Gatti en Westbroek: Wagner bij het Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest
Daniele Gatti dirigent
Eva-Maria Westbroek sopraan
pauze ca. 20.50 uur
einde ca. 22.15 uur
Boventiteling gebaseerd op de librettovertaling van Janneke van der Meulen.
Dit concert maakt deel uit van de series B en E.
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Tweede symfonie in D gr.t., op. 36 (1801-02)
Adagio – Allegro con brio
Larghetto
Scherzo: Allegro
Allegro molto
pauze
Richard Wagner 1813-1883
Einzug der Götter in Walhall
uit ‘Das Rheingold, Vorabend des Bühnenfestspiels ‘Der Ring des Nibelungen’’ (1852-54)
Der Ritt der Walküren
uit ‘Die Walküre, Erster Tag des Bühnenfestspiels ‘Der Ring des Nibelungen’’ (1854-70)
Waldweben
uit ‘Siegfried, Zweiter Tag des Bühnenfestspiels ‘Der Ring des Nibelungen’’ (1856-71)
Tagesgrauen - Siegfrieds Rheinfahrt
Brünnhildes Schlussgesang
uit ‘Götterdämmerung, Dritter Tag des Bühnenfestspiels ‘Der Ring des Nibelungen’’ (1848-74)
Toelichting
Ludwig van Beethoven (1770-1827)
Tweede symfonie
Door Marijke Schouten
In de zomer van 1801 ging het Ludwig van Beethoven op professioneel vlak voor de wind. Hij had het jaar ervoor, op 2 april 1800, met de Eerste symfonie zijn officiële Weense debuut gemaakt in het Burgtheater en werkte al aan zijn Tweede. Zijn dierbare jeugdvriend uit Bonn, Franz Wegeler, kon hij in een brief van 29 juni meedelen dat hij met zijn composities aanzien had verworven en er bovendien goed aan verdiende. Uitgevers stonden in de rij en hij kon zijn eigen prijs bedingen. De solosonates en kamermuziek die Beethoven had geschreven sinds hij in 1792 bij Joseph Haydn in Wenen was komen studeren ‘om daar uit Haydns handen Mozarts geest te ontvangen’, waren gemodelleerd naar zijn illustere voorbeelden, zij het dat hij meteen een eigen toon had aangeslagen. Via gedetailleerde voorschriften en dynamische contrasten realiseerde hij een ritmische drive binnen de lange lijnen, die de enerverende intensiteit van zijn muziek blootlegt.
Niet lamenteren maar ‘het noodlot bij de strot grijpen’ en rigoureus voor de kunst kiezen, luidde Beethovens voornemen
Dat Beethoven in 1801 erop aanstuurde jaarlijks een openbaar concert te mogen geven in een van de twee grote Weense hoftheaters tekent zijn maatschappelijk engagement. Hij werd door de aristocratische high-society verafgood, maar in het licht van de politieke turbulenties rond 1800 wilde hij ook de burgerlijke muziekliefhebbers, die zijn groeiende faam tot dusver op afstand hadden gevolgd, betrekken bij zijn statements als scheppend en uitvoerend kunstenaar. In zijn Eerste symfonie had hij de Weense symfonische traditie omarmd. Door bij de première van de Tweede symfonie in april 1803 in het nieuwgebouwde Theater an der Wien zijn Eerste nog eens op het programma te zetten, kon een stampvolle zaal ter plekke de verschillen tussen beide stukken waarnemen. Prompt werd in de pers het oudere werk om zijn ‘ongedwongen lichtheid’ geroemd, ten koste van de ‘vergezocht nieuwe en opvallende’ Tweede symfonie. Spoedig zou echter blijken dat Beethoven hier zijn eigen orkestklank had ontdekt en met de verschillende instrumentengroepen het ‘klassieke’ spel met ’s en motieven naar een hoger niveau had getild.
