Gergiev met Rachmaninoff en Skrjabin bij het Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest
Valery Gergiev dirigent
Behzod Abduraimov piano
pauze ca. 21.00 uur
einde ca. 22.20 uur
Dit concert maakt deel uit van de serie B.
Serge Rachmaninoff 1873-1943
Derde pianoconcert in d kl.t., op. 30 (1909)
Allegro ma non tanto
Intermezzo: Adagio
Finale: Alla breve
pauze
Aleksandr Skrjabin 1871-1915
Derde symfonie in C gr.t., op. 43 (1902-04)
‘Le divin poème’
Introduction
Luttes: Allegro
Voluptés: Lento
Jeu divin: Allegro
Toelichting
Rachmaninoff en Skrjabin
Succes en onbegrip
tekst: Olga de Kort
Er zijn composities die vanaf de eerste maat hun weg naar het publiek weten te vinden. Niet alleen worden ze tijdens het leven van de componist veelvuldig en met succes gespeeld, ze weerstaan ook de tand des tijds en weten steeds nieuwe generaties musici en luisteraars te boeien.
Maar er is ook een andere categorie: de minder fortuinlijke stukken die er soms decennia over doen om hun bestaansrecht te bewijzen. Serge Rachmaninoffs Derde pianoconcert in d klein en de Derde symfonie van Aleksandr Skrjabin zijn klassieke voorbeelden van beide categorieën: de eerste van succes en de tweede van afwijzing.
1909
Rachmaninoff: derde pianoconcert
Nog voor de officiële première van Serge Rachmaninoffs Derde pianoconcert in d klein deden er in Moskou geruchten de ronde over de bijzondere melodische vondsten in dit werk.
"Pools-Amerikaanse pianist Józef Hofmann bedankte voor de eer."
Maar naast de prachtige ën, die later over de hele wereld voor instant succes zouden zorgen, vereiste de nieuwe compositie ook een overdaad aan technische acrobatiek, wat op de zenuwen van faalangstige pianisten werkte. De beoogde vertolker, de Pools-Amerikaanse pianist Józef Hofmann, aan wie het Derde pianoconcert was opgedragen, bedankte voor de eer en liet de links liggen.
Rachmaninoff hield het werk daarom in november 1909 zelf ten doop met het New York Symphony Orchestra. Na de première met Walther Damrosch volgde een uitvoering onder leiding van Gustav Mahler.
De eerste luisteraars raakten niet uitgepraat over de mooie, aangrijpende en emotioneel geladen ën: het vrije hoofdthema uit het eerste deel, dat aan oude Russische gezangen herinnerde, de zangerige variaties uit het daaropvolgende Intermezzo en de aanstekelijke klanken van de energieke Finale.
Gevraagd naar zijn ’s vertelde Rachmaninoff dat hij een melodie op een piano wilde laten ‘zingen’ zoals zangers dat deden. Vervolgens zocht hij ‘simpelweg’ naar een geschikte orkestbegeleiding die dit ‘gezang’ niet zou overstemmen.
"Vladimir Horowitz was eerste die het werk op grammofoonplaat uitbracht, in 1930."
Hoewel Rachmaninoff als solist onvergelijkbaar was, maakte pianovirtuoos Vladimir Horowitz het Derde pianoconcert pas echt tot een begrip. Hij was ook eerste die het op grammofoonplaat uitbracht, in 1930.
Negen jaar later ging Rachmaninoff zelf de studio in. Zijn historische opname met The Philadelphia Orchestra onder leiding van Eugene Ormandy laat een fenomenale pianist horen in een pianoconcert dat hem op het lijf geschreven was.
Aan populariteit heeft het Derde pianoconcert in de laatste honderd jaar niets ingeboet.
1902-04
Skrjabin: Derde symfonie
In zijn reusachtige zesdelige Eerste symfonie liet Aleksandr Skrjabin een koor de ‘glorie der kunsten’ bezingen. Een jaar later sloot hij de romantische Tweede symfonie af met een wagneriaanse . Meteen daarna begon hij aan een nieuwe uitdaging: het verklanken van ‘licht en blijdschap’, waar zijn Vierde pianosonate en de Derde symfonie de voortvloeisels van waren.
Gedurende de tweeënhalf jaar dat de componist aan zijn Derde symfonie werkte, veranderde het orkestwerk in het programmatische ‘Le divin poème’, waarin ieder deel steeds een nieuwe etappe in de bevrijding van een creatieve geest markeerde.
