Gianandrea Noseda leidt het Concertgebouworkest
Concertgebouworkest
Gianandrea Noseda dirigent
Lilian Farahani sopraan
Dit concert maakt deel uit van de serie A.
Dit concert wordt voorzien van boventiteling in Nederlands en Engels.
Inleiding en Meet the Artists
Om 19.15 uur vindt in de Koorzaal een inleiding plaats door Erwin Roebroeks. Uw kaartje hiervoor bestelt u kosteloos (zolang de voorraad strekt) aan de kassa van Het Concertgebouw of via de Concertgebouwlijn.
Aansluitend aan het concert bent u welkom in de Spiegelzaal voor Meet the Artists.
Het concert van vrijdag 14 oktober wordt opgenomen door AVROTROS voor uitzending op zondag 23 oktober om 14.00 uur via NPO Radio 4.
Ook interessant:
- De unieke stem van Luigi Dallapiccola
- Interview met Bernd Richard Deutsch
Igor Stravinsky (1882-1971)
Monumentum pro Gesualdo di Venosa CD annum (1960)
in drie delen
Luigi Dallapiccola (1904-1975)
Partita (1930-32)
Passcaglia
Burlesca
Recitativo e Fanfara
Naenia B.M.V. (Wiegelied van de Heilige Maagd Maria)
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest
pauze ± 21.00 uur
Bernd Richard Deutsch (1977)
Phantasma (2020-22)
Einleitung – Thema – Der ‘Goldene’ Akkord – Die Sehnsucht nach Glück – Die feindlichen Gewalten, … in das ideale Reich – Epilog
geschreven voor de Bamberg Symphoniker, het Koninklijk Concertgebouworkest, het Royal Liverpool Philharmonic Orchestra en The Cleveland Orchestra;
Nederlandse première
Ottorino Respighi (1879-1936)
Metamorphoseon XII modi (1930-31)
Thema en variaties voor orkest
Andante moderato – Modus I. Moderato non troppo – Modus II. Allegretto – Modus III. Lento – Modus IV. Lento espressivo – Modus V. Molto vivace – Modus VI. Vivo – Modus VII. Cadenze – Modus VIII. Andantino mosso – Modus IX. Lento non troppo – Modus X. Molto allegro – Modus XI. Molto allegro – Modus XII. Vivo non troppo
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest
einde ± 22.10 uur
Toelichting
Igor Stravinsky 1882-1971
Monumentum pro Gesualdo di Venosa
Door Martijn Voorvelt
Carlo Gesualdo (1566-1613) vertegenwoordigt een eindpunt van de renaissance-. De extreme en excentrieke harmonische wendingen van zijn madrigalen en kerkmuziek werden slechts gewaardeerd door een kleine elite van fijnproevers. De heetgebakerde prins werd dan ook snel vergeten.
Pas in de jaren 1920 werd hij herontdekt; zowel het turbulente leven als de hyperexpressieve muziek van de componerende prins bleken nu een breed publiek aan te spreken. Ook Igor Stravinsky, die in die jaren een centrale rol speelde bij de ontwikkeling van het , was onder de indruk. Al kwam dat pas een jaar of dertig later tot uiting, in Tres sacrae cantiones (1956) en Monumentum pro Gesualdo di Venosa (1960). Beide bestaan uit zowel georkestreerde als ‘gehercomponeerde’ stukken van Gesualdo, ter gelegenheid van diens 400ste geboortejaar. Monumentum is gebaseerd op drie madrigalen: de nummers 14 en 18 uit het vijfde boek, Asciugate i begli occhi (Droog die mooie ogen) en Ma tu, cagion di quella (Maar jij, oorzaak van die gruwelijke kwelling), en nummer 2 uit het zesde boek, het plechtige Beltà, poi che t’assanti (Schoonheid, omdat je vertrekt). De première met een door George Balanchine vervaardigde choreografie voor het New York City Ballet in november 1960 maakte deel uit van het balletprogramma ‘Salute to Italy’.
