Gavrylyuk & Rachmaninoff, Van Doeselaar & Saint-saëns
Klassieke Meesterwerken 20.15 uur
Noord Nederlands Orkest
Antony Hermus dirigent
Alexander Gavrylyuk piano
Leo van Doeselaar orgel
begin van de pauze ca. 20.55 uur
einde van het concert ca. 22.00 uur
Johan Wagenaar 1862-1941
Ouverture ‘Cyrano de Bergerac’, op. 23 (1905)
Serge Rachmaninoff 1873-1943
Rapsodie op een thema van Paganini, op. 43 (1934)
voor piano en orkest
Introduction: Allegro vivace
Variatie 1 (Précédente)
Thema: L’istesso tempo
Variatie 2: L’istesso tempo
Variatie 3: L’istesso tempo
Variatie 4: Più vivo
Variatie 5: Tempo precedente
Variatie 6: L’istesso tempo
Variatie 7: Meno mosso, a tempo moderato
Variatie 8: Tempo I
Variatie 9: L’istesso tempo
Variatie 10: Poco marcato
Variatie 11: Moderato
Variatie 12: Tempo di minuetto
Variatie 13: Allegro
Variatie 14: L’istesso tempo
Variatie 15: Più vivo scherzando
Variatie 16: Allegretto
Variatie 17: Allegretto
Variatie 18: Andante cantabile
Variatie 19: L’istesso tempo
Variatie 20: Un poco più vivo
Variatie 21: Un poco più vivo
Variatie 22: Un poco più vivo (Alla breve)
Variatie 23: L’istesso tempo
Variatie 24: A tempo un poco meno mosso
pauze
Camille Saint-Saëns 1835-1921
Derde symfonie in c kl.t., op. 78 (1886) ‘Orgelsymfonie’
Adagio – Allegro molto
Poco adagio
Allegro molto – Presto
Maestoso – Allegro
Toelichting
Johan Wagenaar 1862-1941
Ouverture 'Cyrano de Bergerac'
tekst: Aad van der Ven
In 1907 ontspon zich een discussie naar aanleiding van de publicatie van het laatste deel van de Geschiedenis van het Nederlandsche volk van P.J. Blok. In zijn bespreking van de diverse kunstvormen in de Nederlandse samenleving beweerde deze Leidse historicus dat muziek niet in staat is nationale eigenschappen te bezitten.
Tot degenen die het daarmee niet eens waren behoorde de componist Johan Wagenaar. Hij wees op onder meer de voorkeur voor scherpe s en stoere ën en het gevoel voor het gemoedelijke en humoristische in de Nederlandse muziek. Daarmee gaf hij meteen enkele opvallende kwaliteiten in zijn eigen werk prijs.
Als conservatoriumdirecteur in successievelijk Utrecht en Den Haag, organist van de Utrechtse Domkerk, koordirigent en compositieleraar was Wagenaar een persoon van gewicht.
Daarnaast zag hij kans een niet bescheiden, maar rijk geschakeerd, fantasierijk oeuvre te componeren, met onder meer een groot aantal koorwerken. Opvallend daarbij is het vrijwel ontbreken van grote traditionele vormen als de symfonie, het strijkkwartet, het soloconcert, de et cetera.
Zijn eerste grote succes, de De schipbreuk, gebaseerd op nonsensrijmen van De Schoolmeester, maakte het Nederlandse muziekpubliek meteen duidelijk dat Johan Wagenaar moeilijk binnen een traditie viel te plaatsen. Terwijl men zich in die tijd in Nederland meer thuis voelde bij Johannes Brahms werd hij meer aangetrokken door componisten met een rijk klankenpalet als Hector Berlioz en Richard Strauss.
Het was een selectie uit die orkestwerken waarmee het Koninklijk Concertgebouworkest en zijn toenmalige chef- Riccardo Chailly ruim twintig jaar geleden via een cd een belangrijke bijdrage leverden aan de hernieuwde belangstelling voor Wagenaars muziek. Van die composities wordt de Ouverture ‘Cyrano de Bergerac’ het meest gespeeld.
De componist heeft verklaard dat hij niet de intentie had in dit stuk de inhoud van de gelijknamige comédie héroïque van Edmond Rostand weer te geven. Het is de hoofdpersoon, de officier en dichter zelf, die hier wordt uitgebeeld door middel van zeven ’s die de verschillende karaktertrekken van Cyrano representeren.
Om met Wagenaar te spreken: ‘De zeven karakteristieke thema’s – heldenmoed, liefde, poëzie, blijmoedigheid, ridderlijkheid, humor en satire – dienen louter als aanduidingen zonder meer (…).’ De sterk contrasterende thema’s worden na elkaar geïntroduceerd alvorens ze in een levendige dialoog verwikkeld raken.
Voor de onmiddellijk na het joviale begin optredende grote, e , die de onbaatzuchtige liefde van Cyrano voor Roxane uitbeeldt, had Berlioz zich niet hoeven schamen.
Serge Rachmaninoff 1873-1943
Rapsodie op een thema van Paganini
tekst: Michiel Cleij
Het spelen van covers is een gewoonte in de jazz- en popwereld, maar het is bepaald niet nieuw. Eeuwen geleden al imiteerden muzikanten elkaar, maakten ze gebruik van elkaars melodische vondsten, breidden ze bestaande muziek uit en veranderden ze de bezetting naar believen.
De opkomst van uitgevers- en auteursrechten heeft die gewoonte nogal ingedamd, maar het schrijven van variaties over een pakkend gegeven van een andere componist is van alle tijden. De violist Nicolò Paganini – je kunt hem het eerste echte ‘podiumbeest’ noemen – verbijsterde zo’n tweehonderd jaar geleden zijn publiek met zelfgeschreven vioolstukken, zó hels moeilijk dat ze gecomponeerd leken te zijn ‘door de duivel zelf’ – althans volgens sommigen.
Eentje daarvan heeft zo’n pakkende dat vele latere componisten ermee aan de haal zijn gegaan, onder wie Serge Rachmaninoff.
Rachmaninoff was zelf een duivelskunstenaar – als pianist dan – en componeerde zijn beste muziek voor piano, al dan niet met orkest. Hij groeide op in het oude, tsaristische Rusland en vluchtte voor de Revolutie van 1917 naar het Westen.
Uiteindelijk vestigde hij zich in Amerika waar hij in zijn levensonderhoud voorzag door middel van afmattende concerttournees. Vaak introduceerde hij daarbij eigen composities en altijd weer kwam dezelfde reactie: geweldige pianist, achterhaalde muziek.
Inderdaad bleef Rachmaninoff altijd schrijven in een hoogromantische (en zeer Russische) stijl die velen in de jaren 1930 hopeloos ouderwets vonden. Achteraf hebben die Amerikaanse critici moeten toegeven dat heel wat Hollywood-filmmuziek zwaar beïnvloed is door Rachmaninoffs smachtende muzikale taal.
'halverwege het werk citeert hij het gregoriaanse kerklied Dies irae (‘Dag des Oordeels’), een motief dat in bijna al zijn composities wel ergens verstopt zit, als een soort bezwering van onheil'
Met de Paganini-variaties echter boekte hij meteen een daverend succes – en niet alleen omdat dat basisthema van Paganini niet stuk kan. Rachmaninoff maakt het zich volkomen eigen: hij onderwerpt het aan grillige metamorfoses, speelt het in spiegelbeeld en rekt het uit, met een caleidoscopisch effect.
Tevens vlecht hij er een autobiografisch elementje in: halverwege het werk citeert hij het e kerklied (‘Dag des Oordeels’), een dat in bijna al zijn composities wel ergens verstopt zit, als een soort bezwering van onheil. Hier hielp het hem: zijn tanende carrière als componist kreeg door dit werk een nieuwe impuls.
Camille Saint-Saëns 1835-1921
'orgelsymfonie'
tekst: Dirk Luijmes
Camille Saint-Saëns had heel wat pijlen op zijn boog. Hij wist het een en ander over astronomie, archeologie en filosofie, schreef toneelstukken en gedichten en onderscheidde zich uiteraard op zijn echte vakgebied: de muziek. Als klein jongetje liet hij al volop zien dat hij piano kon spelen én kon componeren.
Naar eigen zeggen leefde hij in muziek ‘zoals een vis in het water’ en componeerde hij ‘zoals een appelboom appels voortbrengt’. In zijn betrekkelijk lange leven produceerde hij inderdaad heel wat muzikale fruitmanden met uiteenlopende, door de zon gerijpte vruchten.
Saint-Saëns was een uitstekend vakman, die zich liet inspireren door de klassieke meesters en streefde naar helderheid in zijn elegante en toegankelijke muziek. De beroemdste werken van de conservatieve Fransman zijn ongetwijfeld zijn Carnaval des animaux, de Danse macabre en de Derde symfonie in c klein.
