Gardiner leidt Brahms bij het Concertgebouworkest
Concertgebouworkest
Monteverdi Choir
John Eliot Gardiner dirigent
De concerten worden voorzien van boventiteling in het Nederlands en Engels. Lees hier de oorspronkelijke zangteksten in het Duits.
Johannes Brahms (1833-1897)
Nänie, op. 82 (1880-81)
voor gemengd koor en orkest
Ich schwing mein Horn ins
Jammertal
voor mannenkoor a cappella
uit ‘Fünf Lieder’, op. 41 (1861-62)
Fünf Gesänge, op. 104
(ca. 1886-88)
voor koor a cappella
Nachtwache I
Nachtwache II
Letztes Glück
Verlorene Jugend
Im Herbst
Vier Gesänge, op. 17 (1860)
voor vrouwenkoor, hoorns en harp
Es tönt ein voller Harfenklang
Lied von Shakespeare
Der Gärtner
Gesang aus ‘Fingal’
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest
pauze ± 21.00 uur
Gesang der Parzen, op. 89 (1882)
voor gemengd koor en orkest
Symfonie nr. 3 in F gr.t., op. 90 (1883)
Allegro con brio
Andante
Poco allegretto
Allegro
einde ± 22.15 uur
Toelichting
Nänie
Door Axel Meijer
Nänie, naar de Romeinse begrafenisgodin Nenia, is Brahms’ muzikale eerbetoon aan zijn overleden vriend. De tekst is een gedicht van Friedrich Schiller, over de onverbiddelijkheid van de dood: ‘Auch das Schöne muss sterben!’ Brahms’ keuze voor dit gedicht is treffend: Schiller schrijft in klassieke vijf- en zesvoeters. ‘Bedenk wel dat hexameters nogal lastig zijn voor een muzikant,’ schrijft de componist aan een vriend.
Brahms’ toonzetting, volledig in toonsoorten, sluit aan bij de stijl van zijn Deutsches Requiem: eerder troostend dan klaaglijk. Brahms draagt het werk op aan Feuerbachs geliefde stiefmoeder.
Ich schwing mein Horn ins Jammertal
Door Axel Meijer
Van zo’n twintig jaar eerder stamt Ich schwing mein Horn ins Jammertal voor mannenkoor, over een jager die uitgejaagd is. Nu laat hij alleen nog zijn schallen, dolend door het Tranendal. Het hert is de jager voorgoed ontkomen, nu heeft hij zich nog slechts te getroosten met klein wild.
De tekst stamt uit de vroege zestiende eeuw, op zijn laatst, en Brahms treft de sfeer perfect, met een tegelijkertijd stevige en melancholieke .
Fünf Gesänge
Door Axel Meijer
Brahms voltooit zijn Fünf Gesänge, 104, op zijn 55ste. Het is een tijd waarin de componist in gesprekken en brieven met een mengeling van weemoed en bitterheid terugblikt op zijn jeugd: die was zwaar, maar hij was een goedgebouwde jongeman, nu heeft hij steeds minder energie, en het is te laat om nog een vrouw te vinden… De somberheid klinkt door in deze vijf eren voor gemengd koor, zowel tekstueel als muzikaal.
De opening, Nachtwache I, toch een liefdeslied, klinkt eerder bedeesd dan gloedvol. Brahms schildert hier heel knap, met één muzikale figuur, zowel de ‘ademhaling der liefde’ als de harteklop die erdoor gewekt wordt. De toon wordt iets zekerder in Nachtwache II, maar in lied nummer drie, Letztes Glück, is de zomer al voorgoed voorbij. In het laatste lied, Im Herbst, zijn de dagen kleurloos en verzoent de mens zich somber met het onvermijdelijke.
Qua harmonische en ritmische complexiteit en in de vaak lange lijnen gaat Brahms met deze koorcyclus soms nog iets verder dan zelfs in zijn Derde en Vierde symfonie, van enkele jaren eerder. Het werk onderbouwt de stelling van John Eliot Gardiner dat Brahms in zijn oeuvre voor koor steeds experimenteert met nieuwe technieken, ontleend aan oude meesters, om die vervolgens in andere genres verder uit te kristalliseren. De wijst erop dat Brahms de instrumentgroepen in het orkest vaak net zo behandelt als Schütz en Gabrieli de koren in hun dubbelmotetten. Bovendien noemt Gardiner de frasering in veel van Brahms’ orkestwerken ‘ongebruikelijk vocaal’.