Luigi Dallapiccola 1904-1975
Partita
Door Martijn Voorvelt
Luigi Dallapiccola werd geboren in Istrië, dat toen Oostenrijks-Hongaars was. In 1917 werd het gezin Dallapiccola wegens politieke insubordinatie gedeporteerd naar Graz, Oostenrijk. Na de oorlog werd Dallapiccola opgeleid in Florence, Triëst en de Verenigde Staten, waarna hij zelf een gerespecteerd compositieleraar werd aan het conservatorium in Florence.
Bij het Concertgebouworkest heeft zijn werk spaarzaam op de lessenaars gestaan. De meeste uitvoeringen kreeg Variazoni (1954), dat de grote invloed van de vertoont. Dallapiccola heeft de reputatie van een modernist die vooruitliep op het naoorlogse ; dat hij zelf wat naar de achtergrond verdween is wellicht mede omdat hij nooit de traditie en zijn Italiaanse achtergrond verloochende.
Partita is feitelijk een vierdelige symfonie
Aan het begin van zijn carrière staat , waarin duidelijk te horen is hoezeer Dallapiccola wortelt in de grote klassieke en vocale traditie van zijn land. Partita is feitelijk een vierdelige symfonie, waarvan het slotdeel met zijn ontroerende sopraanpartij Mahlers Vierde symfonie in herinnering roept.
Het eerste deel begint in bijna-stilte. Vanuit een steeds herhaald harmonisch-ritmisch patroon – het is immers een passacaglia, een uiterst populair genre uit de oude muziek – wordt langzaam een imposant muzikaal monument opgetrokken. Na een climax trekt het orkest zich geleidelijk weer terug in de diepe duisternis. Het tweede deel is een beweeglijke Burlesca, een muzikale grap, met in het midden een kalmer gedeelte. Dan schieten vier wilde ‘raketten’ ons de mystieke, nachtelijke wereld in waarmee het derde deel aanvangt. Het introspectieve Recitativo wordt halverwege ruw verstoord door een wilde, contrastrijke reeks fanfares. De laatste gaat over in de zacht wiegende en van het weids ademende slotdeel waarin de sopraan een middeleeuwse tekst zingt, een wiegelied van de Heilige Maagd Maria aan haar pasgeboren kindje. Het even kinderlijke als verheven ontvouwt zich tegen een achtergrond van steeds verschietende kleuren en sferen, waarbinnen motieven uit de eerste drie delen in bijna onherkenbaar veranderde vorm terugkeren.
Gianandrea Noseda zorgde al in 2010 voor een cd-opname van dit werk. Mede dankzij deze is Dallapiccola’s muziek de laatste tijd weer meer op de kaart komen te staan.
Bernd Richard Deutsch (1977)
Phantasma
Door Martijn Voorvelt
Bernd Richard Deutsch woont en werkt de helft van het jaar in het Italiaanse Triëst. ‘Daar zit ik driehonderd meter van de zee af’, aldus de componist. ‘Het drukke stadsleven past niet bij me. Ik heb rust nodig.’ Toch zijn leven en werk van Deutsch sterk verbonden aan Wenen en zijn rijke geschiedenis. Zijn opdrachtcompositie, begonnen in Triëst en voltooid in Wenen, getuigt daarvan. Phantasma is geïnspireerd door het Beethovenfries, een 34 meter lange muurschildering die Gustav Klimt in het Weense Secession-gebouw maakte ter ere van Ludwig van Beethoven, de laatste van de drie grote Weense Klassieken. Het fries bevat alle motieven die belangrijk zijn voor Klimt, waaronder de kleur goud. De schilder liet zich leiden door Richard Wagners interpretatie van Beethovens Negende symfonie. Het programma weerspiegelt de visie van de Weense Secessionisten, typisch voor het fin-de-siècle: een totale esthetisering van het leven moet uiteindelijk leiden tot een verlossing door kunst.
