Gatti en Concertgebouworkest: Mahler 2

Dit concertprogramma wordt u aangeboden door Preludium. Wilt u het hele jaar gebruikmaken van digitale concertprogramma's? Bekijk hier de mogelijkheden.

Koninklijk Concertgebouworkest
Daniele Gatti dirigent
Annette Dasch sopraan
Karen Cargill mezzosopraan
Groot Omroepkoor instudering Klaas Stok

Gustav Mahler 1860-1911

Tweede symfonie in c kl.t. (1888-94 / rev. 1903) ‘Auferstehung’
in vijf delen voor groot orkest, sopraan en alt solo en gemengd koor

Allegro maestoso
Andante moderato

In ruhig fliessender Bewegung
‘Urlicht’: Sehr feierlich, aber schlicht
Im Tempo des Scherzo

er is geen pauze
einde van het concert:
ca. 21.45 uur resp. 15.45 uur

dit concert maakt deel uit van de series B, E en Z.

Het concert van 18 september wordt live uitgezonden door AVROTROS via
NPO Radio 4.

Toelichting

Gustav Mahler (1860-1911)

Tweede symfonie

Door Bas van Putten

Gustav Mahlers Eerste symfonie (1884-88), bijgenaamd ‘Titan’, is het symfonische portret van een ‘held’ die sterk op de jonge Mahler lijkt; een met zichzelf en de wereld worstelende eenling, wiens levensstrijd pas op de valreep ‘dall’inferno al paradiso’ – zoals Mahler het in een vroege versie aanduidt – met een zelfoverwinning wordt beklonken. Toch is het merkwaardig genoeg dit alter ego waarmee de Mahler van de Tweede korte metten maakt. ‘Ik heb het eerste deel “Totenfeier” genoemd’, schrijft hij in een brief aan componist en muziekcriticus Max Ma­rschalk, ‘en mocht u het willen weten; het is de held van mijn Symfonie in D groot die ik daar begraaf, in een zuivere spiegel opvang. Tegelijkertijd gaat het om de grote vraag: waarom heb je geleefd? Waarom heb je geleden? Is het dan allemaal één grote, gruwelijke grap? Wij moeten deze vraagstukken op welke manier dan ook oplossen, als we verder willen leven – ja zelfs, als we verder willen sterven! Wie deze oproep eenmaal heeft vernomen, moet een antwoord geven: en dat antwoord geef ik in het laatste deel.’

De brief aan Ma­rschalk wekt tussen de regels door de indruk dat Mahler zich ontgroeid acht aan de egocentrische obsessies van zijn eigen heldenjaren, en zijn geestelijke evolutie bezegelt met de demonstratieve graflegging van een vorig ik. De allerindividueelste zielenroerselen van de Eerste leggen het in de Tweede af tegen volwassen, algemeen menselijke zijnsvragen.

De omslag is hoorbaar. Al komt een deel van de Tweede symfonie tot stand in het jaar waarin hij zijn Eerste voltooit en toont Mahler zich ook ditmaal een meester in het groteske, de Tweede mist het onbesuisde, tegendraads dubbelzinnige elan van zijn voorganger, die bij alle pathos toch een jeugdig stuk was. Met zijn lengte van bijna anderhalf uur en een reusachtige bezetting met groot koper, ‘’, groot koor, sopraan- en altpartij steekt de Tweede Beethovens Negende symfonie (1823-24) naar de kroon. Welbewust en onder verwijzing naar Beethoven overschrijdt Mahler de grenzen van de symfonische vorm, die een keurslijf wordt wanneer de componist, zoals hij violiste en vriendin Natalie Bauer-Lechner later zal verklaren, in zijn poging de hoogste dingen uit te drukken naar het woord moet grijpen omdat hij er ‘met de noten alleen niet meer uitkomt’.

Twee van de vijf delen zijn vocaal, een derde is geënt op Mahlers oeuvre. Het vierde deel (‘Urlicht’) is een lied uit Des Knaben Wunderhorn, de vroeg-negentiende-eeuwse verzameling Duitse volkspoëzie die een reusachtig stempel heeft gedrukt op Mahlers liederen en symfonieën. Het derde deel, een , is een instrumentale versie van Mahlers hilarische Wunderhorn-lied Des Antonius von Padua Fischpredigt, waarin de heilige Antonius met naïeve, zinloze overgave tot de vissen preekt – wat uiteraard verspilde moeite blijkt, omdat dit ‘kerkvolk’ even doof is als het echte. De gigantische koorfinale besluit na een afgrondelijk luidruchtige verklanking van de dag des oordeels met een zetting van Klopstocks hoopgevende ode Die Auferstehung.

