Gatti meets Lisa Batiashvili bij het Concertgebouworkest

Koninklijk Concertgebouworkest
Daniele Gatti dirigent
Lisa Batiashvili viool

Sergej Prokofjev 1891-1953

Vioolconcert nr. 2 in g kl.t., op. 63 (1935)
Allegro moderato
Andante assai – Allegretto – Andante assai
Allegro, ben marcato

pauze

Igor Stravinsky 1882-1971

Jeu de cartes, ballet en trois donnes (1936)
Première donne
Deuxième donne
Troisième donne

Maurice Ravel 1875-1937

Daphnis et Chloé, tweede suite (1913)
Lever du jour: Lent
Pantomime: Lent
Danse générale: Lent

begin van de pauze ca. 20.45 uur
einde van het concert ca. 22.00 uur

Het concert van donderdag 15 december wordt opgenomen door AVROTROS voor uitzending op zondag 18 december om 14.00 uur via NPO Radio 4.

Toelichting

Serge Prokofjev

Tweede Vioolconcert

Tekst: Marco Nakken

Sergej Prokofjev begon zijn loopbaan als muzikale beeldenstormer, maar in de eerste helft van de jaren dertig keerde hij zich geleidelijk van de avant-garde af. Zijn heimwee naar Rusland, dat hij in het revolutiejaar 1917 had verlaten, groeide evenredig met zijn onbehagen over het artistieke klimaat in Parijs, waar hij zich had gevestigd.

Tijdens een tournee door de Ver­enigde Staten in 1930 had hij in interviews aangegeven welke richting de muziek zijns inziens moest inslaan: ‘De tijden waarin de omwille van de dissonant benut wordt zijn voorbij. Ik streef een eenvoudige vorm na. Minder ingewikkeld en een meer uze stijl. Ik vat dit samen onder de noemer Nieuwe Eenvoud.’

Het een jaar voor zijn definitieve terugkeer naar de Sovjet-Unie voltooide Tweede vioolconcert is representatief voor Prokofjevs nieuwe stijlrichting. Het eerste deel heeft een met twee ’s. Expositie, doorwerking, reprise en zijn duidelijk afgebakend. Het eerste thema, een onmiskenbaar Russisch aandoende melodie, wordt door de soloviool geëxposeerd.

Het na een vertraging van het tempo opnieuw door de soloviool ingezette tweede heeft een uitgesproken karakter. De expositie eindigt met geleidelijk aan vertragend passagewerk voor de soloviool. De doorwerking opent met een echo van de laatste frase van de solist in de alten. Het tweede deel houdt het midden tussen een variatie en een vorm (ABA).

In de A-sectie wordt de lange, bijna sentimentele van het eerste thema achtereenvolgens geïntroduceerd en omspeeld door de soloviool. Het thema van de B-sectie wordt door de soloklarinet ingezet.

In de bij vlagen groteske finale wordt de virtuositeit op de spits gedreven. Opmerkelijk is de , waarin een razend perpetuum mobile van de soloviool begeleid wordt door contrabassen en een grote trom.

Igor Stravinsky 1882-1971

Jeu de Cartes

Tekst: Leo Samama

In 1935 bereikte Igor Stravinsky in de Verenigde Staten het verzoek een ballet voor het nieuwe American Ballet te schrijven. Als choreograaf was George Balanchine aangetrokken, met wie Stravinsky al eerder had samengewerkt in 1925 voor Het van de nachtegaal en in 1928 voor Apollon musagète. In 1936 was de van het nieuwe ballet Jeu de cartes gereed.

Stravinsky was een enthousiast kaartspeler en gefascineerd door de sfeer rond het pokeren. In zijn jeugd was hij daarmee al in de casino’s van menig Duits kuuroord in contact gekomen.

Volgens zijn eigen zeggen is dat ook een van de voornaamste redenen geweest dat in Jeu de cartes verwezen wordt naar de muziek die juist in dergelijke plaatsen gespeeld werd: ­Gioacchino Rossini (De barbier van Sevilla), André Messager, Johann Strauss (Die ­Fledermaus), Leo Délibes en Pjotr Iljitsj Tsjaikovski. Maar we herkennen ook Ludwig van Beethoven (Achtste symfonie) en zelfs een vleugje Francis ­Poulenc in de partituur van Stravinsky.