Het Beethoven-fries, geschilderd door Gustav Klimt in het Weense Secession-gebouw (1901-02)
Als Phantasma begint gaan we met een klopsignaal de wereld van Klimt binnen. ‘Wie zijn atelier wilde betreden, moest in een bepaald op de deur kloppen’, legt Deutsch uit. ‘Een code. Als die niet juist was, deed Klimt niet open.’ Het ritme van dat signaal (we denken ook even aan het motto van Beethovens Vijfde: ‘het noodlot klopt op de deur’) leverde Deutsch de start van Phantasma op. Dan wordt het hoofdthema geïntroduceerd door en een soloviool boven een van tien tonen, het ‘gouden akkoord’. en akkoord keren in steeds nieuwe gedaanten terug in drie delen, de muzikale equivalenten van de drie ‘panelen’ van Klimts Beethovenfries: het overwegend e ‘Die Sehnsucht nach Glück’ leidt naar het tweede deel, ‘Die feindlichen Gewalten’, dat met zijn mythologische figuren – de reus Typhoeus, de Gorgonen en andere duistere figuren – een voor Klimt onkarakteristieke dramatiek heeft. In het derde deel, ‘…in das ideale Reich’, krijgt de muziek een extatisch karakter. In de Epiloog komt het begin terug als wanneer je uit een droom ontwaakt: het klopsignaal wordt een ‘droombeeld’ in de werkelijkheid, een phantasma.
Ottorino Respighi 1879-1936
Metamorphoseon XII modi
Door Martijn Voorvelt
Het leeuwendeel van Ottorino Respighi’s oeuvre wordt in populariteit overschaduwd door zijn ‘Romeinse trilogie’. Toch doet Metamorphoseon XII modi zeker niet onder voor bijvoorbeeld Pini di Roma als het gaat om expressieve reikwijdte en kleurrijke orkestraties. Metamorphoseon XII modi is gebaseerd op een traditionele muziekvorm uit de , een met variaties. Respighi noemt de variaties ‘modi’. Daarbij doelt hij zowel op oude kerktoonladders als op het Italiaans voor ‘manieren’. Het thema bevat het basismateriaal van de hele compositie, de modi vertegenwoordigen manieren waarop dat in het orkest kan klinken.
De twaalf modi hebben niet allemaal eenzelfde gewicht – sommige zijn slechts korte overgangen, terwijl modus VII ruim zes minuten duurt en een belangrijke centrale positie inneemt.
Het thema wordt unisono geïntroduceerd in de strijkers en is te omschrijven als een eenvoudige, breed gedragen met archaïsche trekken, als een oude volkswijs. Een klarinetsolo geeft de aanzet tot een soort doorwerking, waarbij een loskomt dat een rol zal spelen in alle variaties. Het thema keert terug in de altviolen; loopjes in de wijzen vooruit op wat komen gaat.
De modi I en II zijn aan elkaar verwant: thema en tegenthema – omspeeld met lichte, gracieuze loopjes – worden onderbroken door een duister, omineus tutti (I) respectievelijk een korte stormachtige verstoring (II). De langzame modi III en IV vormen eveneens een paar; in de zwaarmoedige modus IV zwelt het orkest enkele keren aan tot een smachtend tutti. De korte, snelle modi V en VI zijn respectievelijk een feeëriek dansje en een fellere episode met een obsessief herhaald .
De zevende modus bestaat grotendeels uit solocadenzen die geleidelijk een steeds mysterieuzer karakter krijgen. Daaronder klinkt – onopvallend, onderhuids – het uitgerekte thema als een . De vredige achtste en de mystieke negende modus vormen weer een setje. De laatste drie vormen een aaneengesloten episode; aan het slot rijgen de brokstukken van het thema zich aaneen.
Omdat de Italiaanse muziekgeschiedenis vooral vocaal georiënteerd is, wordt het belang van Italië voor de instrumentale muziek nog wel eens vergeten. Al in de Renaissance trokken de grote muzikale talenten uit met name de Lage Landen de Alpen over om zich met elkaar te meten in de vocale . Italiaanse aristocraten maakten graag goede sier met topmusici. Of met eigen werk, zoals de prins van Venosa, Don Carlo Gesualdo.
Het ontstaan van de rond 1600 in Florence leidde tot de ontwikkeling van de orkestmuziek – denk aan de instrumentale werken van Antonio Vivaldi, maar ook aan Antonio Stradivari en de andere grote bouwers van de strijkinstrumenten die de basis van het vormen. De instrumentale muziek werd echter verdrongen door de enorme populariteit van de opera; in de tijd dat Mendelssohn zijn ‘Italiaanse’ symfonie componeerde, hadden de Italianen zelf hun vooraanstaande plaats in instrumentale muziek al lang verloren aan Duitsland en Oostenrijk.