Het lijkt tegenstrijdig, maar in deze artistieke vlucht omhoog vormde Beethovens toenemende slechthorendheid een cruciale factor. Franz Wegeler was de eerste die per brief mocht vernemen hoe zijn zo succesvolle vriend zijn tragische handicap afwisselend opstandig en berustend onder ogen zag. Niet lamenteren maar ‘het noodlot bij de strot grijpen’ en rigoureus voor de kunst kiezen, luidde Beethovens voornemen. Deze houding bepaalt het karakter van de Tweede symfonie die, met zijn vier delen en een langzame inleiding, geheel volgens klassiek-symfonische lijnen verloopt en intussen met zijn krachtige en en obsessieve herhalingen Beethovens rusteloze energie verraadt en uitvergroot. In het Larghetto slaagt hij erin om met ontwapenende tederheid het universeel-menselijke verlangen naar liefde en onschuldig geluk stem te geven. De snelle Franse in het tweede thema van het eerste deel herinnert al aan Beethovens revolutionaire sympathieën – en loopt vooruit op zijn aanstaande bevrijdingsopera Fidelio. In deze context zou een galant-aristocratisch misplaatst zijn geweest: Beethoven ruilde het probleemloos in voor een temperamentvol . Dat een boos gebarende finale in collectieve vreugde kan uitmonden, mag als een beethoveniaans teken van hoop worden opgevat. De Tweede symfonie heeft nooit een programmatische titel gekregen, maar oogt als een klinkend zelfportret: de ruim dertigjarige componist ten voeten uit.
Richard Wagner 1813-1883
Wagner: Der Ring des Nibelungen
Door Marijke Schouten
Richard Wagner deed in zijn latere jaren voorkomen als genie geboren te zijn en niemands leerling te zijn geweest, maar hij ging graag door voor de rechtmatige erfgenaam van de grote symfonische traditie die in Beethoven zijn belichaming had gevonden. De pianotranscriptie die hij op zijn zeventiende, in 1830, maakte van diens Negende symfonie, had hem doen inzien dat in dit kolossale werk met Schillers beroemde Ode an die Freude de grenzen van het symfonische genre tot het uiterste opgerekt waren.
Op de Negende kon alleen nog het volmaakte ‘Kunstwerk van de Toekomst’ volgen, zo concludeerde Wagner vanuit zijn ballingsoord Zürich, waar hij na zijn deelname aan de revolutie van 1848 in Dresden asiel gekregen had. Vanuit zijn optiek als componist moest dit kunstwerk, naar voorbeeld van de Griekse tragedie, een muziekdrama worden waarin tekst en muziek organisch met elkaar verweven waren.
Voor de stof zou hij putten uit Noors-Germaanse en middeleeuws-mythische verhalen. Toen in hetzelfde jaar de eerste librettoversie van Siegfrieds Tod ontstond, (het latere Götterdämmerung), kon hij amper vermoeden met Der Ring des Nibelungen, dat vier samenhangende en avondvullende ’s omvat, een megaproject van dertig jaar te hebben opgestart.
Wat hij overnam van Beethoven was diens symfonische grandeur en het spel met ’s en motieven, die hij verbond met bepaalde personages of ideeën. In de Ring zou deze procedure tot vormbepalend principe uitgroeien. De zogenaamde leidmotieven zorgen voor pregnante dwarsverbanden binnen en tussen de vier opera’s en hebben filmische kwaliteiten.
Vanavond klinken scènes uit alle vier opera’s van de cyclus, een ‘mini-Ring’.
In Einzug der Götter in Walhall, aan het slot van Das Rheingold, hebben de goden macht en geld boven liefde en compassie verkozen en betreedt de oppergod Wotan, met zijn familie, de nieuwgebouwde godenburcht.
Krijgszucht en heldendom tekenen de angstaanjagende muziek van de Walkürenritt. De Walküren gedragen zich gezagsgetrouw: ze halen gevallen strijders op voor het leger van hun vader Wotan. Wanneer Brünnhilde bij haar zusters bescherming zoekt voor Sieglinde, hun halfzus die zwanger is van de latere held Siegfried, laten ze haar vallen uit angst voor Wotans toorn.
De onverschrokken held Siegfried (in Waldweben) ligt onder een boom weg te dromen over zijn vader en moeder die hij niet kent. Hij luistert naar het gezang van een vogel in de takken boven hem. Deze vogel – spreekbuis van de Wanderer, zijn grootvader Wotan – zal hem naar de rots brengen waarop Brünnhilde ligt te slapen.