Dit terugvallen op bestaande idiomen is typerend voor Stravin­sky en zeker voor de muziek die hij tussen 1920 en 1950 geschreven heeft. Zijn muziek uit die jaren heeft veel weg van een grote maskerade, puur theater met een niet aflatende stroom van verkleedpartijen, en zeker niet alleen in de balletten. 

Het ballet gaat over drie rondjes poker. Stravinsky: ‘De karakters in dit ballet bestaan uit de belangrijkste kaarten in een spelletje poker, verdeeld tussen verschillende spelers op het groene laken van een speeltafel.

Tijdens elk spel wordt de situatie gecompliceerder gemaakt door de onophoudelijke listen van de perfide joker, die denkt dat hij onoverwinnelijk is doordat hij zich in elke gewenste kaart kan veranderen.

Tijdens het eerste spel wordt een van de spelers verslagen, maar de overige twee blijven met gelijke straatjes over, al bezit een van hen een joker. Tijdens het tweede spel wint de hand die de joker heeft, dankzij vier azen die met gemak vier koninginnen verslaan.

Dan komt het derde spel. De actie wordt steeds heftiger. Ditmaal gaat het om een strijd tussen drie “flushes”. Hoewel de joker aanvankelijk aan de winnende hand is, trots voortstappend aan het hoofd van een reeks schoppen, wordt hij door een “royal flush” bij de harten verslagen. Hierdoor wordt een einde gemaakt aan zijn kwaadaardigheid en zijn schelmenstreken.’

In het decembernummer van programmablad Preludium vindt u een terugblik op de première van Jeu de Cartes bij het Concertgebouworkest onder leiding van Stravinsky zelf. 

Maurice Ravel 1875-1937

Tweede suite uit Daphnis et Chloè

Tekst: Elmer Schönberger

Daphnis et Chloé, Maurice Ravels grootste orkestcompositie, behoort met Stravinsky’s Le sacre du printemps en Debussy’s Jeux tot die onverwoestbare vroegtwintigste-eeuwse meesterwerken waarvan de ontstaansgeschiedenis onverbrekelijk is verbonden met Diaghilevs Ballets Russes.

Tegelijkertijd zijn vele van deze composities definitief aan hun oorsprong ontstegen. Hoe ­dansant, zinnelijk en suggestief ook, uiteindelijk zijn deze partituren te compleet voor het podium gebleken, te ‘af’; hun toekomst zou vooral in de concertzaal liggen.

Zo ook Daphnis et Chloé, ‘symphonie choréographique’ waaruit Ravel twee s (‘fragments symphoniques’) samenstelde. De Tweede suite valt in grote trekken samen met het derde en laatste deel van het oorspronkelijke werk. 

In zijn autobiografische schets noemt Ravel, met de nuchterheid van de vakman die hij bovenal wilde zijn, zijn Daphnis et Chloé ‘een symfonisch werk, geconstrueerd volgens een streng plan en met behulp van een klein aantal motieven’.

Over de antieke wereld die hij, onder verwijzing naar een uit de derde eeuw daterende pastorale vertelling van Longus, tot klinken wilde brengen, merkte hij op dat het hem niet zozeer ging om de archeologische werkelijkheid maar om ‘het Griekenland van zijn dromen’.

Niet toevallig leek dit Griekenland meer op de idyllische en onschuldige voorstellingen van achttiende-eeuwse Franse kunstenaars dan op het heidens-erotische beeld dat choreograaf Michel Fokine en ontwerper Léon Bakst voor ogen stond. Het kan nog zo zinderen in Ravels muziek, de erotiek ervan is, hoe onmiskenbaar ook, bijna steeds van de gereserveerde, bijna kuis te noemen soort.

Zo ook in het Lever du jour waarmee de Tweede  opent, een combinatie van razendsnelle figuurtjes op een onderstroom van trage ën en breed uitwaaierende ën, die tezamen misschien wel de meest exuberante zonsopgang oproepen, ooit gecomponeerd. 