De kentering kwam begin twintigste eeuw: laatromantische en neoclassicistische componisten als Ferruccio Busoni, Ottorino Respighi en Gian Francesco Malipiero waren verantwoordelijk voor een heropleving van het Italiaanse concertleven. Na de Tweede Wereldoorlog werd Italië opnieuw een van de leidende landen in de concertmuziek, met modernisten als Luigi Nono, Bruno Maderna en Luciano Berio. De schijnbaar ontbrekende schakel tussen de generatie van Respighi en de naoorlogse Italianen is Luigi Dallapiccola. Deze leraar van onder anderen Berio wordt vaak over het hoofd gezien, maar verdient een plaats naast tijdgenoten als Paul Hindemith of Olivier Messiaen.
Biografie
Gianandrea Noseda, dirigent
Gianandrea Noseda is chef- van het National Symphony Orchestra in Washington D.C. sinds 2017, en artistiek leider van het Opernhaus Zürich sinds 2021. Daarnaast is hij eerste gastdirigent van het London Symphony Orchestra en het Israëlisch Filharmonisch Orkest. Voorheen stond de Italiaan aan het hoofd van het BBC Philharmonic Orchestra (2002-2011) en het Teatro Regio Torino (2007-2018) en was hij eerste gastdirigent bij het Mariinski Theater, het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Orchestra Sinfonica Nazionale della RAI.
Gianandrea Noseda leidde ’s bij onder meer het Teatro alla Scala in Milaan en de Royal Opera in Londen. Zijn hechte band met de Metropolitan Opera in New York gaat terug tot 2002; een veelgeprezen interpretatie van Borodins Prins Igor verscheen op dvd bij Deutsche Grammophon. Orkesten als de Berliner Philharmoniker, The Cleveland Orchestra, de New York Philharmonic, het NHK Symphony Orchestra, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia en de Wiener Symphoniker engageerden de Milanese .
In 2015 benoemde Musical America hem tot Conductor of the Year. Dezelfde titel werd hem het jaar daarop toegekend bij de International Opera Awards. Gianandrea Noseda debuteerde op overtuigende wijze bij het Concertgebouworkest in oktober 2018 met Brittens War Requiem. Hij kwam terug in januari 2021 met werken van Kodály, Liszt en Dvořák en in oktober 2022 met Dallapiccola, Respighi, Stravinsky en Deutsch.
Lilian Farahani, sopraan
De Nederlands-Iraanse sopraan Lilian Farahani studeerde aan de conservatoria van Den Haag en Amsterdam, bij onder anderen Sasja Hunnego. Ze voltooide in 2015 de Dutch National Academy en begon een voorspoedige carrière als opera-, - en concertzangeres.
In de afgelopen jaren zong ze op de grote Nederlandse podia bij gezelschappen als De Nationale Opera, Opera Zuid en de Nederlandse Reisopera, maar ook aan de operahuizen van onder andere Nancy, Bern en Essen.
Daarnaast soleerde ze bij orkesten als het Concertgebouworkest (oktober 2022, Partita van Dallapiccola), het London Symphony Orchestra, het Residentie Orkest, het Nederlands Kamerorkest, het Orkest van de Achttiende Eeuw, het Nederlands Blazers Ensemble en Pygmalion.
Later dit voorjaar is Lilian Farahani cover voor de rol van The Bride in Innocence, de laatste van Kaija Saariaho, bij de Metropolitan Opera in New York. Ze zong deze rol eerder op het Festival d’Aix-en-Provence, in het Royal Opera House in Londen, en bij De Nationale Opera en San Francisco Opera. Verder zal ze de rol van Musetta (La bohème van Puccini) vertolken bij de Opéra national de Lorraine in Nancy, Caen en Luxemburg.
Na haar in 2019 verschenen debuut-cd WOMAN – the making of… lanceerde ze in 2024 samen met pianist Maurice Lammerts van Bueren het album Nomad. Sinds haar debuut in een lunchconcert in april 2015 trad Lilian Farahani meermaals op in de , bijvoorbeeld in maart 2022 in de serie Jonge Nederlanders.