Na hun gepassioneerde liefdesscène wil Siegfried de wijde wereld intrekken. Hij neemt afscheid van zijn geliefde Brünnhilde en tijdens zijn tocht over de Rijn schildert het orkestrale tussenspel, in een stroom van Siegfried-motieven, zijn heroïsche daden.
In Die Walküre had Wotans lievelingsdochter Brünnhilde voor het eerst de emoties van liefde en compassie voor het lot van de ander gevoeld. Uit de godenwereld verstoten, na het trotseren van haar vaders gebod, was Brünnhilde naar de mensenwereld verbannen. Aan het slot van Götterdämmerung is zij een ‘wetende vrouw’ geworden, nadat zij ontdekt heeft dat Siegfried en zij bedrogen zijn.
Haar geliefde is inmiddels gedood door Hagen. Brünnhilde geeft opdracht het lijk van Siegfried te verbranden om vervolgens zelf met de Ring, bron van alle kwaad, in de vlammenzee te springen die ook de failliete godenwereld in de as zal leggen. Als de Rijndochters de ring weer in bezit nemen, zoals aan het begin van Das Rheingold, is de cirkel rond.
Biografie
Eva-Maria Westbroek, sopraan
Eva-Maria Westbroek studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en onder haar docenten waren James McCray en Iris Adami Corradetti. Nog voor haar afstuderen, in 1994, debuteerde ze in Poulencs Dialogues des Carmélites op het Aldeburgh Festival. Van 2001 tot 2006 maakte de sopraan deel uit van het zangersensemble van de Staatsoper Stuttgart, waar ze de titel Kammersängerin kreeg.
In 2006 debuteerde ze in de Verenigde Staten, met een optreden bij het Chicago Symphony Orchestra. Het debuut van Eva-Maria Westbroek bij De Nederlandse , in Sjostakovitsj’ Lady Macbeth van Mtsensk met het Koninklijk Concertgebouworkest in juni 2006, werd op dvd uitgebracht, en haar titelrol werd door de VSCD uitgeroepen tot ‘meest indrukwekkende individuele prestatie’.
Eva-Maria Westbroek wordt uitgenodigd door van tal van grote huizen, waaronder het Londense Royal Opera House Covent Garden, La Scala in Milaan, de Bayerische Staatsoper in München, de Opéra National de Paris, de Wiener Staatsoper, de Deutsche Oper Berlin, De Munt in Brussel en de Metropolitan Opera in New York. Ook trad ze op op de Bayreuther Festspiele en het festival van Aix-en-Provence.
De laatste keer dat Eva-Maria Westbroek in Het Concertgebouw te beluisteren was, was in juni 2019 in de Veertiende symfonie van Sjostakovitsj met Amsterdam Sinfonietta en bas Mikhail Petrenko.
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Daniele Gatti, dirigent
Afgelopen augustus begon Daniele Gatti als chef- van de Sächsische Staatskapelle Dresden; in 2000 stond hij er voor het eerst op de bok.
Daniele Gatti is daarnaast chef-dirigent van het Teatro del Maggio Musicale Fiorentino, music director van het Orchestra Mozart en – sinds 2016 – artistiek adviseur van het Mahler Chamber Orchestra.
Als gastdirigent wordt hij uitgenodigd door de Berliner Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en het Orchestra Filarmonica della Scala.
Van 2016 tot en met 2018 was hij chef- van het Concertgebouworkest. Eerder leidde hij het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome (1992–97), het Royal Philharmonic Orchestra in Londen (1996-2009), het Teatro Comunale in Bologna (1997–2007), het Orchestre National de France (2008-2016) en het Opernhaus Zürich (2009-12).
Bij het Royal Opera House Covent Garden was hij van 1994 tot 1997 eerste gastdirigent. In La Scala in Milaan debuteerde hij op zijn 27ste, hij dirigeerde producties bij de Wiener Staatsoper en de Metropolitan Opera in New York, leidde tot 2022 het Teatro dell’Opera di Roma en was meermaals te gast op de Bayreuther Festspiele en de Salzburger Festspiele.
Daniele Gatti werd geëerd met de Grande Ufficiale al Merito della Repubblica Italiana en kreeg in 2015 de Premio Franco Abbiati. In Frankrijk kreeg hij in 2016 de eretitel Chevalier de la Légion d’Honneur.