Na dit extatische ontwaken volgt de harmonische schroomvalligheid van een Pantomime, waarin Daphnis en Chloé, althans in het oorspronkelijke ballet, de liefde van Pan voor Syrinx naspelen.

Van de afsluitende Danse générale is bekend dat deze zowel de componist als de dansers voor grote problemen stelde: Ravel sleutelde nog een jaar lang om de eerste, onbevredigende versie van dit bacchantische tafereel vol ritmische furie te vervolmaken.

Dezelfde dansers die het volgende seizoen al aan de ongehoorde s van Stravinsky’s Sacre onderworpen zouden worden, wisten zich volgens de overlevering slechts met behulp van een inwendig gescandeerd Ser-ge-Dia-ghi-lev door de vijfkwartsmaat van dit deel heen te worstelen.

Biografie

Daniele Gatti, dirigent

Afgelopen augustus begon ­Daniele Gatti als chef- van de Sächsische Staatskapelle Dresden; in 2000 stond hij er voor het eerst op de bok.

Daniele Gatti is daarnaast chef-dirigent van het Teatro del Maggio Musicale Fiorentino, music director van het Orchestra Mozart en – sinds 2016 – artistiek adviseur van het Mahler Chamber Orchestra.

Als gastdirigent wordt hij uitgenodigd door de Berliner Philharmoniker, het ­Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en het Orchestra Filarmonica della Scala.

Van 2016 tot en met 2018 was hij chef- van het Concertgebouworkest. Eerder leidde hij het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome (1992–97), het Royal Philharmonic Orchestra in Londen (1996-2009), het Teatro Comunale in Bologna (1997–2007), het Orchestre National de France (2008-2016) en het Opernhaus Zürich (2009-12).

Bij het Royal Ope­ra House Covent Garden was hij van 1994 tot 1997 eerste gastdirigent. In La Scala in Milaan debuteerde hij op zijn 27ste, hij dirigeerde producties bij de Wiener Staatsoper en de Metropolitan Opera in New York, leidde tot 2022 het Teatro dell’Opera di Roma en was meermaals te gast op de Bayreuther Festspiele en de Salzburger Festspiele.

Daniele Gatti werd geëerd met de Grande Ufficiale al Merito della Repubblica Italiana en kreeg in 2015 de Premio Franco Abbiati. In Frankrijk kreeg hij in 2016 de eretitel Chevalier de la Légion d’Honneur.

Lisa Batiashvili, viool

Lisa Batiashvili studeerde bij Ana Chumachenco in München en bij Mark Lubotsky in Hamburg, en baarde opzien door op haar zestiende de tweede prijs te winnen van het Sibelius Concours 1995. Haar internationale carrière ging direct van start, ze won onder meer een Midem Classical Award en een Choc de l’année, werd in 2015 door ­Musical America benoemd tot Instrumentalist of the Year en twee jaar later door Gramophone genomineerd als Artist of the Year.

In 2018 ontving de violiste een eredoctoraat van de Si­belius Academie in Helsinki. Recentelijk bekleedde Lisa Batiashvili een residency bij de Berliner Philharmoniker, en hoogtepunten van het afgelopen seizoen waren een optreden met het Orchestre de Paris en Klaus Mäkelä op het Lucerne Festival, tournees met het Tonhalle-Orchester Zürich (Paavo Järvi), het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia (Daniel Harding) en het London Symphony Orchestra (Antonio Pappano), en haar terugkeer bij de Los Angeles Philharmonic, de New York Philharmonic en het National Symphony Orchestra in Washington.

Ook met het Concertgebouworkest heeft ze een hechte band: ze soleerde er voor het eerst in 2001 (Mozart) en voor het laatst in november 2024 (Prokofjev onder leiding van Klaus Mäkelä). Als artist in residence van het orkest in seizoen 2016/2017 soleerde ze in Tsjaikovski, Prokofjev en Sjostakovitsj en speelde ze met orkestleden kamermuziek. Met haar Lisa Batiashvili Foundation zet de violiste zich in voor getalenteerde jonge musici in haar geboorteland Georgië. Ze bespeelt een Joseph Guarneri ‘del Gesù’ uit 1739.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest