprongen. Ondanks de indruk van improvisatie is er een duidelijke structuur: drie secties (--mineur) die zelf ook weer onderverdeeld zijn. Binnen deze indrukwekkende architectuur moet de violist een ware titanenstrijd leveren om met zijn ene stok en vier snaren een dergelijk werk ten gehore te brengen.

Maar Busoni wilde geen vioolchaconne voor de piano schrijven. Het moest een klavierchaconne zijn, naar het voorbeeld van de vioolversie, waarbij hij Bach maat voor maat volgt. Anders dan Bach heeft hij op zijn instrument meer stemmen ter beschikking. Spanning en expressie realiseert hij dan ook niet door de illusie van meerstemmigheid maar met pianistische middelen. verdubbelingen, Liszt-achtige gebroken en, grote contrasten in , ritme en tempo leiden tot een orkestrale combinatie van toonkleuren. Zoals de vioolchaconne een compendium bood voor de mogelijkheden van het instrument, zo liet de pianochaconne zien wat de vleugel te bieden had. Daarmee heeft Busoni de essentie van het werk op grootse en eigentijdse wijze op een ander instrument weten te realiseren.

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Beethoven: Sonate ‘Der Sturm’

Door Jos van der Zanden

‘Lesen Sie Shakespeare’s Sturm’, zou Ludwig van Beethoven hebben gezegd toen men hem vroeg naar de poëtische inhoud van zijn Pianosonate in d klein op. 31
nr. 2. Hieraan dankt het werk zijn bijnaam. Wanneer we de anekdote kritisch tegen het licht houden, is er alle reden om aan het waarheidsgehalte te twijfelen. Beethovens uitspraak werd opgetekend door iemand die allang is ontmaskerd als een zwendelaar, oplichter en pathologische leugenaar: Anton Schindler. De muziekwetenschap heeft veel van diens beweringen kunnen ontkrachten, met name sensatieverwekkende beweringen over bijnamen van composities, programmatische achtergronden, bronnen van inspiratie enz.

Beethovens muziek heeft helemaal geen ‘poëtische inhoud’, hoezeer ook in de negentiende eeuw (en ook later nog) getracht is om deze eraan te verbinden. De pogingen gaan terug tot Carl Czerny, Beethovens leerling, die bijvoorbeeld optekende dat het langzame deel van het Vierde pianoconcert een verklanking zou zijn van Orpheus die de goden verzoekt om zijn gestorven geliefde weer tot leven te brengen.

Maar Beethoven componeerde nagenoeg altijd ‘absolute’ muziek, net als zijn voorgangers. Programmamuziek was hem, een enkele uitzondering daargelaten, een doorn in het oog. Ook met de Pianosonate in d klein bouwde hij voort op de Weense klassieke traditie. Het werk beeldt niets uit, en al helemaal geen Shakespeare. Desalniettemin is de pathos van met name het openingsdeel en van de finale ongekend. Het werk staat bol van spannende vondsten, vanaf het aarzelende waarmee het opent tot en met het abrupte slot.

Czerny heeft zich overigens ook over deze uitgelaten, opnieuw in programmatische zin. Het uit vier noten bestaande, steeds herhaalde hoofdmotiefje waarop de finale is gebaseerd zou Beethoven te binnen zijn geschoten toen hij door zijn raam naar buiten keek en daar een ruiter voorbij zag galopperen. Inderdaad heeft het je iets weg van het geluid van paardenhoeven. Gelukkig komen de schtesboeken ons te hulp, door een heel ander verhaal te vertellen: het motiefje wordt niet ‘gevonden’ maar ‘gemaakt’, en daarom is er alle reden om ook de paardenanekdote naar het rijk der fabelen te verwijzen.

Joseph Haydn 1732-1809

Haydn: Sonate in C groot

Tegenover de monumentaliteit van Beethovens pianosonates lijken die van Joseph Haydn maar niemendalletjes. Maar ook Haydn realiseerde in de pianosonate – hoe kort en aanminnig ze soms ook mogen overkomen – zijn voornaamste compositorische vernieuwingen. Bovendien demonstreerde hij in dit genre een ongekende economie die zowel Mozart als Beethoven tot voorbeeld strekte: geen franje meer, geen overbodige noot, alles staat in dienst van helderheid, evenwicht en logica. Daardoor klinkt de geringste afwijking als een forse inbreuk. Haydn toont zich dan ook een meester in het bespelen van het publiek door middel van onverwachte wendingen, verrassende en en ‘verkeerde’ inzetten.

De in C groot is een van zijn meest brutale en mozartiaanse. De grapjes in de doorwerking worden gecompenseerd met een prachtig verstild als tweede deel. De sonate laat duidelijke Sturm und Drang-­invloeden horen, hoewel die stroming in de jaren 1780 al aan het afnemen was. Met dramatische wendingen en felle contrasten laat Haydn horen dat deze vormen van expressie te integreren zijn in de kosmopolitische Weense klassieke stijl die decennia lang normerend zal worden.

Biografie

Fazıl Say, piano

Fazıl Say studeerde in Düsseldorf en Berlijn bij David Levine, en volgde masterclasses bij Menahem Pressler. Zijn eerste leraar in Ankara, Mithat Fenmen (zelf een leerling van Alfred Cortot), had hem ook flink laten improviseren – de basis voor zijn latere componeren.

Sinds de pianist in 1994 de Young Concert Artists International Competition in New York won, soleert hij wereldwijd; bij het Concertgebouworkest speelde hij onder meer zijn eigen Derde pianoconcert (2009).

Residencies vervulde hij onder meer bij het Wiener Konzerthaus, het Konzerthaus Dortmund, het Konzerthaus Berlin, de Alte Oper Frankfurt, de Elbphilarmonie Hamburg, de Dresdner Philharmonie, het Théâtre des Champs-Élysées in Parijs, het Bodenseefestival en de festivals van Rheingau, Schleswig-Holstein en Mecklenburg-­Vorpommern.

Kamermuziek speelde Fazıl Say met de violisten Maxim Vengerov en Patricia Kopatchinskaja, de zangeressen Marianne Crebassa en Serenad Bağcan en de cellisten Jamal Aliyev en Nicolas Altstaedt. Naast vijf symfonieën en twee oratoria componeerde de Turkse musicus meerdere soloconcerten en velerlei kamermuziek; opdrachten kwamen van de Salzburger Festspiele, de WDR, de Münchner Philharmoniker, het Wiener Konzerthaus, de Fondation Louis Vuitton, de BBC, het Boston Symphony ­Orchestra en Lucas en Arthur Jussen.

Voor zijn meer dan veertig cd-opnamen won Fazıl Say vier Echo Klassiks, een Edison en een Gramophone Award. In 2016 kreeg hij de Beethoven Prize for Human Rights, Peace, Freedom, Poverty Alleviation and Inclusion.

In seizoen 2023/2024 presenteerde de Eigen Programmering van Het Concertgebouw een zevendelige Spotlightserie ron­dom Fazıl Say.