De inzet van middelen accordeert met de the­matische bandbreedte van het werk. De narcistische ‘Sturm und Drang’ van de Eerste symfonie wordt rigoureus overgecompenseerd met liefdevol bezorgde aandacht voor de condition humaine. De onbegrepen kunstenaar is een humanist geworden, die zich uit mededogen buigt over het lot van de medemens, en hem als broeder in de nood op Klopstocks vleugels hoop influistert met de belofte van wederopstanding en onsterfelijkheid. Zo sterk is Mahlers zendingsdrang, dat hij Klopstocks tekst kruidt met opbeurende regels van eigen hand: ‘O glaube: Du wardst nicht umsonst geboren! Hast nicht umsonst gelebt, gelitten!’ De held van de Eerste wordt begraven, omdat een nieuwe held is opgestaan – een man die zich als mens verbroedert met de zijnen.

  • Gustav Mahler

Net als de eerste versie van de Eerste symfonie (inclusief het later door Mahler eruit verwijderde ‘Blumine’) is de Tweedeeen vijfdelig werk dat uiteen lijkt te vallen in twee ‘Teile’ of ‘Abteilungen’. Mahler suggereerde ze te scheiden door een pauze van ten minste vijf minuten. De eerste ‘Abteilung’ bestaat uit de oorspronkelijk als zelfstandig geheel gecomponeerde treurmars ( maestoso); na de onderbreking volgen de instrumentale Ländler ( moderato) en een (In ruhig fliessender Bewegung), en direct aaneensluitend de hymnische altsolo ‘Urlicht’ en de monumentale finale.

Zoals Mahler aan Ma­rschalk schrijft, draagt het in september 1888 geschetste eerste deel aanvankelijk de naam ‘Totenfeier’. Net als hij met zijn Eerste heeft gedaan noemt Mahler het een ‘symfonisch gedicht’, zij het pas nadat hij de oorspronkelijke titel ‘symfonie in c klein’ heeft doorgehaald. Getuige uitspraken van de componist tegenover Natalie Bauer-Lechner maakt hij eerder in 1888 in Leipzig schetsen voor het scherzo en andante, die hij in 1893 in Steinbach uitwerkt. Maar tot een volwaardige symfonie komt het niet. Pas in maart 1894 volgt een doorbraak na het overlijden van de grote Hans von Bülow. Als tijdens de uitvaartplechtigheid voor Von Bülow in de Hamburgse Michaelskirche Klopstocks gedicht Die Auferstehung klinkt, beleeft Mahler de Aha-Erlebnis die zijn muzisch-filosofische impasse doorbreekt. Enkele maanden later, op 25 juli 1894, kan Mahler zijn vriend Arnold Berliner schrijven dat hij zijn finale heeft voltooid: ‘Es ist das Bedeutendste, was ich bis jetzt gemacht habe.’

Zonder te buigen voor het corvee van de symfonische traditie lijkt Mahler, meer dan in zijn Eerste symfonie, aansluiting te zoeken bij zijn voorgangers. De expliciet op Beethoven betrokken formule van de koorsymfonie is één voorbeeld, zoals ook de in de Tweede zymfonie opduikende techniek van versplintering frequent aan Beethoven doet denken. Bruckner- en Wagner-echo’s zijn goed hoorbaar. In de finale combineert Mahler het - – door Berlioz al gebruikt in zijn Symphonie fantastique (1830) – met het luidkeelse orkestpandemonium dat de wederopstanding der doden uitbeeldt, gevolgd door het kopergeschal met ‘Trom­peten aus der Apokalypse’ dat als ‘der grosse Appell’ is aangeduid. Bij alle vertoon van meesterschap is dit onversneden figuratieve programmamuziek.