Saint-Saëns schreef de symfonie in 1886 voor de Londense Philharmonic Society en beschouwde die zelf als zijn beste compositie: ‘Hiermee heb ik alles gegeven wat ik kon geven. Een werk als dit zal ik nooit meer schrijven.’
Saint-Saëns excelleerde niet alleen op de piano maar ook op het en in deze symfonie geeft hij beide instrumenten een plaats; de duidelijke aanwezigheid van een majestueus symfonisch orgel zorgde ervoor dat het werk nu bekend is als de ‘Orgelsymfonie’.
Officieel heeft de symfonie twee delen – volgens Saint-Saëns ‘om eindeloze herhalingen te vermijden’ – maar eigenlijk zijn het er gewoon vier: een introductie, het ‘eerste’ deel, een en een finale. In feite is er maar één hoofdthema, dat in allerlei varianten in de hele symfonie opduikt.
Dit doet enigszins denken aan het aloude e -. Saint-Saëns droeg de symfonie op aan Franz Liszt, die in zijn Pianosonate in b klein ook al had laten horen dat je met één thema een indrukwekkend bouwwerk kon maken.
Toen Charles Gounod de ‘Orgelsymfonie’ had gehoord, noemde hij Saint-Saëns bewonderend ‘le Beethoven français’.
Biografie
Noord Nederlands Orkest, orkest
De geschiedenis van het Noord Nederlands Orkest gaat terug tot 1862 en daarmee is het ‘s lands langst actieve professionele . Het gezelschap telt zo’n 70 orkestleden van 14 nationaliteiten, en de afgelopen jaren zijn er veel jonge getalenteerde musici aangetrokken. Het orkest brengt symfonische muziek in de drie noordelijke provincies – met ruim honderd concerten per seizoen in concertzalen, op buitenlocaties en op scholen.
Thuisbasis is De Oosterpoort in Groningen, de musici reizen geregeld af naar bijvoorbeeld TivoliVredenburg in Utrecht en Het Concertgebouw, en het seizoen 2025/2026 werd geopend op Lowlands. De programmering reikt van puur klassiek tot verrassende mixprogramma’s, en er is een nauwe samenwerking met andere kunstinstellingen en met de conservatoria van Groningen, Amsterdam en Den Haag. Chef- is Eivind Gullberg Jensen en vaste gastdirigenten zijn Hartmut Haenchen en Kerem Hasan; Antony Hermus is honorair dirigent en Michel Tabachnik dirigent emeritus.
Het Noord Nederlands Orkest werkte verder met dirigenten als Wayne Marshall, Susanna Mälkki en Han-Na Chang en solisten als Nemanja Radulović, Simone Lamsma, Guy Braunstein, Bertrand Chamayou, Alice Sara Ott, Martin Grubinger, Jeanine De Bique, Nelson Goerner en Leif Ove Andsnes. Het vorige optreden van het orkest in Het Concertgebouw was het project Blue Potential met producer/dj Jeff Mills tijdens de VriendenLoterij ZomerConcerten 2025.
Antony Hermus, dirigent
Antony Hermus is sinds 2022 chef- van het Belgisch Nationaal Orkest. Na zijn studie piano en orkestdirectie aan het Fontys-conservatorium in Tilburg werd Antony Hermus benoemd tot leider van de en het van de Duitse stad Hagen. In 2009 werd hij Generalmusikdirektor van het Anhaltisches Theater in Dessau, waar hij bij zijn afscheid in 2015 Wagners operacyclus Der Ring des Nibelungen leidde.
Het Noord Nederlands Orkest, waarvan hij van 2015 tot maart 2024 vaste gastdirigent was, benoemde hem bij zijn afscheid tot eredirigent. Antony Hermus is sinds 2015 bovendien artistiek adviseur van het Nationaal Jeugd Orkest. producties leidde hij veelvuldig bij het Engelse Opera North, waar hij sinds 2018 vaste gastdirigent is, maar ook bij de Opéra national de Paris, de Nederlandse Reisopera, de Komische Oper Berlin en de operahuizen van Stuttgart en Göteborg.