De goddelijke dans en het gezang dat in extase tot de sterren stijgt, het oneindige gejuich en gejubel over de hogere vreugden en geneugten des levens, zeeën van vuur en het verlangen naar het stralende licht.
Dichter en schrijver Boris Pasternak, die de Russische première in Moskou bijwoonde, herinnerde zich hoe indrukwekkend de stormachtige symfonie klonk: de muziek ‘brokkelde en viel onophoudelijk in stukken, als een stad onder het artillerievuur, en dan herbouwde ze zich en groeide uit scherven en verwoesting’.
Skrjabins muzikale ideeën waren grensverleggend ‘tot krankzinnigheid toe’, ‘jongensachtig, speels als natuurkracht en vrij als een gevallen engel’.
Speciaal voor de Parijse première in 1905 noteerde Skrjabins tweede vrouw, Tatjana Schloezer, de begeleidende tekst van de componist bij Introduction, Luttes, Voluptés en Jeu divin.
De poëtische overpeinzingen over de evolutie van een vrije geest, via sensuele en geestelijke bevrijding, werden bij de Russische uitvoeringen echter weggelaten om het beschaafde publiek niet in verlegenheid te brengen.
De extatische jubelzang van Skrjabins fantasieën viel niet overal in goede aarde. In Nederland, waar Skrjabin steevast voor een licht hysterische extaticus zonder enige muzikale zeggenschap werd uitgemaakt, stuitte de Derde symfonie op onbegrip en afwijzing.
"Muziekcritici schreven over ‘onverteerbare verhevenheid’, ‘hoogstens mystiekerige poespas’ en ‘cliché-muziek’."
Niet in de laatste plaats lag dat aan Osip Gabrilovitsj, die de Nederlandse première op 21 september 1924 dirigeerde. Onder zijn leiding voerde het Concertgebouworkest een sterk gereduceerde versie uit, aangezien Gabrilovitsj ruim de helft van de schrapte.
Niet verwonderlijk dan ook dat het Amsterdamse publiek ‘de noodzaak’ van al die extase volkomen ‘miste’. Volgens De Telegraaf-recensent L.M.G. Arntzenius kwamen ‘opzet en doel der componist’ nogal ‘vaag’ over.
De nadere kennismaking liet vijftig jaar op zich wachten, toen Kirill Kondrashin besloot ‘Le divin poème’ een nieuwe kans te geven. Tevergeefs, want ook de uitvoeringen in 1976 brachten muziekcritici ertoe te schrijven over ‘onverteerbare verhevenheid uit kamferkist’, ‘hoogstens mystiekerige poespas’ en ‘cliché-muziek’.
Het vermoeide publiek had weinig waardering voor Skrjabins gepassioneerde vlucht der fantasie en zijn droom over de geestelijke evolutie van de mens. Hoewel de Derde symfonie zijn bestaansrecht niet meer hoeft te bewijzen, valt er in Amsterdam dus nog wel wat eer aan te behalen.
Biografie
Behzod Abduraimov, piano
Behzod Abduraimov begon op zijn vijfde met pianospelen als leerling van Tamara Popovich in zijn geboortestad Tasjkent. Hij voltooide zijn piano-opleiding bij Stanislav Ioudenitch aan het International Center for Music van de Park University (Missouri), waar hij nu artist in residence is.
‘Abduraimov maakte indruk met responsief en dynamisch spel en een parelend toucher’, schreef NRC na een eerder Nederlands optreden in september 2015. Het is exemplarisch voor de lof die de jonge Oezbeekse pianist krijgt toegezwaaid.
Behzod Abduraimov soleerde bij onder meer het Gewandhausorchester Leipzig, het NDR Elbphilharmonieorchester, het Boston Symphony Orchestra en de Los Angeles Philharmonic, waarbij hij samenwerkte met en als Vladimir Ashkenazy, Vasily Petrenko, James Gaffigan en Vladimir Jurowski.
Vorig seizoen debuteerde hij bij de Münchner Philharmoniker onder Valery Gergiev. Behzod Abduraimovs eerste -cd won een Choc de Classica en een Diapason Découverte. Behzod Abduraimov debuteert bij het Koninklijk Concertgebouworkest.
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