Des te indrukwekkender is Mahlers vermogen een veelheid aan atmosferen en idiomen (, , Ländler, ‘Naturlaut’, ) onder te brengen in een symfonische vorm waarin extreme dramatische contrasten de eenheid niet verzwakken maar versterken. Op het eerste gezicht vormen de vijf delen naburige maar zelfstandige republieken in een woest en uitgestrekt symfonisch continent. In lengte, bezetting en toon verschillen ze als hemel en aarde. Hoewel constructieve elementen als verhoudingen en the­matische verwantschappen ondergronds of hoorbaar hun latente samenhang schragen, is het primair de allesdoordringende idee van de ontzetting voor de dood die het enorme werk bijeenhoudt. Deze vrees wordt ten slotte zo ondraaglijk dat alleen een onwankelbaar geloof in de uitweg de mens op de been houdt. 

Zangteksten

vierde deel

‘Urlicht’
O Röschen rot,
Der Mensch liegt in grösster Not,
Der Mensch liegt in grösster Pein,
Je lieber möcht’ ich im Himmel sein.
Da kam ich auf einem breiten Weg,
Da kam ein Engelein und wollt’ mich abweisen.
Ach nein, ich liess mich nicht abweisen!
Ich bin von Gott und will wieder zu Gott,
Der liebe Gott wird mir ein Lichtchen geben,
Wird leuchten mir bis in das ewig selig’ Leben!

tekst uit Des Knaben Wunderhorn (Achim von Arnim en Clemens Brentano)

vijfde deel

‘Die Auferstehung’
Aufersteh’n, ja aufersteh’n wirst du,
mein Staub, nach kurzer Ruh!
Unsterblich Leben! Unsterblich Leben
wird, der dich rief, dir geben!

Wieder aufzublüh’n, wirst du gesä’t!
Der Herr der Ernte geht
und sammelt Garben
uns ein, die starben!

tekst gebaseerd op F.G. Klopstock
 
O glaube, mein Herz! O glaube:
Es geht dir nichts verloren!
Dein ist, ja Dein, was du gesehnt!
Dein, was du geliebt, was du gestritten!
 
O glaube: Du wardst nicht umsonst geboren!
Hast nicht umsonst gelebt, gelitten!
 
Was entstanden ist, das muss vergehen!
Was vergangen, auferstehen!

Hör auf zu beben!
Bereite dich zu leben!
 
O Schmerz! Du Alldurchdringer!
Dir bin ich entrungen.
O Tod! Du Allbezwinger!
Nun bist du bezwungen!

Mit Flügeln, die ich mir errungen,
in heissem Liebesstreben
werd’ ich entschweben
zum Licht, zu dem kein Aug’ gedrungen!
 
Mit Flügeln, die ich mir errungen,
werde ich entschweben!
Sterben werd’ ich, um zu leben!

Aufersteh’n, ja aufersteh’n wirst du,
mein Herz, in einem Nu!
Was du geschlagen,
zu Gott wird es dich tragen!

tekst: Gustav Mahler

Download het programmaboekje met de zangteksten als PDF.

Biografie

Daniele Gatti, dirigent

Afgelopen augustus begon ­Daniele Gatti als chef- van de Sächsische Staatskapelle Dresden; in 2000 stond hij er voor het eerst op de bok.

Daniele Gatti is daarnaast chef-dirigent van het Teatro del Maggio Musicale Fiorentino, music director van het Orchestra Mozart en – sinds 2016 – artistiek adviseur van het Mahler Chamber Orchestra.

Als gastdirigent wordt hij uitgenodigd door de Berliner Philharmoniker, het ­Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en het Orchestra Filarmonica della Scala.

Van 2016 tot en met 2018 was hij chef- van het Concertgebouworkest. Eerder leidde hij het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome (1992–97), het Royal Philharmonic Orchestra in Londen (1996-2009), het Teatro Comunale in Bologna (1997–2007), het Orchestre National de France (2008-2016) en het Opernhaus Zürich (2009-12).

Bij het Royal Ope­ra House Covent Garden was hij van 1994 tot 1997 eerste gastdirigent. In La Scala in Milaan debuteerde hij op zijn 27ste, hij dirigeerde producties bij de Wiener Staatsoper en de Metropolitan Opera in New York, leidde tot 2022 het Teatro dell’Opera di Roma en was meermaals te gast op de Bayreuther Festspiele en de Salzburger Festspiele.