Zijn brede repertoire bevat veel hedendaagse werken. Zo voerde hij het Pianoconcert van Unsuk Chin uit met het Filharmonisch Orkest van Helsinki en met het Swedish Radio Symphony Orchestra. Als gastdirigent stond Antony Hermus ook voor het BBC Philharmonic Orchestra, het Royal Philharmonic Orchestra, het Melbourne Symphony Orchestra, het Seoul Philharmonic Orchestra en de Bamberger Symphoniker.
Bij het Concertgebouworkest leidde hij in 2014 muziek van Prokofjev in het Kinderconcert Assepoester, en in december 2020 het Horizon-programma ‘Speel Nederlands met me’, met wereldpremières van Celia Swart en Bram Kortekaas naast werken van Louis Andriessen en Tristan Keuris.
Alexander Gavrylyuk, piano
Alexander Gavrylyuk is geboren in Oekraïne en maakte op zijn negende zijn concertdebuut. Op zijn dertiende verhuisde hij naar Sydney, op zijn vijftiende won hij het Horowitz Internationaal Pianoconcours in Kyiv en een jaar later de Hamamatsu International Piano Competiton. In 2005 won hij de Gouden Medaille van het Arthur Rubinstein Concours in Tel Aviv en een jaar later maakte hij Berlijn tot zijn uitvalsbasis, totdat hij zich in Nederland vestigde.
Alexander Gavrylyuk werd uitgenodigd door de BBC Proms, de Hollywood Bowl, Mostly Mozart, het Klavier-Festival Ruhr en de Kissinger Sommer.
Hij soleerde bij de orkesten van New York, Los Angeles, Chicago, Dallas, San Francisco, Detroit, São Paulo, Sydney, Seoul en Tokio, het NDR Elbphilharmonie Orchester, Philharmonia, het Royal Scottish National Orchestra, het City of Birmingham Symphony Orchestra en het Australian Chamber Orchestra.
In de speelde hij met het Concertgebouworkest (voor het eerst in 2010), het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Radio Filharmonisch Orkest en trad hij in 2016 en 2019 op met violiste Janine Jansen. s voeren de pianist de wereld over; zo had hij in seizoen 2023/2024 een residency met drie soloprogramma’s in Wigmore Hall in Londen en is hij momenteel in residence bij de Chautauqua Institution. In 2009 maakte Alexander Gavrylyuk zijn Nederlandse debuut in Het Concertgebouw in de serie Meesterpianisten, en zijn laatste optreden was op 13 april 2024 in de in een kwartet van Brahms en een et van Schubert samen met strijkers van Amsterdam Sinfonietta.
Leo van Doeselaar, orgel
Leo van Doeselaar is organist, pianist en fortepianist. Binnen zijn veelzijdige muziekpraktijk houdt hij zich bezig met enkele eeuwen aan muzikaal repertoire. Als titulair organist van Het Concertgebouw heeft hij sinds 1985 in de opgetreden als solist met vele bekende ensembles en orkesten onder leiding van en als Mariss Jansons, Charles Dutoit, Ingo Metzmacher en Riccardo Chailly.
Met laatstgenoemde en het Concertgebouworkest nam hij bijvoorbeeld Hindemiths Kammermusik Nr. 7 op; de cd werd bekroond met een Grammy Award. Voor een opname van alle klavierwerken van Jan Pieterszoon Sweelinck kreeg Leo van Doeselaar zowel een Preis der deutschen Schallplattenkritik als een Edison. Zijn cd met werken van Heinrich Scheidemann werd in 2013 bekroond met de Preis der deutschen Schallplattenkritik en een Echo Klassik.
Op het Maarschalkerweerdorgel van de heeft Leo van Doeselaar vele solos gegeven, vaak als onderdeel van de zomerprogrammering van Het Concertgebouw. Hij verzorgde op het instrument ook wereldpremières van werken voor orgel en orkest van Tristan Keuris, Wolfgang Rihm en Detlev Glanert. Naast zijn solocarrière vormt Leo van Doeselaar al decennia een klavierduo met Wyneke Jordans. Het tweetal speelt op zowel historisch als modern instrumentarium en nam muziek op van onder anderen Schubert, Ravel en Stravinsky.
Van 1995 tot 2019 gaf Leo van Doeselaar les aan de Universität der Künste Berlin. Met het Concertgebouworkest trad de organist vele malen op; de laatste samenwerking dateert van november 2016 en betrof Glanerts Requiem voor Jheronimus Bosch onder leiding van Markus Stenz in zowel de Grote Zaal als de Sint-Janskathedraal in ’s-Hertogenbosch.