Vier Gesänge
Door Axel Meijer
De Vier Gesänge, 17 voor vrouwenstemmen vormen een vreemde eend in de bijt van niet alleen Brahms’ vocale oeuvre, maar van het koorrepertoire in zijn algemeenheid. Dat komt door de haast experimentele begeleiding: s en een harp. Een zelden gehoorde combinatie, door Brahms doeltreffend ingezet, bijvoorbeeld in het openingslied: Es tönt ein voller Harfenklang gaat over een harp die letterlijk een tranentrekker blijkt te zijn.
Shakespeares begrafenislied Come Away, Death, vertaald door August Schlegel, krijgt van Brahms een opvallend lichte, des te schrijnendere . Der Gärtner, van Joseph von Eichendorff, brengt de ’s van liefde en dood nauw samen: de bloemen van de tuinman volstaan niet voor zijn geliefde, daarom graaft hij maar zijn eigen graf… Het aus ‘Fingal’ – uit het vervalste ‘oud-Schotse’ epos Ossian – is het beroemdste uit de cyclus: een klaagzang in dezelfde heroïsche stijl als Brahms’ Balladen voor piano, opus 10.
Gesang der Parzen
Door Axel Meijer
Het Gesang der Parzen, 89, brengt ons, met de componist, terug naar de Klassieke Oudheid. Het is Brahms’ laatste werk voor koor en orkest, uit 1882.
De ‘Parzen’ uit de titel zijn drie schikgodinnen uit de Romeinse mythologie. Het tragische werk, diep in , weerspiegelt Brahms’ somberheid over de toestand in de wereld: de afnemende macht van het Oostenrijkse keizerrijk, de teloorgang van de muziek, kortom, het einde van een tijdperk. En er is niets aan te doen, het noodlot ligt in handen van de goden. In het moduleert Brahms zich een weg door op elkaar gestapelde grote tertsen: het soort moderniteit dat de als traditioneel te boek staande componist de eeuwige waardering van de latere Weners Anton Webern en Arnold Schönberg zou opleveren.
Derde symfonie
Door Axel Meijer
Brahms’ volgende nummer is zijn Derde symfonie in F groot, opus 90. De première ervan vindt plaats op 2 december 1883 in Wenen en is een enorm succes. Voor dat succes is de componist zelf overigens enigszins beducht: recensenten hebben het over het absolute toppunt in zijn oeuvre, bijna alsof Brahms er dan nu wel mee op zou kunnen houden.
Het derde deel is een publiekslieveling, en was dat al vanaf de allereerste uitvoering.
John Eliot Gardiner hoort in de Derde symfonie een vijftigjarige componist die een gebalde vuist heft tegen de onverbiddelijke voortgang van de tijd, maar daar uiteindelijk in weet te berusten. Het belangrijkste materiaal van het openingsdeel, con brio, wordt gevormd door twee motieven: allereerst de stijgende baslijn f-as-f. Die drie noten vormen meteen het fundament voor alle vier de delen van de symfonie, met typisch brahmsiaanse efficiëntie. Het is overigens een dat Brahms in veel meer composities verwerkt, en dat meestal gezien wordt als een verwijzing naar zijn (vrijgezelle) levensmotto ‘Frei aber Froh’. Het tweede motief in het eerste deel is een dalende die Brahms overneemt uit Robert Schumanns Derde symfonie. Daarmee doet Brahms iets wonderlijks: hij begint de melodie in , maar eindigt haar in . Dat wringt, en de tonale dubbelzinnigheid die dat veroorzaakt, die zoektocht naar stabiliteit, is de drijvende kracht in dit hele deel, ondanks de vele e momenten voor met name de klarinetten.
Die hebben, zoals vaker in Brahms’ orkestwerken, een grote, soms bijna solistische rol in deze symfonie. Gepaard aan de ten openen de klarinetten het tweede deel, , met een meteen memorabele melodie. Een tweede belangrijk motief, opnieuw voor de klarinetten, wordt door Brahms ‘overgeslagen’ in de herhaling, maar komt later, enigszins veranderd, nog terug in de finale.
Het derde deel, Poco allegretto, is – volstrekt begrijpelijk – een publiekslieveling, en was dat al vanaf de allereerste uitvoering. Het is van een openhartige, droeve, zachte weemoedigheid, bijna een trage Hongaarse dans, en meesterlijk geïnstrumenteerd. Aan het eind van dit deel vinden we bovendien een voorbeeld van hoe Brahms’ symfonisch werk soms zijn koorcomposities beïnvloedt: de dynamische aanwijzingen bij het zuchten van de blazers en de strijkers zijn, aldus John Eliot Gardiner, identiek aan die boven het woord ‘seufzend’ in Nachtwache I uit de a-cappella-cyclus opus 104.
De finale van de Derde symfonie is een en al onstuimigheid, althans, dat laat Brahms ons heel lang geloven. Natuurlijk is er, tegen het eind, een moment van rust, zoals dat gaat in symfonische finales, voorafgaand aan een spetterend einde, opgelucht, mfantelijk, monumentaal, of anderszins. Alleen: zo’n einde komt er niet. Juist de rust waarmee Brahms zijn Derde eindigt, zorgt voor een schok. Plotseling, net als we ons realiseren dat er misschien toch geen knallend einde meer komt, is de symfonie voorbij.
Op 4 januari 1880, op een steenworp afstand van het San Marcoplein, houdt plotseling het hart van de vijftigjarige Anselm Feuerbach ermee op: een dood in Venetië. Dat is toepasselijk, want de Duitse schilder beschouwde Michelangelo en Rafaël zo’n beetje als enige navolgenswaardige voorbeelden. Die artistieke voorouderverering deelde Feuerbach met zijn vriend Johannes Brahms, die steeds weer inspiratie vond in het werk van renaissancecomponisten als Lassus en Palestrina. Omdat het daarbij vooral om vocale muziek gaat, is hun invloed het duidelijkst hoorbaar in Brahms’ koorwerken.
Biografie
John Eliot Gardiner, dirigent
John Eliot Gardiner wordt beschouwd als een sleutelfiguur in de ontwikkeling van de historische uitvoeringspraktijk. Zijn repertoire beslaat de vroege tot en met de twintigste eeuw.
De afgelopen decennia bleef hij zijn visie vernieuwen en verbreden.
Hij is oprichter en artistiek leider van zowel de English Baroque Soloists als het Monteverdi Choir. In 1989 riep hij bovendien het Orchestre Révolutionnaire et Romantique in het leven. John Eliot Gardiner is chef- geweest van het Dallas Symphony Orchestra, het CBC Vancouver Orchestra en de Opéra National de Lyon. Als gastdirigent leidde hij onder meer het London Philharmonic Orchestra, het London Symphony Orchestra, de Berliner en de Wiener Philharmoniker, het Mahler Chamber Orchestra, het Orcheste National de France en het Leipziger Gewandhausorchester.
Hij maakte ruim 250 plaat- en cd-opnamen en ontving meer Gramophone Awards dan welke andere levende klassieke artiest ook. Voor de live-opnames van Bachs complete geestelijke s kreeg hij de Gramophone Special Achievement Award. John Eliot Gardiner heeft verschillende eredoctoraten en een ‘honorary fellowship’ aan King’s College in Cambridge en is voorzitter van het Bach Archiv in Leipzig. In 2013 verscheen zijn Bach-biografie Music in the Castle of Heaven.
Hij is Commandeur dans l’Ordre des Arts et des Lettres en Chevalier de la Légion d’Honneur. In 1998 werd hij geridderd in de Queen’s Birthday Honours List en in 2005 kreeg hij het Verdienstkreuz in Duitsland. In januari 2016 kreeg hij de Concertgebouw Prijs toegekend. Het Concertgebouworkest leidde hij vele malen sinds 1994.
Tussen 2021 en 2023 leidde hij bij het orkest een Brahms-cyclus; opnamen van de vier symfonieën werden uitgebracht op Deutsche Grammophon.
Monteverdi Choir, koor
‘Als er een Nobelprijs voor koren bestond, zou het Monteverdi Choir die moeten krijgen’, aldus Le Monde. John Eliot Gardiner richtte het Monteverdi Choir in 1964 op voor een uitvoering van Monteverdi’s Vespers. Het groeide uit tot een veelzijdig koor dat zowel concerten geeft als ingezet wordt bij producties.
Het werkte samen met bijvoorbeeld het Gewandhausorchester in Leipzig, de Londense dansgroep van Hofesh Shechter, het National Youth Choir of Scotland, de Opéra Comique en het Théâtre du Châtelet in Parijs, het Royal House Covent Garden en natuurlijk Gardiners instrumentale ensembles, de English Baroque Soloists en het Orchestre Révolutionnaire et Romantique. Het meest ambitieuze project was ongetwijfeld de Bach Cantata Pilgrimage in 2000, toen het koor in het 250ste geboortejaar van Johann Sebastian Bach al diens 198 religieuze s uitvoerde in meer dan zestig kerken in Europa en Noord-Amerika.
Onder de recentere programma’s vinden we de gelauwerde tournee door Europa en de Verenigde Staten met Monteverdi’s drie overgeleverde opera’s en bejubelde uitvoeringen van Verdi’s Messa da requiem. Het Monteverdi Choir heeft meer dan 150 lp- en cd-opnamen en talloze prijzen op zijn naam staan. Met het Concertgebouworkest was het in september 2021 en oktober 2022 te horen in koorwerken van Brahms onder leiding van John Eliot Gardiner.