Daniele Gatti werd geëerd met de Grande Ufficiale al Merito della Repubblica Italiana en kreeg in 2015 de Premio Franco Abbiati. In Frankrijk kreeg hij in 2016 de eretitel Chevalier de la Légion d’Honneur.

Annette Dasch, sopraan

Annette Dasch’ natuurlijke omgeving is die van de Salzburger Festspiele (waar ze in 2006 haar bejubelde debuut maakte), Covent Garden in Londen, de Metropolitan in New York en het Teatro alla Scala in Milaan, om maar wat gevierde operapodia te noemen.

De ­Duitse so­praan geeft daar gestalte aan rollen als ­Donna Elvira in Mozarts Don Giovanni, Antonia in Les contes d’Hoffmann van Offenbach, Eva in Wagners Die Meistersinger von Nürnberg en Elsa in Lohengrin van dezelfde componist – de laatste rol is haar vooral dierbaar, omdat ze die sinds 2010 bijna elk jaar vertolkt tijdens de Bayreuther Festspiele.

Het is dankzij haar liefde voor het dat haar stem ook straalt in kleine bezetting in concertzalen als de Wiener Musikverein en de Wigmore Hall in Londen. Verder maakte Annette Dasch onder meer naam met haar bijdragen in grote oratoria van Mendelssohn en Schumann en een aantal cd’s.

Voor haar debuut-cd Armida kreeg ze in 2008 een ECHO Klassik Preis. Annette Dasch maakt deze maand haar debuut bij het Koninklijk Concertgebouworkest, maar gaf in maart 2009 al met pianist Wolfram Rieger een in de van Het Concertgebouw.

Karen Cargill, mezzosopraan

Tot Karen Cargills vroege hoogtepunten behoren een uitvoering van Mendelssohns Elias met Kurt Masur en het London Philharmonic Orchestra tijdens de BBC Proms en het winnen van de Kathleen Ferrier Award in 2002.

Sindsdien werkt de Schotse mezzosopraan regelmatig samen met orkesten als het BBC Symphony Orchestra, The Cleveland Orchestra en het Chamber ­Orchestra of Europe – waar ze deze maand het ­Koninklijk Concertgebouworkest aan toevoegt – en belangrijke en als Valery Gergiev, Yannick Nézet-Séguin, Bernard Haitink en Sir Simon Rattle.

In 2013 werd ze benoemd tot ‘­associate artist’ van het Scottish Chamber Orchestra. Hun cd-opname met werken van Berlioz onder leiding van Robin Ticciati werd in juni 2013 door Gramophone verkozen tot ‘cd van de maand’. Ook op het vlak is Karen Cargill actief, in de bekende theaters van bijvoorbeeld Londen, New York en Berlijn.

Daarnaast treedt ze geregeld op met haar vaste pianist Simon Lepper, zoals op 30 oktober 2012 in de van Het Concertgebouw – toen ook samen met so­praan Sally Matthews. Voor hun cd met eren van Alma en Gustav Mahler kregen de liedpartners veel lof toegezwaaid.

In de was Karen Cargill eerder te beluisteren met het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Radio Filharmonisch Orkest.

Groot Omroepkoor, koor

Het Groot Omroepkoor, opgericht kort na de Tweede Wereldoorlog, is het enige professionele koor in Nederland dat het grote symfonische koorrepertoire uitvoert. Het koor is nauw verbonden met de Publieke Omroep en zingt veelvuldig in de omroepseries: de NTR ZaterdagMatinee, Het Zondagochtend Concert en het AVROTROS Vrijdagconcert.

Het repertoire beweegt zich tussen hedendaagse muziek (opdrachtwerken van zowel Nederlandse als buitenlandse componisten), oudere werken uit de negentiende en twintigste eeuw en . Het Groot Omroepkoor treedt op met orkesten van naam en faam, en werkt in de omroepseries doorgaans met het Radio Filharmonisch Orkest.

Ook met het Concertgebouworkest bestaat een lange, vruchtbare samenwerking. Bij de laatste gezamenlijke concerten in mei 2025 stond Mahlers Achtste symfonie op het ­programma onder leiding van Klaus Mäskelä. Samen met het Radio Filharmonisch Orkest ontving het Groot Omroepkoor in 2017 de Concertgebouw Prijs. Chef- sinds 2020 is Benjamin Goodson.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest